'k Dacht op aard
Zoo vaak: als ik den Hemel maar begroet,
Als maar de groote ellend mij wordt gespaard,
Dat ik met 's Heeren haatren leven moet!
Ontsluit zich maar des Hemels lichtgordijn,
Ik wil er gaarne een dorpelwachter zijn.
Mij dacht, gij zoudt in eindloos hooger sfeer
Vertoeven; en de kindren ook, als zij
Onze aard verlieten; en ik wenschte er bij,
U allen, ware 't ook éen enklen keer
Na honderd jaar, te ontmoeten; en den Heer
Al ware 't éenmaal om de duizend jaar....
'k Sloeg nog de handen dankende in elkaâr!