HIJ.

Nu is op eens de nevel opgeklaard:

't Was avond--juist!--een treurige avondstond.

Vier lange dagen waart gij krank geweest.

Ja, 'k weet het nog: wij hadden veel gevreesd,

Maar hoopten nog. 'k Zat bij uw veege spond.

Daar greep op eens een groote zwakte u aan.

Uw hoofd leunde op mijn borst--het gleed op zij'.

Een diepe zucht--en alles was gedaan....

Gij stierft. Gewis, gij zijt gestorven, gij!

Poëzy Nieuwe Bloemlezing uit de dichtwerken van J.J.L ten Kate · 第 35 / 144 题