[1] Volgens Mejuffrouw MERIAN en LINNAEUS is STEDMAN in dit verkeerd
begrip gevallen. De eijeren van de Pipal, uit het lichaam van het
wyfjen uitkomende, worden door het mannetjen vruchtbaar gemaakt; op
de zelfde wyze, als die van alle andere kikvorschen of padden. Het
mannetje duwt ze te gelyker tyd onder zyn buik, en spreidt ze uit
op den rug van het wyfjen: de eijeren kleeven aan de huid vast,
en het vruchtbaarmakend vocht van het mannetje, het geen dezelve
besproeit, doet de bekleedzelen van den rug opzwellen. De eijeren
intusschen worden dik, de jongen broeien uit, komen uit hunnen dop,
en een waarnemer, die hen op dit oogenblik ontmoet, zou gelooven,
dat zy op den rug zelven van hunne moeder zyn voortgebracht.
Aantekening v. d. Franschen Vert.
[2] Men leest in de Beschryving der Dieren van den heer PENNANT,
dat deeze zelfde ARSCOTT, een Engelschman, zoo verre gekomen is, dat
hy eene gemeene padde eenigermaten heeft tam gemaakt. Dezelve was van
eene ongemeene grootte; het was omtrent zes-en-dertig jaaren geleden,
dat deeze padde zig voor de eerste maal aan den vader van ARSSCOTT
vertoond had; hy had langen tyd onder een trap gehuisvest. De zorg,
die men voor zyn onderhoud droeg, maakte hem tot een huisdier,
zoodanig dat hy alle avonden, wanneer hy licht in huis bemerkte,
voor den dag kwam, en de oogen opsloeg, als of hy verwagtte, dat men
hem zoude opvatten, om op de tafel zetten. Aldaar vond hy zyn eeten
klaar gemaakt; dit bestond uit wormen, van het zoort, zoo als men op
bedorven vleesch ziet te voorschyn komen: men bewaarde dezelve voor
hem in zemelen. De pad ging dezelve met aandacht na; en wanneer zig
één van deeze wormen onder zyn bereik bevond, bespiedde hy dien met
het oog, en bleef eenige oogenblikken onbeweeglyk; vervolgens wierp hy
eensklaps zyne tong van verre op den worm, die 'er aan bleef hangen,
door middel van een lymig vocht, waar mede dezelve aan het einde
bestreeken was; deeze beweeging van de tong was zoo gezwind, dat
'er de toekyker geen oog op houden konde.
Het is waarschynlyk, dat deeze padde zeer lang geleefd zoude hebben,
zoo niet een huis-raaf hem op zekeren tyd by den ingang van zyn hol
had aangepakt. De pogingen, welke ARSSCOTT deed, om de padde aan
zynen vyand te ontrukken, konden niet beletten dat deeze hem een
oog uitpikte; schoon hy naderhand nog een jaar geleefd heeft, wierd
hy treurig en kwynende. Hy had veel moeite, om zynen buit meester
te worden, dewyl het verlies van zyn oog hem het vermogen benam,
om denzelven juist te mikken.
Aanteeken. v. d. Franschen Vert.
[3] Indien men zommige reizigers gelooven mag, maakt de Trompetter
zig meester van de voorplaats. Des morgens jaagt hy alle de kalkoenen,
eendvogelen en andere huisdieren naar buiten; en des avonds noodzaakt
hy dezelve om te rug te komen: hy zelf sluit zig niet op; hy slaapt
of op het dak van de voorplaats, of op een naby staande boom.
Aant. v. d. Fransschen Vert.
[4] Deeze driehoeken hebben drie punten, zynde lang en met weerhaken,
gelykende naar kleine dreggen, en die uit een yzeren halsband uitkomen.
Aanteek. v. d. Schryver.
[5] De Lepelaar, of Bécharu, is de Flamant van BRISSON, of de
Flamant van BELON, en de Phoenicopterus der ouden. Men zegt, dat de
laatstgemelde naam, afgeleid van den naam, dien de Grieken aan deezen
vogel gegeven hebben, volgens deszelfs oorsprong beteekend, een vogel
met vuur-kleurige vlerken, en schildert zeer wel den Phoenicopterus,
wiens vlerken in de daad van een zeer levendig roode kleur zyn. De
naam van Bécharu is hem gegeven uit hoofde van de byzondere gedaante
van zyn bek, die gekromd is als het kromhout van een ploeg.
Deeze vogel is eenig in zyn zoort, en maakt een geslacht op zig
zelf uit. Men vind die op 't oude vaste Land; en in Europa, op de
kusten van Spanjen, Italiën, Provence, en Languedoc. De Americaansche
Indianen maken, van zyne fraaije vederen, halsbanden, mutsen, gordels,
waar mede zy zig vercieren. Het vleesch van den jongen Phoenicopterus
wierd door de ouden als eene uitgezochte spyze beschouwd.
[6] Het schynt, dat dezelve de pacobe of bacove van Cayenne is. Men
noemt de vrucht van den Bananen- en Plantain-boom doorgaans bananen;
maar wy hebben dezelven, met den Schryver van dit werk, onderscheiden,
door aan de vrucht van den laatstgemelden, den naam van plantain
te geven. Dit was noodzakeiyk, want hy verwart ze niet, en spreekt
dikwils van beiden te gelyk.
Aanteek. v. d. Franschen Vert.
[7] De Schryver van deeze reize verwyst hier den lezer tot de meer
uitgebreide opgaven, door Dr. BANCROFT aangaande dit vergift gegeven
in zyne natuurlyke Geschiedenis van Guiana, een werk, weinig of in
't geheel niet in Frankryk bekend.
BANCROFT begint met te verhaalen, het geen DE LA CONDAMINE voor hem
nopens dit vergift gezegd heeft; zie het zelve hier: "De Yamcos zyn
zeer afgericht op het maken van lange pylkokers, die het gewoonste
jagt-wapen der Indianen zyn. Zy doen daar in kleine pylen van palmhout
passen, welke zy, in plaats van met vederen, met een kleine kloen
catoen voorzien, die de buis naauwkeurig vult. Zy werpen dezelve
door blaazen dertig of veertig schreden ver, en missen byna nooit te
raken. Een zoo eenvoudig werktuig vervult by alle deeze volken met zeer
veel voordeel het gebrek van schietgeweer. Zy doopen de punt van deeze
kleine pylen, als mede die van hunne bogen, in zulk een scherp vergift,
dat het zelve, wanneer het versch is, in minder dan één minuut het dier
doodt, het welk door den pyl gewond is. Schoon wy snaphaanen hadden,
hebben wy, aan de Rivier, nooit wildt gegeten, het welk op eene andere
wyze gedood was, en dikwils hebben wy de punt van den pyl onder den
tand gevonden; daar by is geen gevaar hoe genaamd; dit vergif werkt
niet, dan wanneer het onder het bloed koomt. Dan is het voor den
mensch niet minder doodelyk, dan voor andere dieren. Het tegengift
is het zout, en nog zekerder de suiker"--Op een andere plaats:
"Dit vergift is een uittrekzel, door middel van het vuur gemaakt, uit
de sappen van onderscheidene planten, en in 't byzonder van zekere
heestergewassen. Men verzekert, dat het vergift, ticunas genaamd,
zynde het zelfde, waar mede ik de proef genomen heb, het welk onder
de verschillende zoorten, die langs de Rivier der Amazonen bekend
zyn, het meest geacht is, uit meer dan dertig zoorten van kruiden is
zaamgesteld". (Verkort verhaal van eene reize door de binnen-lánden
van Zuid-America gedaan.)
"De ticunas (dus vervolgt Dr. BANCROFT) wordt waarschynlyk gemaakt
van de zelfde kruiden, als de wourara, een vergift, het welk zynen
naam ontleent van het heestergewas, het welk 'er de grondslag van
uitmaakt. Het vergift der Accawaus-Indianen, het welk voor het
geweldigste gehouden wordt, bestaat slechts uit vyfderley kruiden,
wel verre, dat het uit dertig zoude bestaan, zoo als de heer DE
LA CONDAMINE van de ticunas opgeeft. Andere volken echter, en in 't
byzonder de Arrawks, voegen 'er naar goedvinden de tanden en lever van
een vergiftige slang, als mede roode peper, by; het laatste, om 'er de
werking van te vermeerderen. De Worrows mengen 'er een grooter getal
kruiden onder, misschien uit bygeloovigheid, of om dat zy zig door
onkunde verbeelden, dat zy, meerder dingen onder elkander mengende,
de verlangde uitwerking des te zekerder bekomen zullen.
"Zie hier het voorschrift van het vergift der Accawaus, het welk
verscheiden van hunne Peji of Geneeskundigen my op verschillende tyden
gegeven hebben: allen stemden zy over één met opzigt tot het zoort en
getal der planten; zy verschilden alleenlyk in de hoeveelheid of gifte.
Men neemt van alle de kruiden, waar uit dit mengzel bestaat, even veel.
Men neemt zes deelen van de schil van den wortel van wourara, twee
van de schors van warra cobba courra; één van de schil van den wortel
van concassapi, één van balleti, en eindelyk één van hatchybaly.
Men schraapt alles fyn, doet het in een kruik, en giet 'er water
op. Men zet deeze kruik op een matig vuur, zoo dat het na verloop
van een vierde van een uur begint te koken. Dit gedaan zynde, moet
men het sap met de hand uitdrukken, zorg dragende, dat de huid niet
ontvelle. Men werpt de bast weg, en doet vervolgens het sap op een
matig vuur uitdampen, tot op de dikte van pik en teer. Dan neemt men
het af, en men doopt daar in kleine platte stukken cokarito hout, (een
zoort van palmhout,) waar aan het vergift, wanneer het koud is, blyft
hangen, en dan de gedaante heeft van een roodachtig bruine gom. Deeze
stukken hout dus bestreken zynde, steekt men dezelve in groote holle
rottingen, aan beide einden met een huid toegemaakt. Wanneer men een
pyl wil vergiftigen, werpt men één van deeze stukken hout in 't water,
of men houdt het zelve boven den rook van 't vuur, om door dien damp
week te worden; in het eerste geval doopt men de pyl in 't water, en in
't tweede wryft men die tegen dit stuk hout. De kleinste hoeveelheid
van dit vergift, door eene wonde in de bloedvaten van een dier gebragt
zynde, doet het zelve in minder dan één minuut sterven, zonder eene
blykbaare waare pyn, schoon men zomtyds ligte stuiptrekkingen op het
oogenblik van den dood bemerkt.
De heer DE LA CONDAMINE zegt, dat de Indianen misdadige vrouwlieden
tot het bereiden van dit vergift gebruiken, en dat, wanneer zy den
geest geven, zulks een bewys is, dat het genoeg gekookt heeft: dit
gelykt zeer naar een verdichtsel. De Indianen, die in den omtrek
der Volkplanting van Demerary woonen, doen, hun vergift in de vrye
lucht uitdampen, tot dat het zyne volkomene dikte verkregen heeft,
en zulks zonder het minste gevaar.
"De kruiden, die tot het zamenstellen van dit vergift der Accawaus
gebruikt worden, zyn heestergewassen van onderscheiden zoort.
"Ik heb 'er de proef mede genomen op dieren die ziek waren, en weinig
bloed hadden; ik bevond, dat het een langzaamer uitwerking deed,
dan op sterke en gezonde dieren.
Men weet geen zeker tegengift tegen dit vergift. Ik twyffel, of
eenig geneesmiddel, langs den weg, tot de spysverteering geschikt,
ingenomen, schielyk genoeg kan werken, om deszelfs verschrikkelyke
gevolgen voor te komen. Om de uitwerking van de ticunas tegen te gaan,
geeft DE LA CONDAMINE het zout, en als een zekerder middel de suiker
op. De blanke inwooners van Demerary schryven dezelfde kragt aan het
sap van het suikerriet toe, maar de Indianen zyn het daar mede niet
eens, en ik heb geene enkele keer het bewys van deszelfs kragtdadige
werking kunnen ontdekken. De zelfde reiziger spreekt van eene proeve,
te Caijenne in tegenwoordigheid van den Bevelhebber genomen, aan
een hoen, door eene vergiftigde pyl gewond, het welk men suiker deed
inneemen, zonder eenig blyk van ongesteldheid te geven. Maar deeze
proef te Leiden, in tegenwoordigheid van verscheiden Hoogleeraars
in de Geneeskunde aldaar, hernieuwd zynde, was zonder het verlangd
gevolg, schoon de koude van den winter ontwyffelbaar de werking van
het vergift verzwakt had.
Wanneer één der watervaten door één van deeze vergiftigde pylen
gekwetst is, volgt 'er eene koortsachtige ontsteeking op. Ik heb
'er een voorbeeld van gezien in een Indiaan, tot zekere Plantagie
behoorende, die zig den voorsten vinger van de linke hand met
één van deeze pylen ligtelyk ontveld had. Dewyl 'er geen bloed
uit liep, vreesde hy niets; maar wel dra wierd zyne wonde pynlyk,
zyne hand zwelde verbaazend op, en dienvolgende kwam deeze man my
raadplegen. De uitwerking van dit vergift toen niet kennende, deed
ik een Peji uit den stam der Arrawks roepen, die in de nabyheid was,
en vroeg hem door een tolk, of hy eenig geneesmiddel tegen dit toeval
had. Hy antwoordde my van neen; maar hy verzekerde my, dat de Indiaan
'er niet van sterven zoude, dewyl 'er geen bloed uit de ontvelling,
die naauwlyks zigtbaar was, geloopen had. De uitwerkzels van het
vergift wierden intusschen steeds geweldiger; en niet alleen zyne
hand, maar zelfs de geheele arm was ontstoken. De pols was hard,
schielyk, afgebroken; de ademhaling moeielyk, met eene koortsige
hette, een brandende dorst, en de oxel-klieren waren gezwollen. De
zieke wierd in tyds adergelaten. Men wond hem den arm in linnen,
het welk in oly en azyn was nat gemaakt. Verscheide middelen, de
ontsteeking tegengaande, wierden inwendig toegediend; maar ik zal
ze niet opnoemen, want ik weet niet, of zy van eenig nut waren. In
twaalf uuren verminderde het geweld der toevallen zichtbaar; en des
anderen daags morgens was 'er geen blyk meer van overig.
"Ik zal 'er byvoegen, als eene andere uitwerking van dit vergift,
dat wanneer een aap door eene vergiftigde pyl gewond is, hy op den
grond valt; wanneer hy door eene gewoone pyl geraakt is, klimt hy op
den top van den boom, en blyft aldaar; zelfs na dat hy reeds dood is".
De proeven van Dr. BANCROFT omtrent het door hem vermelde vergift,
dezelfde zynde, als die van FONTANA aangaande de ticunas, zullen wy
het besluit van deezen Natuur-kenner des aangaande opgeven.
Van de ticunas, of het Americaansch vergift.
"De reuk van dit vergift, wanneer het droog is, is geheel onschadelyk;
en zoodanig zyn ook deszelfs deeltjens, die door de lucht in den mond
of in de neus, en vervolgens in de long komen.
"De uitwaassemende dampen van het Americaansch vergift, (het zy men
het op gloeiende kooien geworpen heeft, het zy men het in een pot
heeft laten koken,) zyn onschadelyk, het zy men ze ruikt, het zy men
ze inademt.
"Schoon het vergift, waar van ik my bediende, door ouderdom veel
verloren had, had het egter zyne wezentlyke eigenschap behouden, om
in zeer korten tyd, en in zeer kleine giften, zeer sterke dieren te
dooden; en het was altyd zonder gunstig gevolg, wanneer ik deszelfs
werking tragte te beletten door suiker en zout, welke ondertusschen
de twee eigenäartige geneesmiddelen zyn van den heer DE LA CONDAMINE,
die daar in het begrip der lieden van dit Land gevolgd heeft.
"Dit vergift ontbindt zig gemakkelyk en zeer goed in water, zelfs
in koud water, als mede in zuuren uit het ryk der mineraalen en
planten. Echter ontbindt het zig veel langzaamer in vitriool-oly,
dan in andere zuuren, en het wordt 'er zoo zwart in als inkt: het
welk met geene der andere zuuren gebeurt.
"Het maakt geene opbruisching, nog met zuuren, nog met loogzouten,
en doet de melk niet schiften, geevende daar aan alleenlyk deszelfs
natuurlyke kleur.
"Het verandert het radys-sap niet, nog in eene roode, nog in in eene
groene kleur; en wanneer men het door het vergrootglas onderzoekt,
ziet men 'er niets regelmatigs en zoutachtigs in; maar het schynt
grootendeels uit zeer kleine onregelmatige rondachtige lichaampjes
zaamgesteld, even als sappen van planten. Het droogt zonder barsten,
verschillende daar in van het slangen-vergift: en op de tong gelegd
zynde heeft het eene zeer bittere smaak.
"Uit allen deezen besluit ik, dat het noch zuur, noch loogzoutig is,
en dat het niet bestaat uit zouten, die zigtbaar zyn, zelfs door
middel van het vergrootglas.
"Het Americaansch vergift is geen vergift, wanneer men het op de
oogen legt, zelfs na dat het in water ontbonden is; en het doet op
deeze deelen geene werking.
"De heer DE LA CONDAMINE, en alle Americaanen gelooven, dat dit
vergift, inwendig genomen, geheel onschadelyk is.
"Volgens verscheide waarneemingen, genomen aan dieren, die 'er van
gestorven zyn, besluit ik als eene waarheid, dat het Americaansch
vergift, inwendig genomen, een vergift is, maar dat 'er eene wezentlyke
hoeveelheid verëischt word, om zelfs een klein dier te dooden.
"Andere, naderhand genomene proeven, zoo aan vogelen, als aan
viervoetige dieren, hebben my doen befluiten, dat het Americaansch
vergift, op de huid gelegd zynde, schoon dezelve naauwlyks door eene
krabbing ontveld is, den dood kan veroorzaaken, hoe wel niet altyd,
en in alle omstandigheden. De grootste dieren wederstaan de werking
van dit vergift het gemakkelykst, en wanneer zelfs de zwakste dieren
'er niet van sterven, bevinden zy zig in korten tyd zoo gezond als
te vooren.
"Men behoeft omtrent een honderdste gedeelte van een grein van dit
vergift, om een klein dier te dooden, en het is noodig, dat dit vergift
ontbonden zy, om den dood te veroorzaken, of tot eenige verwarring
van aanbelang in de dierlyke huishouding gelegenheid te geven.
"Wanneer 'er weinig bloedvaten in het aangetast deel zyn, word het
kwaad niet medegedeeld, of is ten minsten niet doodelyk.
"De pylen zyn veel gevaarlyker en doodelyker, dan het vergift, het welk
in water ontbonden is, en eenvoudiglyk op het gewonde deel gelegd word.
"Het vergift der pylen is krachtiger, indien men ze vooraf
in warm water doopt; en dan werken zy met meer zekerheid en
gezwindheid. Deszelfs werkzaamheid is nog veel grooter, indien men
de pylen doopt in het vergift, het welk in water tot de dikte van
een drank gekookt is.
"Het Americaansch vergift verliest zyne doodelyke hoedanigheden,
wanneer het in de drie zuuren uit het mineraalen-ryk ontbonden word;
maar in rhum en azyn ontbonden zynde, behoudt het dezelve.
"Het schynt derhalven, dat de zuuren uit het mineralen-ryk aan het
Americaansch vergift deszelfs schadelyke hoedanigheden ontnemen: ik
zeg eenvoudig, dat dit zoo schynt, om dat men nog zoude kunnen denken,
dat 'er een weinig zuur met het vergift vereenigd blyft, schoon men
het heeft uitgedampt, en dat dit zuur op de vaten van de huid zyne
werking doet. Het verschroeit dezelve, en byt ze eenigermaten weg.
"Schoon de zuuren de werking van het vergift beletten, schynt het,
dat zy een nutteloos en gevaarlyk middel zyn, indien men ze op de
vergiftigde spieren van het dier legt.
"'Er is een bepaalde tyd noodig, op dat het Americaansch vergift
aan het dier worde medegedeeld. Deeze tyd is veel aanmerkelyker,
dan die 'er tot de mededeeling van het vergift der slangen verëischt
word. Deszelfs uitwerkingen op de dieren zyn veel onbepaalder en
meer verschillende. Beiden kan men geneezen door het afzetten der
deelen, wanneer zulks zonder doods-gevaar geschieden kan, en mits
deeze afzetting in tyds geschiede.
"Het vergift, in het bloed gekomen zynde, doodt oogenblikkelyk: waar
uit ontwyffelbaar blykt, dat, wanneer het uitwendig op een gewond
deel van een levend dier gelegd word, het zelve groote wanorden in
de dierlyke huishouding kan en moet veroorzaken, of zelfs den dood
aanbrengen.
"Het vergiftigt de zenuwen niet; en is een onschadelyk sap, op welke
wyze het dezelve ook aanraakt. Maar het is doodelyk, zelfs in de
kleinste gift, indien men het door den strot-ader in het bloed brengt,
even als het vergift der slangen doet. De geheele werking van dit
vergift is dus op het bloed.
"De dood, die onmiddelyk volgt, zoo dra het vergift in 't bloed gekomen
is, zoude kunnen doen denken, dat 'er in het bloed een werkzaamer,
fyner, vlugger beginzel is, het welk aan het beste gezicht, en
zelfs aan het vergrootglas ontsnapt. Dit beginzel zoude, in die
veronderstelling, voor het leven noodzakelyk schynen; en op dit
beginzel zelfs schynt het vergift onmiddelyk deszelfs werking te doen.
"Voor het nemen myner proeven, zoude niemand getwyffeld hebben, of het
Americaansch vergift deedt zyne werking onmiddelyk op de zenuwen. Alle
uiterlyke teekenen kondigden dit mede aan. Deeze teekenen gaan dus
niet zeker; en de Geneeskundigen beschouwen dezelve ten onrecht als
een bewys, dat de ziekte eene zuivere zenuw-ziekte is" (FONTANA,
Memoire sur le poison Americain, appellé ticunas. Tom. II. pag. 83.)
Aanteek. v. d. Franschen Vert.
[8] Men vindt in het Kabinet van oudheden, in de Nationale Boekereije,
eene merkwaardige reeks van kleederen en huisraad, door Asiätische,
Africaansche, en Americaansche volken gebruikt wordende. Deeze
dingen zyn, by gebrek aan plaats, onder de Grieksche en Romeinsche
gedenkstukken ongelukkiglyk verward geraakt; maar men moet de
Opzichters van dit Kabinet deswegens niet beschuldigen, daar zy liever
verkozen hebben de voorwerpen op één te stapelen, dan ze verborgen
te houden. Hun oogmerk, met die dingen in hun Kabinet te verzamelen,
is, om na de gedenkstukken, die tot de geschiedenis der oude volken
betrekking hebben, als daar zyn de Egyptenaaren, de Grieken, en de
Romeinen, tevens aan de nieuwsgierigheid aan te bieden die geene,
welke tot de geschiedenis der volken in afgelegene Gewesten behoord
hebben, als de Chineezen, de Japoneezen, de bewooners van de Kust
van Guinee, van de Landen in de Zuid-zee, van Peru, van Mexico,
enz. Het was te wenschen, dat men de zaal afmaakte, die voor deeze
gedenkstukken in de Nationaale Boekereije bestemd is, en dat men,
overëenkomstig het verlangen der Opzichters, de even vermelde zaaken
op ééne plaats by elkander voegde. Alles wat op deeze plaat vertoond
word, is in het Kabinet der Boekereije te zien. Men ziet 'er bovendien
een hut der wilden, waar in alle deeze werktuigen in 't klein met
eene groote juistheid zyn nagemaakt, even als het verkleind model van
onderscheidene gewerkte stoffen, het welk de gewezen Hertog van Orleans
had laten maken, om in de bewaarplaats der konsten gezet te worden.
Aanteek. v. d. Franschen Vert.
[9] Zie hier het geen Dr. BANCROFT van deezen aap zegt: "De quato
(of coïata) is groot, en geheel met lange zwarte hairen bedekt,
uitgenomen het aangezicht, het welk kaal en gerimpeld is. Zyne ooren
zyn breed, en hebben de gedaante van menschen-ooren, Zyne oogen zyn
zeer ingedoken, en zyn neus gelykt naar die van een Neger; maar is
veel kleiner. Zyn lichaam heeft by de twee voeten lengte, en agttien
duimen in den omtrek, aan de borst gerekend. Deeze Aap heeft geen
baard, en ook geen staart. De dieren van dit zoort worden gemakkelyk
zeer gemeenzaam. Zy betoonen in alle hunne daden veel behendigheid,
en een zoort van list, waardoor zy opmerkelyk worden. Wanneer men
hun de voorpooten of handen agter op den rug bindt, loopen zy met
het lichaam over einde, en op hunne agterpooten, geheele dagen lang,
en met zoo veel gemakkelykheid, als of zy in hunnen natuurlyken
stand waren. Indien men een quato slaat, klautert hy dadelyk op een
limoen-, of orange-boom. Indien men hem aldaar wil vervolgen, werpt
hy de limoenen of oranje-appelen op het hoofd van den aanvaller;
hy tracht hem zelfs af te weeren, door hem zyne vuiligheid toe te
werpen; en hy trekt te gelyker tyd allerleije wonderbaarlyke gezichten;
hy maakt duizend kromme sprongen, die aan de toekykers een oneindig
vermaak verschaffen. De mannetjes zyn zeer wellustig, en men betrapt
hen meenigmaal op zaad-verspillingen". (Natural History of Guiana,
pag. 131.)
Aanteek. v.d. Franschen Vert.
[10] Het is zeer waarschynlyk, dat ULLOA dit heeft overgenomen uit
de Geschiedenis der West-Indiën van ACOSTA. Deezen doet men zeggen
in eene vertaaling, in 't jaar 1604 gedrukt.
"Deeze aapen springen, waar zy willen; en om den sprong te doen,
draaien zy de staart rondom een tak. Wanneer zy lust hebben, om verder
te springen, dan zy in eens doen kunnen, gebruiken zy een vernuftig
middel, daar in bestaande, dat zy zig met de staart aan malkander
vast binden. Op die wyze maken zy een zoort van keten, en springen
op een grooten afstand."
ACOSTA zegt, dat hy zelf geen getuige van dit gebeurde geweest is,
maar hy staat in voor de waarheid van het volgende. Zie hier zyne
woorden: "Ik heb aan 't huis van den Gouverneur van Carthagena
een aap gezien, die zoo wel geleerd was, dat hy dingen deed, die
ongelooflyk schynen. Men zond hem om wyn te haalen naar de herberg,
doende hem de pot in de eene, en het geld in de andere poot nemen;
en het was onmogelyk het geld van hem te krygen, eer men hem aan
den wyn geholpen had. Indien hem op straat kinderen ontmoetten,
en steenen naar hem wierpen, zette hy zyn pot op den grond neder,
gooide de kinderen de steenen weder toe, tot dat zy den weg vry hadden
gelaten; en dan keerde hy met zyn pot naar huis. Maar het sterkst van
allen is, dat schoon hy veel van wyn hield, hy nooit den wyn aanraakte,
dien hy t'huis bragt, zoo lang men 'er hem geen verlof toe gaf."
Aanteek. v.d. Schryver.
[11] Onze Reiziger zegt, dat de Franschen deezen boom Latanus-boom
noemen: men weet, dat 'er twee van dien naam zyn. Hy heeft den
eersten, die tot het geslacht der Palmboomen behoort, in het
I. Deel, X. Hooftst. bladz. 308. beschreven. De beschryving van
zynen Mauricy past op den tweeden niet. Verscheiden Natuurkenners,
welken ik geraadpleegd heb, hebben hem geenen naam, die aan zyn zoort
byzonder eigen was, kunnen geven; ik heb dus gemeend, zoo hier als op
de Plaat, die hem vertoont, den naam te moeten behouden, welken hy in
het oorsprongelyke heeft. Dr. BANCROFT spreekt, in zyne Natuurlyke
Geschiedenis van Guiana, van den Mauricy niet; misschien is hy niet
in de gelegenheid geweest denzelven te zien.
Aanteek. v. d. Franschen Vert.
[12] 'Er wordt hier waarschynlyk gedoeld op de amandel, welke
men aard-pistache of aard-appel noemt, waar van de bloemen, uit
welken zy voortkomen, naar den grond buigen, tot dat zy denzelven
raaken. Wanneer de bloem heeft uitgebloeit, gaat de noot in den grond,
werkt zig aldaar hoe langer hoe dieper in, en wordt een bultachtige,
asch-kleurige, ronde en bogtige bol, van de grootte van een vinger,
doorweven met draden, uit den wortel voortkomende. Deeze bol, die
onder den grond ryp wordt, bevat twee of drie ronde roodachtige pitten,
van de grootte van onze hazelnoten, en van denzelfden smaak.
Aanteek. v. d. Franschen Vert.
[13] Zie hier, het geen Mejuffrouw DE MERIAN ten deezen opzigte zegt:
"De roode, blaauwe en witte druif groeit weelig in het Surinaamsch
Gewest; een wynstok, gesneden en in den grond gestoken zynde,
brengt zes maanden daar na rype druiven voort; zoo dat men alle
maanden plantende, het geheele jaar door druiven hebben kan. Het
is te betreuren, dat 'er in dit Land geene lieden gevonden worden,
die zig op het aankweeken van deeze plant toeleggen; want wel verre,
dat het noodig zoude zyn, om wyn naar Surinamen te voeren, zoude
deeze Volkplanting dien zelfs aan Holland kunnen leveren, dewyl men
verscheiden malen 's jaars zoude kunnen oogsten". Men vindt, in de
verzameling der afbeeldingen van deeze Juffrouw, een Surinaamschen
druiven-tros. Iets verder spreekt zy ook van kerssen; maar zy zegt,
dat ze niet goed zyn: misschien had men in haaren tyd pogingen gedaan,
om verscheiden van deeze vruchten in de Volkplanting van Surinamen
aan te kweeken, en het welk niet gelukt zynde, STEDMAN dezelve niet
zal hebben kunnen vinden.
Aanteek. v. d. Franschen Vert.
[14] Men kan een slaaf van goed gedrag, in Surinamen, niet afzonderlyk
verkoopen, zonder de toestemming van zynen vader, moeder, broeders
en zusters.
Aantek. v. d. Schryver.
[15] Ik heb gezegd, dat JOANNA de dogter was van een fatsoenlyken
Hollander, en dat het geslacht van haare moeder onder de aanzienlyksten
op de Africaansche kust was.
Aantek. v. d. Schrijver.
[16] De Neger-Jagers hadden de gewoonte, om elken muiteling,
dien zy doodden, de rechte hand af te kappen, en dan ontfingen zy
vyf-en-twintig gulden. Men gaf hun vyftig gulden, wanneer zy 'er één
levendig vongen, en duizend gulden voor het ontdekken van een gehucht
of bezitting.
Aanteek. v. d. Schryver.