Zie, wij genoten menig lieflijk uur
Te midden van den Lusthof der Natuur:
Maar nooit begroette mijn bewondrend oog
Een plekjen gronds, zoo onuitspreeklijk rijk.
Ha, welke boomen! Waarlijk, hemelhoog!
Zij dragen vrucht en bloesem te gelijk.
Ik hoor den wind, die door de twijgen ruischt,
En 't klinkt daarbij zoo lieflijk uit hun top,
Als ware er heel een zangrig choor gehuisd.
En achter hen, daar rijzen bergen op,
Klaar afgeteekend tegen 's hemels trans,
Somtijds bezocht door wolken, waar de glans
Van morgenrood en avondzonnegoud
Zich mengelt tot een wisslend licht en bruin.
En door den blanken nevel op hun kruin
Weêrblinkt een Stad, uit kristallijn gebouwd,
Met torens en paleizen, heerlijk schoon.
En van die hoogte vloeit een water neêr,
Geen stortvloed maar een zachtbewogen meir:
Niet bruischend, maar met zoeten zilvertoon
Gelijk muziek voortgolvend naar beneên.
Zie, 't spat een dauw van droppels om zich heen
Die trillend op geboomte en bloemen blinkt,
En heel de lucht een koelheid mededeelt,
Die 't dorstig hart met lange teugen drinkt.
En dan dit vriendlijk veld! Wij zijn omringd
Van bloemen, waar een kleurengloed op speelt,
Zoo als ik nooit aanschouwde; en als wij gaan,
Buigt zelfs geen grasjen neêr voor onzen voet.
Elk ander plekjen biedt een overvloed
Van nieuwe en heerlijker tooneelen aan.
De blik verdwaalt van 't eene vergezicht
In 't andere, en de blauwe kimmen vliên
Al verder weg, als smolten zij tot licht.