HIJ.

'k Dacht op aard

Zoo vaak: als ik den Hemel maar begroet,

Als maar de groote ellend mij wordt gespaard,

Dat ik met 's Heeren haatren leven moet!

Ontsluit zich maar des Hemels lichtgordijn,

Ik wil er gaarne een dorpelwachter zijn.

Mij dacht, gij zoudt in eindloos hooger sfeer

Vertoeven; en de kindren ook, als zij

Onze aard verlieten; en ik wenschte er bij,

U allen, ware 't ook éen enklen keer

Na honderd jaar, te ontmoeten; en den Heer

Al ware 't éenmaal om de duizend jaar....

'k Sloeg nog de handen dankende in elkaâr!

Poëzy Nieuwe Bloemlezing uit de dichtwerken van J.J.L ten Kate · 第 63 / 144 题