Gij vraagt het nog? Tot wien dan Hem-alleen?
't Is alles hier zoo heerlijk: dat geboomt',
Die bloemenhof, dat blauwe luchtgewelf,
Dat water, dat verkwikkend nederstroomt,
Die morgenwind, zoo balsemvol, gij-zelf,
Gij, die ik steeds in 't weenend harte droeg,
En nu, na zooveel smarts, de mijne weêr!--
En echter is dit alles niet genoeg.
Hém moet ik zien, mijn Heiland en mijn Heer!
Hoe feestlijk Hij zijn blijden Hemel tooit,
De Hemel-zelf vergoedt Zijn afzijn nooit.
Hij maakte mooglijk wat onmooglijk was:
Hij ging niet heen eer Hij mijn hart verwon,
Hij liet niet af eer Hij mijn ziel genas,
Hij maakte dat ik zalig sterven kon!
Eer ik geboren werd, nam Hij mij aan....
Waar is nu de Aard? Daar draait ze, een kleine ster
In welk een nacht gewikkeld, en hoe ver!
Ik zou niet gaarne op nieuw naar de Aarde gaan.
Hij daalde er neêr--Hij deelde er onzen nood:
Hem heeft in 't stof gehongerd en gedorst,
Hij ving er in de Goddelijke borst
Alle angsten, alle pijlen van den dood!
O, scherpte Hij mijne oogen, dat ik toch
De diepten van Zijn lijden méer doorzag'!
Mij kocht Hij op dien grooten stervensdag;
En wetend, hoe de zonde met bedrog
Hem 't Zijne zoekt te ontstelen, bleef Hij mij
Van de allervroegste kindschheid af nabij.
Van alles wat Zijn liefde voor mij deed,
Erkende ik daar beneden veel, maar nu
Erken ik toch al meerder; en ik weet,
Nog meer zal ik erkennen: want met u
Wil 'k alles overleggen--naderhand,
Thands niet!--ik ben ontroerd--mijn harte brandt--
Ik heb geen rust of duur eer ik Hem vond:
Ik wil Hem zien, Hem danken, als mijn mond
Nog danken kan, wanneer Hij vóor mij staat,
En dit mijn hoofd zal buigen aan zijn voet....
Hem danken, als maar niet in d' overvloed
Der vreugde ook zelfs 't gevoel van dank vergaat!...