HIJ.

Nu blijkt het, ja, 'k moet in den Hemel zijn:

Want immers, zonder worsteling of pijn

Voegt naar _Zijn_ wil de _mijne_ zich terstond!

Ik had gedacht, als ik mijn Heer niet vond,

't Zou me onverdraaglijk zijn; en niet alleen

Verdraag ik dat, maar gaarne: zóo is 't goed,

_Hij_ wil het, _ik_ wil 't ook. Het zal, het moet:

Zou daar iets anders mooglijk wezen? Neen!

Ziet, zoo gemaklijk ging het niet op Aard.--

Maar zond Hij u, dan spraakt gij ook met Hem,

Dan hoordet gij wel menigmaal Zijn stem?

Poëzy Nieuwe Bloemlezing uit de dichtwerken van J.J.L ten Kate · 第 49 / 144 题