Pala en de Cima di Vezzana; dan langs een goed beschaduwd bergpad,
aanvankelijk tamelijk vlak, maar ten laatste zeer steil naar den
Lucia-pas. Hier vindt men twee herbergen; de eene is reeds gesloten en
in verval, de tweede scheen mij toe neiging te hebben om dat voorbeeld
te volgen. Maar met die herbergen houden we ons maar weinig op, om
des te meer aandacht te wijden aan het heerlijke uitzicht; nog eens
de Dolomieten van Primör, verderaf voor het eerst de Rosengarten;
en daarachter nog even met flauwe lijnen zichtbaar de Oetztaler
Alpen; deze groepen houdt men bij het afdalen voor zich, doch het
pad biedt overigens weinig afwisseling aan; het kronkelt van de eene
berghelling op de andere, is soms beschaduwd, maar geeft ten laatste
niets dan helle zon. Het was dus eene welkome verrassing eindelijk
Moena te zien liggen; nog eene korte wandeling op den straatweg
langs eene wild bruisende rivier en dan het marktplein van Moena, een
schilderachtige plek, maar zoo warm dat ik blijde was de Albergo Alpino
in de onmiddellijke nabijheid te vinden. In dat afgelegen oord woonde
ik de eenvoudige oplossing bij van een zeer ingewikkeld vraagstuk;
na het eten, onder het rooken eener sigaar nog wat vertoevende, zag ik
eerst eenige militairen en douanenbeambten de gelagkamer binnentreden,
kort daarop door een geestelijke gevolgd. Aanvankelijk wilde het
gesprek tusschen die heeren niet vlotten, maar bij het tweede en derde
glas bier ging dat al beter; een tweede geestelijke trad binnen;
bij het vierde glas levendige gedachtenwisseling en groot verschil
van meening; bij het vijfde glas dezelfde levendigheid maar volkomen
overeenstemming,--de wereldlijke en geestelijke machten waren tot
eensgezindheid gekomen! 't Speet me toen, dat ik reeds een glas Tiroler
special-wijn had gedronken, anders had ik me bij ervaring kunnen
overtuigen van de bewonderenswaardige uitwerking van dat bier. Hoe
't verder is gegaan weet ik niet, want de tijd maande tot opstappen,
en ik had nog eene flinke wandeling tot Vigo. Daar kwam ik het beroemde
dolomietendal in, in zijne volle lengte doorstroomd door de Aviso.
't Was wel wat warm, maar 't was toch een prettige wandeling. Aan de
linkerhand had ik nu de voornaamste Dolomietenketen, den Rothwant
en den Rosengarten; vooruit de statige vormen van den Langkofel,
helder uitkomend tegen de blauwe lucht; rechts eene reeks van
dichtbegroeide bergen. Het dal werd steeds ruimer; de weg was goed
en het uitzicht steeds prachtiger, zoodat de milde zon vergeten
werd en 't nog maar kort geleden scheen toen de hoogte, waarop Vigo
ligt, links voor mij lag. Nog wat klimmen en het dorp was bereikt,
't Was mij bekend dat te Vigo een duitsch en een italiaansch hotel
was, maar daar Baedeker geen van beiden met een sterretje vereerde,
was ik weifelend welk te kiezen, toen er iets gebeurde wat mij ten
platten lande nog nooit overkomen is. Een heer aan den ingang van het
dorp sprak me vriendelijk aan en deelde 't een en ander over Vigo en
zijne omstreken mede; hij eindigde zijne toespraak met de verklaring,
dat ik, als volkomen vreemd, niet beter kon doen dan in het hotel
Corona te gaan,--dat was het italiaansche. Zijn raad werd opgevolgd
en bleek goed te zijn. In den loop van den avond zag ik denzelfden
persoon in de veranda van het hotel verschijnen en hem na een kort
gesprek een glas bier voorzetten,--waarschijnlijk zijne eerlijk
verdiende provisie voor het aanbrengen van een gast.
Vigo is een aardig middenpnnt voor bergtochten in den omtrek, maar op
zichzelf een onbeteekenend dorp. De reiziger, die herstelling noodig
heeft aan zijne kleederen, moet er op rekenen een paar uur op zijne
kamer te moeten blijven, want kleermaker of schoenmaker zijn daar
niet; die wonen in een verderop gelegen dorp, en de reparatuur moet
heen en weêr gebracht worden.
't Was erg gezellig in die veranda van de Corona, maar vroeg naar
bed was de leus. De volgende dag toch was bestemd voor een zeer
inspannenden bergtocht. Ik wilde van Vigo over de Vajolethütte en
het Tierser Alpenjoch naar het Seiser-Alpenhaus. Deze tocht zou van
de gansche reis het neusje van den zalm zijn; 't was prachtiger en
merkwaardiger dan alles wat ik tot nog toe gezien had.
Welgemoed toog ik met den gids op weg; 't was een gezellige prater;
Van de Water zouden wij hem hier genoemd hebben; daar heette hij
Dall Acqua.
Eerst een paar kronkelwegjes door het dorp en toen langs een slingerpad
tamelijk steil den berg op. Die klim van ongeveer twee uur in de volle
zon, was eene zware inspanning, die echter wat mij aanging spoedig
vergeten was bij het niet te beschrijven heerlijke uitzicht, dat
men van den top van den Ciampedie geniet. De hoog opstaande rotsen,
aan drie kanten om ons heen, waren zoo helder door de zon verlicht,
dat zij, zonder nog den indruk van sneeuw te geven, helder tegen de
blauwe lucht afstaken; het waren zonder uitzondering dolomieten van
de echte soort. Omlaag vooruit het wilde Vajoletdal. De waardin der
alpenhut had heerlijke koele dranken, en in de schaduw van het huis kon
men naar hartelust van het wondervolle uitzicht genieten. Links tegen
de berghelling, als een wit vlekje, de Vajolethut, dan de langzaam
oploopende Mongrinigroep, op wier kam de rotsen als lage bouwvallen
van vestingwerken troonden. Dan in de grilligste vormen de Rosengarten;
de vreemdste rotsvormen, ook een op zich zelf staande hooge zuil, met
eenigszins overhangenden top, de Delagospitsen, dan als een kraaiennest
tegen eene vervaarlijke rots rustende, de Vajolethut; de Winkler;
de Stabela; verder op de Larsekgroep, wier diep gekloofde wanden een
allerbekoorlijkst licht en schaduwspel deden ontstaan. Weer wat verder
schoot de krachtige Langkofel omhoog, en daarnaast de Sellagroep,
die gekroond werd door de fraaie lijnen van de met sneeuw bedekte
Marmolata. 't Was ongeveer al de pracht en de heerlijkheid van het
dolomietenland, die daar met een oogopslag te overzien waren.
De waardin in de alpenhut, praatgraag als velen, deelde mede dat er den
vorigen dag bij het bestijgen van de bovenvermelde rotszuil een treurig
ongeluk gebeurd was. Een reiziger was met zijn gids goed en wel boven
gekomen; toen zij zich gereed maakten om af te dalen, dikwijls en ook
hier het moeilijkste deel van het werk, was de gids vooraan gegaan
langs een touw, om dit beneden te spannen en zoodoende den reiziger
het afdalen gemakkelijk te maken. Maar het ongeluk wilde dat het touw
oversloeg en op een scherpen rotskant kwam te liggen, die het, door
het met rukken afdalen van den gids, doorsneed. De man stortte in de
diepte en was zonder twijfel dadelijk dood; men had hem dan ook des
avonds reeds te Vigo thuis gebracht. De reiziger was door anderen,
op zijn hulpgeblaas--de echte bergbeklimmers hebben daartoe altijd
een hoorn bij zich--toegesneld, omlaag geholpen, maar vertoefde nog
in de Vajolethut, omdat hij zoo ontsteld was door dat ongeluk, dat hij
nu zelfs den betrekkelijk gemakkelijken weg niet meer omlaag durfde.
Dit geval was zeer treurig en een bewijs, dat zelfs de meest geoefenden
bij dat werk, wel eens falen kunnen,--maar dit soort van bergbeklimmen
ligt reeds sinds eenige jaren boven mijne krachten, en daarom sloeg
ik er verder ook geen acht op. Maar ik had een reismakker, die reeds
zonder dergelijke verhalen niet vrij was van duizeligheid op smalle
bergpaden, en nu deed dit bij hem den beker overloopen. Toen we ons
gereed maakten om op te breken en nog meer heerlijkheden te gaan
aanschouwen, verklaarde hij al spoedig het verder klimmen op te
geven. Loyaal liet hij mij de vrijheid, alleen met den gids verder
te gaan, maar hij zag er zelf van af. Daar stond ik nu; ik zag het
beloofde land en zou het niet betreden, want na eene korte aarzeling
besloot ik den oud-vaderlandschen regel: samen uit, samen thuis te
volgen, en we keerden dapper te zamen naar Vigo terug. Nog even een
terugblik, want 't was toch wel pijnlijk: ik zou nu den mooisten
dolomietenberg, den Schlern, niet beklimmen!
Na ons in Vigo wat verfrischt te hebben, werd eene andere reisroute
opgemaakt, en de reis naar de Karersee aanvaard. Zij had weinig
bizonders, alleen links een mooi uitzicht op de bergwanden van het
Luciadal, die we den vorigen dag afgedaald waren en westelijk, flauw
in de verte, de Oertler en Oetzthaler Alpen. De Karerpas is eerder
eene hoogvlakte; aan het einde biedt hij fraaie berggezichten op den
Rothwand en den Latemar, en men vindt er drie uitstekende hotels:
de Alpenrose, het Karerseehotel en het Hotel Latemar.
Ik koos het laatste, en was als voetreiziger spoedig in de hanebalken
ingekwartierd, 't Was overigens een keurig hotel en men was vol
oplettendheid voor de gasten. Later maakte ik er het bureau opmerkzaam
op, dat men eene fout had begaan. Ik was tevreden met mijne kamer,
maar het zou, meende ik, verstandiger zijn geweest, indien men mij
bij aankomst gevraagd had, of ik in de toeristenafdeeling wenschte te
logeeren of niet; dan was de keus aan mij geweest en waarschijnlijk
het voordeel aan hunne zijde.
Na rust, verfrissching en een goed middagmaal togen we er op uit,
om de Karersee te zoeken. Wegwijzers met duidelijke aanwijzingen
maakten dit zeer gemakkelijk. Het voetpad liep door een bosch met
hoog hout, doorkruist met tal van beekjes, die men aan alle kanten
hoort murmelen. Diepe schaduw en volkomen stilte. Bij een bocht
raakte het pad den zoom van het woud, en daar had ik nog een pijnlijk
oogenblik--we zagen den Schlern voor ons liggen!
Na eenigen tijd komt men op den straatweg en ziet het Karersee-hotel
liggen, een prachtig gebouw in een sierlijken aanleg. Alles wat de
nieuwere reiswereld voortreffelijks heeft, wordt daar aangeboden:
telegraaf, telefoon, allerlei soort van baden, rijtuigen, rijpaarden
en auto's ter keuze. Die snuivende, stinkende dingen maakten in die
omgeving geen prettigen indruk. Een kwartier voorbij het hotel komt
men aan de Karersee, een klein waterbekken, waar men 's avonds en
's morgens vroeg de heerlijkste spiegelingen van de omliggende
bosschen en bergen heeft. Het was mooi, en toch, dat grootsteedsch
gedoe was per slot van rekening in tegenspraak met de omgeving, en
ofschoon de hotels mooi gebouwd zijn en heerlijk liggen, en ofschoon
de Karersee niet onaardig is, komt het mij toch voor, dat voor deze
punten te groote reclame gemaakt wordt. De reclame dient hier om
de hotels bezoekers te bezorgen en vooral om ze als zomerverblijf
in aanmerking te doen komen; maar zooals veel reclame zondigt zij
niet zoozeer door onwaarheid, als wel door groote overdrijving.
Het was een genot uit al die groote drukte rondom het meertje weer
terug te zijn in het bosch met zijn frissche, kabbelende beekjes,
en dezelfde wandeling nog eens terug te maken.
Mij dunkt, de roep der meren in dit gedeelte van Tirol is wat
overdreven. De ligging is gewoonlijk aardig; sommigen geven prachtige
spiegelbeelden van de omliggende bergen, maar ze zijn klein. De
Alleghe See was mij het aangenaamste. Waarschijnlijk is de indruk
bij de vreemdelingen zoo sterk, omdat het land over 't algemeen arm
aan water is.
Het ging nu den volgenden morgen zeer vroeg het Eggenthal in, in de
richting van Bozen. De morgen was nog frisch, maar de zon beloofde
reeds wat voor den dag. De Karersee--de weg liep er langs--was in
den vroegen morgen al niet veel beter dan op den middag. De weg
kronkelde langs de berghellingen omlaag, verder van tijd tot tijd de
schaduw van hoog hout. Achterwaarts kon ik een afscheidsblik op den
Rosengarten en de Latemargroep werpen. Rechts stak van tijd tot tijd
de Schlern zijne klippen omhoog, en vooruit vertoonden zich, heel in
de verte de sneeuwkoppen van de Oertler alpen, die ik voor drie jaar,
op eene voetreis door Grauwbunderland, beklommen had. Frissche wilde
beken stortten hier en daar van de bergen neer; in de weiden was
veel vee, en de schilderachtige houtzaagmolens gaven van tijd tot
tijd een aangenaam rustpunt aan het oog, vermoeid van het rondzien
in de groote ruimte van het dal.
Welschnofen is de eerste plaats die men doorkomt, een aardig gelegen
dorp, waar tal van kleine hotels gelegenheid tot zomerblijf aanbieden;
ze waren alle goed bezet. In het Kreuz-hotel nam ik eene korte
rust en een landelijk ontbijt. De zon begon te braden; er was een
oude weg, die door het dorp, en verder door bosch en kreupelhout,
dat eenige schaduw gaf, voerde en die later weder op den straatweg
uitkwam. De zon steeg hooger en hooger; en daar er geen wind was,
werd de hitte ondragelijk. Het stof warrelde op voor de voeten en
kwam warm op aangezicht en handen neêr. Tegen mijne gewoonte was ik
genoodzaakt onder de boomen rust en wat koelte te zoeken; maar--de
weg moest toch afgelegd worden. Bijna twee uur na het verlaten van
Welschnofen, bereikte ik het onaanzienlijke dorp Bernabrück; al maar
verder; een paar uur later een bord langs den weg, waarop een kastelein
aankondigde, dat hij altijd versche forellen kon opdienen, met keur van
frissche wijnen en bier van het vat! Al maar verder, door de brandende
zon, op den gloeienden weg. Eene bergbeek die mij gezelschap kwam
houden, was nog te ver beneden den weg, om verfrissching te kunnen
aanbrengen. Eene herberg met eene inrichting waarvoor ik die menschen
toen onuitsprekelijk dankbaar was. Zij hadden daar nl. den straatweg
en eene ruimte naast het huis overdekt met planken, flink hoog; dit
keerde zon en licht en gaf een weinig tocht; wel eene kunstmatige
maar toch eene heerlijke oase. De waardin had al hare tafeltjes met
bloemen versierd; toch was dit de ware plaats nog niet; de man van
de versche forellen woonde nog verder. Al maar voort! een frissche
watermolen en eindelijk de herberg Zum Wasserfall. Daar nam ik rust;
het was op 22 kilometer van de Karersee en nog 11 kilometer van Bozen.
De man had ook eene rustplaats voor zijn huis, maar niet overdekt
en dus veel te warm. Op raad van eene vriendelijke dienstdoende werd
dus plaats genomen in de eetzaal. Eenige daar aanwezige gasten hadden
zich allen naar de heerschende temperatuur gekleed, of liever gezegd,
de heeren hadden alles af- en uitgedaan, wat men zoo in het openbaar
maar verwijderen kon, en de dames hadden dat voorbeeld gevolgd,
zoodat zij voor 't meerendeel in groot gala schenen.
De forellen waren aanwezig in een vijver naast de eetzaal en werden
op bestelling gevangen. Arme beesten! 't Was hun waarschijnlijk ook
te warm om veel pogingen tot ontsnappen te doen. Een eenvoudig goed
maal met forellen en nog wat, en een glas lichte koele wijn, deden
het hunne om de rust tot eene hoogst aangename te maken. De wandeling
werd daarna hervat; het dal werd eng maar de beek, die reeds lang den
straatweg gevolgd had, had in kracht gewonnen en bracht nu althans
eenige verfrissching aan, dubbel noodig, want het dal werd steeds
enger en werd nu eene reusachtige kloof aan weêrszijde begrensd door
hooge, steile porphier-wanden. De rotspartijen waren ontzettend stout,
en de Karneidbach stroomde er dartelend in de grilligste wendingen
en met de stoutste sprongen door. Verscheidene tunnels geven nog wat
schaduw en wat koelte; bij den uitgang van een dier tunnels een flinke
waterval. Voor de liefhebbers was een brugje over den stroom geslagen,
van waar men den val nog beter kon zien. Ik was te loom om op dat
brugje te klimmen. De zon stond nu bijna loodrecht boven de kloof, er
was geen schaduw meer. Een heerlijk uitzicht op het kasteel Karneid,
een in den oorspronkelijken oud-duitschen stijl gerestaureerd kasteel,
dat boven op een der rotswanden liggende, indertijd blijkbaar gebouwd
was om de toegangen tot de kloof te beheerschen,--was ter nauwernood
in staat om mij uit den dommel te wekken, waarin ik langzamerhand
geraakt was. Een dorpje Kardaun, en een station! De dienstregeling
wees aan, dat na een kwartier wachtens een trein zoude passeeren,
die te Waidbrück stopte. Waidbrück zou de plaats zijn geweest waar
de voorgenomen tocht over de Vajolethut en den Schlern mij gebracht
zoude hebben, en waar de koffer stond!
Het station Kardaun lag óók al in de volle zon, en het was alsof de
laatste dag mijner voetreis met gloeiende stralen in mijn geheugen
geprent moest worden. Vreeselijke ironie,--te Waidbrück zoude
ik in de Zon logeeren! Maar gelukkig lag die Zon in de schaduw,
en het eigenaardig ingericht hotel was juist geschikt voor dat
weêr. Het hoofdgebouw bevatte de slaapkamers, was niet hoog en lag
onder zware boomen; de vertrekken waren dien ten gevolge koel. De
eet- en conversatiezalen waren aan de overzijde van de straat, iets
achteruit gebouwd, en bij eene warmte als toen, zaten de gasten allen
aan tafeltjes op dat pleintje en op de straat. Kwam er een wagen of
rijtuig voorbij, dan stond men maar op en zette zijn tafeltje wat op
zijde, om de noodige ruimte te maken.
Waidbrück is een aardig gelegen, onregelmatig gebouwd dorp aan de
Eisak. De huizen langs den stationsweg liggen in tuinen en zijn
zelf met bloemen versierd en bovendien met meer of min geslaagde
muurschilderingen bedekt; vooral het hotel de Zon muntte uit door
bonten tooi.
De avond werd intusschen aangenaam op de straat doorgebracht. Men
had mij al dikwijls, wanneer ik om warm eten vroeg, Kaiserfleisch
aangeboden; veiligheidshalve had ik echter tot nu toe aan meer bekende
gerechten de voorkeur gegeven. Nu scheen het wel boven aan te staan,
en ik wilde Tirol niet verlaten, voor dat ik met dien schotel kennis
had gemaakt. Het Kaiserfleisch kwam en bleek te bestaan uit gekookt
mager varkensvleesch, waarbij eene goede portie zuurkool toegediend
werd. Een vreemd gerecht in die warme zomerdagen, maar 't smaakte
goed, naar ik ook den spraakzamen waard op zijne vraag mededeelde. De
man vertelde me onder veel meer ook nog, dat het dien dag daar ook
zoo onmenschelijk heet geweest was, zeker wel de warmste dag van het
jaar. Eene ware opluchting, want onder al het uitgestane had de vrees
mij bekropen, dat niet de warmte zoo overweldigend geweest was, maar
dat mijn weerstandsvermogen te kort schoot, eene onaangename gedachte
voor een voetreiziger van zeer rijpen leeftijd. Des avonds maakte
ik nog eene slenterwandeling door het dorp en had ik nog een aardig
kijkje op het slot Trostburg, dat heel hoog op de bergen ligt. Den
volgenden morgen nog eene frissche wandeling langs de Eisak, en toen
in den trein.
Het ging in eens door tot Innsbrück, waar in het station juist tijd
genoeg was om een goed en vlug gediend middagmaal te gebruiken,
en toen weer verder doorgespoord naar Bregenz. Ik had het meer van
Constanz nog nooit gezien en wenschte daar op de terugreis kennis
mede te maken. Des avonds tegen 7 uur kwam ik in het hotel Montfort
te Bregenz aan. In den tuin van het hotel gebruikte ik het avondmaal
en ging toen eene wandeling door de stad en langs het meer maken,
en dat te eer, omdat ik onder tafel had hooren rondbellen, dat de
Vereeniging voor Volksvermaken dien avond een groot concert gaf in
de promenade, met giorno-verlichting.
Het was reeds avond toen ik door eene smalle kastanjelaan het meer
naderde, om bij eene buiging van den weg de zon heerlijk boven
het meer te zien ondergaan, met eene vreemde maar allerprachtigste
weêrspiegeling in het water. De watervlakte was bladstil, maar in de
verte voorbijvarende stoombooten veroorzaakten eene lichte deining,
die het zonnebeeld op allervreemdste wijze onderbrak. Er loopt,
zoo ver de stad en eene vooruitspringende landtong gaan, eene goed
geplaveide kade om het meer; er waren tal van visschers en wandelaars
en tal van soldaten en officieren vertegenwoordigden in verschillende
uniformen het oostenrijksche garnizoen.
De promenaden der stad, een zeer sierlijke en goed beplante aanleg,
waren over een gedeelte afgezet met koorden, en om de afgezette
ruimte, waar een uitstekend orkest speelde, te betreden, betaalde
men 10 cents. Die avond aan het meer was uiterst genotvol. Ik genoot
op eene bank vlak aan het water van de muziek. Links van mij was de
open watervlakte eenigszins verlicht; vooruit en rechts was alles
zwart en donker door de weerspiegeling van hooge met bosch begroeide
bergwanden. Tal van roeibootjes bewogen zich zachtjes op 't water
heen en weer, allen met een roode lantaarn voorop, die wanneer de
bootjes zich verwijderden en men het plassen der roeispanen niet meer
hoorde, den indruk gaven van zwevende lichten, van ronddwarrelende
gloei-kevers. Het talrijke publiek was zeer kalm; zweeg de muziek, dan
hoorde men weinig meer dan het kabbelen van eene doorkomende deining
tegen den kaaimuur. Daar togen eenige sloepen onder vol zeil de bocht
uit, en manoeuvreerden sierlijk om elkander henen, naar buiten in het
verlichte deel van het meer, kalm en statig, want er was bijna geen
wind. Slechts nu en dan een zuchtje. 't Trok de aandacht, dat die door
elkaar dwarrelende sloepen op een gegeven oogenblik allen terugkeerden;
en toen zij in het donkere water kwamen, ontstaken zij achtereenvolgens
juist genoeg bengaalsch vuur om het eigen tuig te belichten, zonder
verder licht te verspreiden. Een heerlijk gezicht, die sterk rood
en wit gekleurde zeilen in die geheel donkere omgeving, altijd in
beweging en steeds in de diepste stilte. De muziek speelde lang, en
in de pauzen telkens zoo'n lichtfeest op het water--geen wonder dat
ik tot aan het einde bleef en eerst laat in het hotel terugkeerde. Het
was een onvergetelijke avond daar te Bregenz aan de Bodensee!
Den volgenden ochtend vroeg weer naar de haven, om met de boot
naar Constanz te varen. Weder een zonnige dag; we voeren langs de
oostzijde van het meer en hadden een vriendelijk uitzicht op de
vlakke landstreek met hare aardige dorpjes en steden; de westzijde
had nu het scherpe zonlicht en verloor daardoor veel van het fraais,
dat anders het berggezicht moet opleveren. Ik geloof dat het te Lindau
was, waar we van boot moesten veranderen, zoodat we in Oostenrijk aan
wal stapten en eenige schreden verder in Duitschland weer aan boord
gingen. Het was bijna eene tooneelvoorstelling, zooals we door de
eene douane gingen, een eind langs de haven kuierden en daar weer
door eene andere douane moesten passeeren eer we aan boord konden
gaan. De beambten hadden tegenover onze eenvoudige verklaring geen
bezwaar en lieten alle reizigers ongemoeid door.
Tegen den middag kwam de boot te Constanz. Daar geeft men zijne bagage
in het Zollamt in bewaring en gaat dan de stad in. Bij vertrek wordt
de bagage onderzocht.
Constanz is een merkwaardig oud stadje, met veel bezienswaardige oude
gevels; onder meer het raadhuis met eene schilderachtige binnenplaats.
De zeer nieuwe bouwstijl heeft zich in de aanbouw zijnde nieuwe
stadswijken niet onbetuigd gelaten. Men duizelt van die afwijkende
vormen, waarbij het schoone, naar het schijnt, vooral gezocht wordt
in het zonderlinge. Eene wandeling langs den Rijn, die hier reeds
met kracht verder stuwt, is zeer de moeite waard.
Te ongeveer drie uur verliet ik Constanz weer, na nog genoten te hebben
van eene aubade aan een inspecteerend generaal, en na eene wandeling in
den stadstuin, onder hoog opgaand geboomte aan den oever van het meer.
De reis ging verder per boot, het meer en den Rijn af naar
Schaffhausen. Dat was eene hoogst aangename vaart. Na een tijd op het
open meer gestoomd te hebben en het aardige dorp Ermatingen voorbij
gevaren te zijn, kregen we rechts het heerlijke eiland Reichenau
en links, bijna in het groen verscholen, het kasteel Arenenberg,
waar Napoleon III in zijne jeugd verblijf hield, en dat thans door
keizerin Eugenie voor een liefdadig doel is afgestaan. We zien de
oevers allengs elkander naderen en de vernauwing van het meer wordt
ten laatste een rivier; we bevaren nu vader Rijn, hier een krasse
oude heer, die zijne wateren met volle mannenkracht voortstuwt. Tal
van hoogst schilderachtige dorpen, daaronder vooral Berlingen en
het stadje Stein am Rhein, en verderop Dieszenhofen, tooiden het
landschap weergaloos fraai. Een paar houten bruggen in overouden vorm
schenen hier en daar de verdere vaart te versperren. Het water was
zeer hoog; de kapitein deelde mij mede, dat er ongeveer twee meter
meer water stond dan gewoonlijk. Vandaar dat op vele plaatsen de
boomen met hunne takken in het water hingen, die het uitzicht steeds
bekoorlijker maakten. Hier en daar gaven scherpe bochten nog fraaier
uitkijk. Stroomversnellingen, om angstigen zeer angstig te maken;
de boot ging soms met een zetje van den eenen oever naar den anderen
over, om dan, met tegenslag der raderen, toch nog met snelle vaart
vooruit te schieten. En bij al dat fraais trof ik allervermakelijkst
reisgezelschap; een aantal heeren en dames, opzichtig uitgedost en
zeer spraakzaam, in hun gesprek aanhoudend van een duitsch dialekt in
leelijk amerikaansch-engelsch overspringend. Zij bootsten met hunne
talen de boot na bij het verwisselen van het vaarwater.