Nu is op eens de nevel opgeklaard:
't Was avond--juist!--een treurige avondstond.
Vier lange dagen waart gij krank geweest.
Ja, 'k weet het nog: wij hadden veel gevreesd,
Maar hoopten nog. 'k Zat bij uw veege spond.
Daar greep op eens een groote zwakte u aan.
Uw hoofd leunde op mijn borst--het gleed op zij'.
Een diepe zucht--en alles was gedaan....
Gij stierft. Gewis, gij zijt gestorven, gij!