II

In eene kamer van het huis, waarbij de weldadige juffrouw was blijven

staan, woonde een ongelukkig huisgezin. Vier naakte muren waren hier de

stomme en eenige getuigen van pijn en lijden, en het gezicht van het

smartelijk schouwspel, dat zich daar vertoonde, vervulde het hart niet

alleen met droefheid, maar ook met een zeker gevoel van haat tegen de

samenleving. De lucht was er zoo koud als op de straat, en eene zekere

vochtigheid drong door de kleederen van hen, die er zich bevonden; in

den haard brandde een klein vuur, dat met stukken van gebrokene meubelen

gevoed werd, en, als met moeite, van tijd tot tijd eenige schaarsche

vlammen vertoonde. In een bed, dat in het midden der kamer stond, lag

een ziek kindje, dat niet boven één jaar oud kon zijn; zijn geel

aangezichtje, zijne magere armkens en zijne ingetrokkene oogskens deden

met reden gissen, dat eene plaats op Stuivenberg [Footnote: Begraafplaats

bij Antwerpen.] het onnoozel wicht weldra zou ontvangen. Op eenen zwaren

steen, nevens het kind, zat eene nog jonge vrouw met de handen voor de

oogen. Hare kleeding, alhoewel samengesteld uit stoffen, waarvan de

kleuren door den tijd vergaan waren, droeg het kenteeken niet dier

armoede, welke de hulp van het openbaar afsmeekt; integendeel kon men

bemerken, aan hunne netheid en aan de menigvuldige doch bijna

onzichtbare naden, met welke zorg zij gepoogd had hare noodwendigheid te

verbergen.

Van tijd tot tijd ging er een benepen zucht uit haren boezem op, en

eenige druppelen waters leekten van de punten harer vingeren, waarmede

zij zich het aangezicht bedekt hield. Nochtans, bij de minste beweging

van het kranke kind, hief zij bevend het hoofd op, bezag snikkend en met

afgrijzen zijne verdorde wangen, duwde het deksel wat nader bij zijne

koude ledematen, en viel dan weder wanhopig en weenend ineen op den

steen.

De dienste stilte heerschte in dit rampverblijf; alleen de hagelsneeuw

kletterde tegen de vensterglazen, de wind loeide in den schoorsteen.

Reeds was de vrouw eenigen tijd, als slapend, op den steen blijven

zitten; het kranke kindje had zich niet bewogen, en zij had het hoofd

niet opgeheven; zelfs scheen zij niet meer te weenen, want er blonk geen

water meer aan hare vingeren.--Het was er in de kamer als in een graf,

door dooden bewoond, en dat zich nimmer ontsluiten moest.

Eensklaps ging er eene zwakke stem uit den haard op:

"Moeder! moeder-lief, ik heb honger!"

Degene, die deze klacht had voortgebracht, was een jongen van vijf of

zes jaren, die zich in den hoek van den haard bevond, en zoodanig bij

het vuur ineengekropen was, dat men hem met moeite zou bespeurd hebben.

Hij beefde en trilde alsof de koorts hem over het lichaam rees; en met

meer aandacht kon men hooren, hoe zijne tanden van koude tegen elkander

ratelden.

Hetzij de vrouw zijne klacht niet gehoord had, of zich in de

onmogelijkheid bevond om aan zijne vraag te voldoen, zij antwoordde hem

niet en bleef zitten zonder zich te verroeren. Er volgde dan weder een

oogenblik van doodsche stilte, doch weldra verhief de jongen zijne stem

en riep:

"Moeder-lief, ik heb honger. Och, geef mij een klein stuksken brood!"

De vrouw hief ditmaal het hoofd op, want de stem van den jongen was

doorsnijdend, en gewis was zij als een messteek door haar moederhart

gegaan. Een somber vuur blonk in hare oogen; de vertwijfeling stond er

in te lezen. Zij antwoordde met eenen tranenvloed:

"Janneken-lief, zwijg toch, om Gods wil! Ik sterf zelf van honger, mijn

arm kind,--en daar is niets meer in huis."

"Och, moeder, ik heb zulke pijn in mijnen buik... een stuksken brood,

och toe!"

Het gelaat van het jongsken was op dit oogenblik zoo smeekend, de honger

was er met zijne vale en gele kleur zoo diep op ingedrukt, dat de

verdwaalde moeder opsprong, alsof zij eene wanhopige daad ging doen; zij

stak met bevende drift hare hand onder het deksel van het bed, en trok

er een klein halvestuiversbrood uit, waarmede zij tot den jongen ging:

"Daar, Janneken," sprak zij, "dat heb ik nog bewaard om pap voor uw arm

zusterken te koken; maar ik denk wel dat zij het toch niet meer zal

noodig hebben, dat onnoozel schaapken!..."

Hare stem brak, want haar moederbart liep over van pijn. Zoodra Janneken

het brood, als eene gelukstar, voor zijne oogen zag blinken, begonnen de

spieren zijner wangen zich bevend te bewegen en hij sprong op, met de

twee handen te gelijk vooruit, grijpende het kleine brood als een wolf,

die zijne prooi aanvat.

De vrouw keerde terug naar het zieke kind, dat zij nog eens bestaarde,

en viel dan weder als machteloos op den steen.

Met gretigheid en met eene onbegrijpelijke blijdschap zette het jongsken

zijne tanden aan het brood en beet er eenige malen driftig in, tot hij

een weinig meer dan de helft er van gegeten had; dan hield hij eensklaps

op, bezag het stuk meer dan eens met gulzigheid, bracht het meer dan

eens aan zijnen mond, doch at er niet meer van. Eindelijk opstaande,

ging hij langzaam tot bij de vrouw en, na haar bij den arm geschud te

hebben, om haar op te beuren uit den slaap, waarin zij scheen verzonken

te liggen, reikte hij het stuk brood tot haar en sprak met zoete stem:

"Moederken-lief, dáár! ik heb een stuksken bewaard voor ons Mieken. Ik

heb nog wel grooten honger en pijn in mijnen buik, maar als vader t'huis

komt, dan zal ik immers eene boterham krijgen, moeder?"

De ongelukkige vrouw sloeg hare beide armen om het goede kind, en drukte

het met liefde tegen hare borst; een oogenblik daarna liet zij het

ongevoelig van hare knieën glijden, en verviel in hare eerste

neerslachtigheid. Janneken ging heel zachtjes tot bij zijn ziek

zusterken, zoende het op hare magere wang, zeggende: "Blijf gij maar

slapen, Mieken-lief",--en keerde terug bij het vuur, waar hij weder

ineenkroop en stilzwijgend op den grond bleef zitten.

Het was dan dat de weldadige juffer op den dorpel der arme woning stond

en hare vriendin in de verte zag aankomen.

Nog een gansch uur verliep er, zonder dat de rampzalige moeder uit hare

bittere mijmering opstond. Zij ook had honger, zij ook voelde de stem

des roependen lichaams, en pijnen doorgriefden haar ingewand.... Maar

zij zat bij een akelig doodbed; zij verwachtte met angst dien

schrikkelijken stond waarop zij, moeder, haar kind zou zien snakken en

sterven.--Kon zij dan aan hare eigene pijnen denken? Neen! eene moeder

is altijd moeder, gelukkig of rampzalig, rijk of arm, er is geen dieper

gevoel, geene machtiger drift dan die welke eene vrouw aan haar kind

hecht, en dat gevoel, die drift is inniger en grooter bij hen die weten

wat zorg, wat angst en hoe veel zweet des aanschijns zij hunnen kinderen

hebben toegewijd.

Dit weten de arme menschen bovenal.

Om tien ure werden de vrouw en de jongen gezamenlijk als door eene

geheime aanraking getroffen. Zij sprong op van den steen, hij uit den

haard, en beiden riepen te gelijk:

"Ha, daar is vader, Janneken!"

"Ha, moeder, daar is vader!"

En een glimlach van blijdschap gaf eene nieuwe uitdrukking aan hun

gelaat. Zij hadden het gerucht van een rijtuig aan de deur gehoord, en

wilden dengenen, dien zij verwachtten, te gemoet loopen; doch een man

drong de kamer in, eer zij de deur bereikt hadden. Terwijl hij de sneeuw

van zijne schouders schudde, had Janneken zijne eene hand gevat en trok

er aan, alsof hij zijnen vader dieper in de kamer wilde brengen. De man

had de andere hand aan zijne vrouw gegeven: en bezag haar met diepe

droefheid Eindelijk zuchtte hij:

"Trees, wij zijn ongelukkig, vrouw! Nu sta ik van dezen morgen af met

mijnen mosselbak aan den ijzerenweg, en nog niets gewonnen! Wat gaan wij

doen! Zie, Trees, geloof mij of gij wilt of niet, maar ik wilde wel dood

zijn!"

Hoe ontoereikend de woorden des mans ook waren om eene nijpende smart

uit te drukken, zijne pijnen waren daarom niet minder. Zijn hoofd hing

moedeloos op zijnen schouder, zijne oogen waren met halsstarrigheid op

den grond gevestigd, en men zag aan het wringen zijner vuisten, men

hoorde wel aan het kraken zijner vingeren, dat de stuiptrekkingen der

wanhoop zijn zenuwgestel ontroerden.

De vrouw, die haar eigen wee vergat en begreep wat foltering haar man

doorstond, sloeg haren arm om zijnen hals en antwoordde snikkend:

"Och, Sus, zwijg maar, het zal toch altijd niet duren. Gij kunt er

immers niet aan doen dat wij zoo ongelukkig zijn?"

"Vader, vader," riep het jongsken, "ik heb honger; krijg ik nu eene

boterham?"

Deze woorden veroorzaakten in den man eene afgrijselijke beweging; al

zijne leden trilden, zijne blikken vielen als met razernij op het

klagende jongsken, en hij zag het eene poos zoodanig strak en wild aan,

dat Janneken, verschrikt en huilend, in den haard vluchtte en van daar

weenend tot zijnen vader riep:

"Och, vaderken-lief, ik zal het niet meer doen!"

Zonder van zijne geestes- en ledenspanning verlost te zijn, ging de man

bij het bed en bezag met nog scherpere blikken het stervende wicht, dat

zijne weifelende oogskens nog tot zijnen vader ophief.

"Trees," riep hij, "zie, ik kan het niet meer uitstaan. Het is gedaan,

het moest er dan toch eens van komen!"

"Wat is het? Och God, wat hebt gij?"

De man is wiens hart een groote strijd volvoerd was, bedaarde spoedig;

en, gissende wat benauwdheid hij zijne goede vrouw door zijne

uitroepingen had veroorzaakt, nam hij haar bij de hand en sprak met

neerslachtigheid:

"Trees, gij weet het, vrouw, sedert dat wij getrouwd zijn, heb ik altijd

gewerkt; nooit heb ik eenen dag laten voorbijgaan zonder voor u en onze

kinderen te zorgen. Zou ik dan, na tien jaren zuren arbeid, moeten gaan

bedelen? Zou ik het brood, dat ik door mijn zweet altijd verdiend heb,

nu van deur tot deur moeten gaan vragen? Trees, dat kan ik niet doen...

al stierven wij altemaal van nood en gebrek. Zie, ik word rood van

schaamte, als ik er aan denk. Bedelen? Neen, er blijft ons nog iets over

dat ons voor eenigen tijd eten zal bezorgen. Het doet mij pijn, vrouw,

maar ik ga onzen mosselbak op de Vrijdagsche markt doen verkoopen.

Misschien zal ik werk hebben tegen den tijd dat dit weinig geld zal op

zijn; en dan zullen wij sparen om eenen nieuwen bak te koopen. Wacht dan

nog een half uurken, en dan zal ik u altemaal eten brengen."

De mosselbak was het eenige werktuig, waarmede de brave werkman zijn

brood verdienen moest; geen wonder dan dat hij met zooveel droefheid het

besluit nam hem te verkoopen. De vrouw werd niet min dan hij mistroostig

bij dit noodlottig voorstel; doch, daar haar moederhart met dwingende

stem voor hare kinderen om hulp riep, keurde zij het voornemen haars

mans goed en antwoordde:

"Ja, ga maar naar de Vrijdagsche markt, en verkoop den mosselbak maar,

want ons arm Janneken krimpt ineen van den honger. Ik kan zelve bijkans

op mijne beenen niet meer staan; en dat onnoozel schaapken, dat daar

ligt te snakken.... Och, waart gij al een engeltje in den hemel, lief

kind!"

Hier begonnen hare tranen weder uit hare oogen te rollen; eene beweging

als die welke hij reeds gevoeld had, schokte het lichaam des mans, en

zijne vuisten nepen zich weder krakend toe. Evenwel, hij bedwong zich en

sprong wanhopig de deur uit.

Men hoorde weldra het gerucht van een rijtuig, dat, met snelheid,

voortgedreven werd. Het gerucht verging oogenblikkelijk.

* * * * *

Wat eene moeder lijden kan · 第 3 / 5 题