In eene kamer van het huis, waarbij de weldadige juffrouw was blijven
staan, woonde een ongelukkig huisgezin. Vier naakte muren waren hier de
stomme en eenige getuigen van pijn en lijden, en het gezicht van het
smartelijk schouwspel, dat zich daar vertoonde, vervulde het hart niet
alleen met droefheid, maar ook met een zeker gevoel van haat tegen de
samenleving. De lucht was er zoo koud als op de straat, en eene zekere
vochtigheid drong door de kleederen van hen, die er zich bevonden; in
den haard brandde een klein vuur, dat met stukken van gebrokene meubelen
gevoed werd, en, als met moeite, van tijd tot tijd eenige schaarsche
vlammen vertoonde. In een bed, dat in het midden der kamer stond, lag
een ziek kindje, dat niet boven één jaar oud kon zijn; zijn geel
aangezichtje, zijne magere armkens en zijne ingetrokkene oogskens deden
met reden gissen, dat eene plaats op Stuivenberg [Footnote: Begraafplaats
bij Antwerpen.] het onnoozel wicht weldra zou ontvangen. Op eenen zwaren
steen, nevens het kind, zat eene nog jonge vrouw met de handen voor de
oogen. Hare kleeding, alhoewel samengesteld uit stoffen, waarvan de
kleuren door den tijd vergaan waren, droeg het kenteeken niet dier
armoede, welke de hulp van het openbaar afsmeekt; integendeel kon men
bemerken, aan hunne netheid en aan de menigvuldige doch bijna
onzichtbare naden, met welke zorg zij gepoogd had hare noodwendigheid te
verbergen.
Van tijd tot tijd ging er een benepen zucht uit haren boezem op, en
eenige druppelen waters leekten van de punten harer vingeren, waarmede
zij zich het aangezicht bedekt hield. Nochtans, bij de minste beweging
van het kranke kind, hief zij bevend het hoofd op, bezag snikkend en met
afgrijzen zijne verdorde wangen, duwde het deksel wat nader bij zijne
koude ledematen, en viel dan weder wanhopig en weenend ineen op den
steen.
De dienste stilte heerschte in dit rampverblijf; alleen de hagelsneeuw
kletterde tegen de vensterglazen, de wind loeide in den schoorsteen.
Reeds was de vrouw eenigen tijd, als slapend, op den steen blijven
zitten; het kranke kindje had zich niet bewogen, en zij had het hoofd
niet opgeheven; zelfs scheen zij niet meer te weenen, want er blonk geen
water meer aan hare vingeren.--Het was er in de kamer als in een graf,
door dooden bewoond, en dat zich nimmer ontsluiten moest.
Eensklaps ging er eene zwakke stem uit den haard op:
"Moeder! moeder-lief, ik heb honger!"
Degene, die deze klacht had voortgebracht, was een jongen van vijf of
zes jaren, die zich in den hoek van den haard bevond, en zoodanig bij
het vuur ineengekropen was, dat men hem met moeite zou bespeurd hebben.
Hij beefde en trilde alsof de koorts hem over het lichaam rees; en met
meer aandacht kon men hooren, hoe zijne tanden van koude tegen elkander
ratelden.
Hetzij de vrouw zijne klacht niet gehoord had, of zich in de
onmogelijkheid bevond om aan zijne vraag te voldoen, zij antwoordde hem
niet en bleef zitten zonder zich te verroeren. Er volgde dan weder een
oogenblik van doodsche stilte, doch weldra verhief de jongen zijne stem
en riep:
"Moeder-lief, ik heb honger. Och, geef mij een klein stuksken brood!"
De vrouw hief ditmaal het hoofd op, want de stem van den jongen was
doorsnijdend, en gewis was zij als een messteek door haar moederhart
gegaan. Een somber vuur blonk in hare oogen; de vertwijfeling stond er
in te lezen. Zij antwoordde met eenen tranenvloed:
"Janneken-lief, zwijg toch, om Gods wil! Ik sterf zelf van honger, mijn
arm kind,--en daar is niets meer in huis."
"Och, moeder, ik heb zulke pijn in mijnen buik... een stuksken brood,
och toe!"
Het gelaat van het jongsken was op dit oogenblik zoo smeekend, de honger
was er met zijne vale en gele kleur zoo diep op ingedrukt, dat de
verdwaalde moeder opsprong, alsof zij eene wanhopige daad ging doen; zij
stak met bevende drift hare hand onder het deksel van het bed, en trok
er een klein halvestuiversbrood uit, waarmede zij tot den jongen ging:
"Daar, Janneken," sprak zij, "dat heb ik nog bewaard om pap voor uw arm
zusterken te koken; maar ik denk wel dat zij het toch niet meer zal
noodig hebben, dat onnoozel schaapken!..."
Hare stem brak, want haar moederbart liep over van pijn. Zoodra Janneken
het brood, als eene gelukstar, voor zijne oogen zag blinken, begonnen de
spieren zijner wangen zich bevend te bewegen en hij sprong op, met de
twee handen te gelijk vooruit, grijpende het kleine brood als een wolf,
die zijne prooi aanvat.
De vrouw keerde terug naar het zieke kind, dat zij nog eens bestaarde,
en viel dan weder als machteloos op den steen.
Met gretigheid en met eene onbegrijpelijke blijdschap zette het jongsken
zijne tanden aan het brood en beet er eenige malen driftig in, tot hij
een weinig meer dan de helft er van gegeten had; dan hield hij eensklaps
op, bezag het stuk meer dan eens met gulzigheid, bracht het meer dan
eens aan zijnen mond, doch at er niet meer van. Eindelijk opstaande,
ging hij langzaam tot bij de vrouw en, na haar bij den arm geschud te
hebben, om haar op te beuren uit den slaap, waarin zij scheen verzonken
te liggen, reikte hij het stuk brood tot haar en sprak met zoete stem:
"Moederken-lief, dáár! ik heb een stuksken bewaard voor ons Mieken. Ik
heb nog wel grooten honger en pijn in mijnen buik, maar als vader t'huis
komt, dan zal ik immers eene boterham krijgen, moeder?"
De ongelukkige vrouw sloeg hare beide armen om het goede kind, en drukte
het met liefde tegen hare borst; een oogenblik daarna liet zij het
ongevoelig van hare knieën glijden, en verviel in hare eerste
neerslachtigheid. Janneken ging heel zachtjes tot bij zijn ziek
zusterken, zoende het op hare magere wang, zeggende: "Blijf gij maar
slapen, Mieken-lief",--en keerde terug bij het vuur, waar hij weder
ineenkroop en stilzwijgend op den grond bleef zitten.
Het was dan dat de weldadige juffer op den dorpel der arme woning stond
en hare vriendin in de verte zag aankomen.
Nog een gansch uur verliep er, zonder dat de rampzalige moeder uit hare
bittere mijmering opstond. Zij ook had honger, zij ook voelde de stem
des roependen lichaams, en pijnen doorgriefden haar ingewand.... Maar
zij zat bij een akelig doodbed; zij verwachtte met angst dien
schrikkelijken stond waarop zij, moeder, haar kind zou zien snakken en
sterven.--Kon zij dan aan hare eigene pijnen denken? Neen! eene moeder
is altijd moeder, gelukkig of rampzalig, rijk of arm, er is geen dieper
gevoel, geene machtiger drift dan die welke eene vrouw aan haar kind
hecht, en dat gevoel, die drift is inniger en grooter bij hen die weten
wat zorg, wat angst en hoe veel zweet des aanschijns zij hunnen kinderen
hebben toegewijd.
Dit weten de arme menschen bovenal.
Om tien ure werden de vrouw en de jongen gezamenlijk als door eene
geheime aanraking getroffen. Zij sprong op van den steen, hij uit den
haard, en beiden riepen te gelijk:
"Ha, daar is vader, Janneken!"
"Ha, moeder, daar is vader!"
En een glimlach van blijdschap gaf eene nieuwe uitdrukking aan hun
gelaat. Zij hadden het gerucht van een rijtuig aan de deur gehoord, en
wilden dengenen, dien zij verwachtten, te gemoet loopen; doch een man
drong de kamer in, eer zij de deur bereikt hadden. Terwijl hij de sneeuw
van zijne schouders schudde, had Janneken zijne eene hand gevat en trok
er aan, alsof hij zijnen vader dieper in de kamer wilde brengen. De man
had de andere hand aan zijne vrouw gegeven: en bezag haar met diepe
droefheid Eindelijk zuchtte hij:
"Trees, wij zijn ongelukkig, vrouw! Nu sta ik van dezen morgen af met
mijnen mosselbak aan den ijzerenweg, en nog niets gewonnen! Wat gaan wij
doen! Zie, Trees, geloof mij of gij wilt of niet, maar ik wilde wel dood
zijn!"
Hoe ontoereikend de woorden des mans ook waren om eene nijpende smart
uit te drukken, zijne pijnen waren daarom niet minder. Zijn hoofd hing
moedeloos op zijnen schouder, zijne oogen waren met halsstarrigheid op
den grond gevestigd, en men zag aan het wringen zijner vuisten, men
hoorde wel aan het kraken zijner vingeren, dat de stuiptrekkingen der
wanhoop zijn zenuwgestel ontroerden.
De vrouw, die haar eigen wee vergat en begreep wat foltering haar man
doorstond, sloeg haren arm om zijnen hals en antwoordde snikkend:
"Och, Sus, zwijg maar, het zal toch altijd niet duren. Gij kunt er
immers niet aan doen dat wij zoo ongelukkig zijn?"
"Vader, vader," riep het jongsken, "ik heb honger; krijg ik nu eene
boterham?"
Deze woorden veroorzaakten in den man eene afgrijselijke beweging; al
zijne leden trilden, zijne blikken vielen als met razernij op het
klagende jongsken, en hij zag het eene poos zoodanig strak en wild aan,
dat Janneken, verschrikt en huilend, in den haard vluchtte en van daar
weenend tot zijnen vader riep:
"Och, vaderken-lief, ik zal het niet meer doen!"
Zonder van zijne geestes- en ledenspanning verlost te zijn, ging de man
bij het bed en bezag met nog scherpere blikken het stervende wicht, dat
zijne weifelende oogskens nog tot zijnen vader ophief.
"Trees," riep hij, "zie, ik kan het niet meer uitstaan. Het is gedaan,
het moest er dan toch eens van komen!"
"Wat is het? Och God, wat hebt gij?"
De man is wiens hart een groote strijd volvoerd was, bedaarde spoedig;
en, gissende wat benauwdheid hij zijne goede vrouw door zijne
uitroepingen had veroorzaakt, nam hij haar bij de hand en sprak met
neerslachtigheid:
"Trees, gij weet het, vrouw, sedert dat wij getrouwd zijn, heb ik altijd
gewerkt; nooit heb ik eenen dag laten voorbijgaan zonder voor u en onze
kinderen te zorgen. Zou ik dan, na tien jaren zuren arbeid, moeten gaan
bedelen? Zou ik het brood, dat ik door mijn zweet altijd verdiend heb,
nu van deur tot deur moeten gaan vragen? Trees, dat kan ik niet doen...
al stierven wij altemaal van nood en gebrek. Zie, ik word rood van
schaamte, als ik er aan denk. Bedelen? Neen, er blijft ons nog iets over
dat ons voor eenigen tijd eten zal bezorgen. Het doet mij pijn, vrouw,
maar ik ga onzen mosselbak op de Vrijdagsche markt doen verkoopen.
Misschien zal ik werk hebben tegen den tijd dat dit weinig geld zal op
zijn; en dan zullen wij sparen om eenen nieuwen bak te koopen. Wacht dan
nog een half uurken, en dan zal ik u altemaal eten brengen."
De mosselbak was het eenige werktuig, waarmede de brave werkman zijn
brood verdienen moest; geen wonder dan dat hij met zooveel droefheid het
besluit nam hem te verkoopen. De vrouw werd niet min dan hij mistroostig
bij dit noodlottig voorstel; doch, daar haar moederhart met dwingende
stem voor hare kinderen om hulp riep, keurde zij het voornemen haars
mans goed en antwoordde:
"Ja, ga maar naar de Vrijdagsche markt, en verkoop den mosselbak maar,
want ons arm Janneken krimpt ineen van den honger. Ik kan zelve bijkans
op mijne beenen niet meer staan; en dat onnoozel schaapken, dat daar
ligt te snakken.... Och, waart gij al een engeltje in den hemel, lief
kind!"
Hier begonnen hare tranen weder uit hare oogen te rollen; eene beweging
als die welke hij reeds gevoeld had, schokte het lichaam des mans, en
zijne vuisten nepen zich weder krakend toe. Evenwel, hij bedwong zich en
sprong wanhopig de deur uit.
Men hoorde weldra het gerucht van een rijtuig, dat, met snelheid,
voortgedreven werd. Het gerucht verging oogenblikkelijk.
* * * * *