Doch zijn naam behield den beproefden, zuiveren klank, en zijn zoons

gingen in het kantoor zitten, waar hij gestorven was. Was de stroom

van het goud, nu het eenmaal zijn weg naar dit huis had gevonden, ooit

te stuiten? Ze lachten om den vloek, dien een grijsaard in een langen

kaftan gehuld, hun wilde brengen. Ze lazen het "mene, mene teleel,"

doch zij verstonden het niet. De tijden van den oorlog kwamen. Engeland

en Rusland streden tegen Frankrijk, dat de "Vrijheid, Gelijkheid en

Broederschap" in zijn vaandel voerde; en ook de Bataafsche Republiek

was dronken van deze leus.

De Engelschen en de Russen vielen Noord-Holland binnen, en de troepen

van den Groot-Brittannischen koning moesten betaald worden. Wie had

't geld?

De firma Goldsmith kon het wel leenen, zooveel de regeering beliefde

... en wonderlijk toeval! ze had ook staven goud te zenden aan een

bankier in Hamburg. De "Lutine"--aldus heette het schip, dat werd

uitgerust zou eerst de soldij uitbetalen, en dan zijn koers naar de

vrije Hanzestad vervolgen.

Wie dacht er aan vloek en aan gevaren?

Men zou aan de Noordkust der Bataafsche Republiek landen, en vroolijke

gesprekken voeren met de officieren van 't Russische leger, en

Hollandsche genever drinken. Waren de meisjes van Alkmaar, en den

Helder preutsch? En later de Sankt Pauli-strasse in Hamburg, waarvan

een blijde mare uitging. De danslust kittelde hun voeten al.

De zee was rustig, en vol licht, toen ze uitzeilden. Maar na den

korten dag sloeg de nacht snel uit den hemel, en een bries woei

op. De golven grepen het schip, de wind was woest, en de "Lutine"

worstelde tegen macht van storm en zee.

De "Brandaris" aan de kust van West-Terschelling wierp zijn licht

verre uit. Maar wie aan boord van het Engelsche schip kende den weg

tusschen diepte en zandbank? De dag, dat de grijsaard in zijn kaftan

mr. Goldsmith had bezocht, was lang geleden, en toch werd zijn vloek

vervuld. Diep, dieper zonk het schip met goud.

Nog altijd ligt het onder de zee bedolven; duikers brachten reeds

een der Spaansche matten, waarmede het gevuld was, naar boven.

Wat bleef er na de schipbreuk van de zonen van mr. Goldsmith? Het

werden bankroetiers, en, naar de gewoonte dier dagen, werd hun naam

met schande genoemd.

L

Doktor Faust bij Bommel

Op het slot Waerdenburg woonde eertijds niemand meer of minder dan

doktor Faustus, en hij leerde en studeerde den ganschen dag, ja,

dikwijls sloot hij 's nachts zijn boeken niet. Uit zijn schoorsteen

kwam walm en stank, en niemand wist, wat doktor Faustus eigenlijk

bedreef. Hij gooide velerlei poespas door elkander, en keek er dan

met alle verstand naar, net of hij een wonder verwachtte, maar wat hij

zocht, vond hij natuurlijk niet, en daarover was doktor Faustus heel

bedroefd. Hij had overal vuren aan, en daarboven zette hij allemaal

van die rare potten en pannen, en velerlei kleuren mengde hij dooreen,

groen en paars en rood en blauw, totdat op een goeden dag--niemand

weet op welke wijze--de Duivel in eigen persoon bij hem kwam. En deze

vroeg dokter Faustus:

"Beste doktor Faustus, wat zoekt gij toch in uw potten en pannen? De

heele Bommelerwaard is vol van den stank van uw schoorsteen, en gij

bereikt niets. Zoudt gij u niet liever onder mijn hulp stellen?"

"Ja," antwoordde de geleerde doktor, en hij krabde zich op 't

voorhoofd, "maar ik heb geleerd voor wat hoort wat, en wat zijn

uw voorwaarden?"

De Duivel glimlachte en volgens gewoonte noemde hij eerst de voordeelen

der tegenpartij op.

"Kijk eens, ik kom bij u in dienst, en zeven jaar lang kunt ge van

me krijgen, wat ge wilt." Doktor Faust dacht langen tijd na.

"En als de zeven jaar om zijn?"

"Ja," antwoordde de Booze, "dat is nu eenmaal niet anders. De gewone

belooning, nietwaar, die ik altijd eisch."

"Dus mijn ziel?"

"Niet meer en niet minder--Wat doet het er welbeschouwd toe? Denk eens

aan, doktor Faustus, wat er in die zeven jaar gebeuren kan! Niets

dan vreugde zij uw deel, vreugde, die vreugde volgt, en onbekommerd

staat ge op, en onbekommerd gaat ge te bed. Zoo'n leventje zou het

heele menschdom bekoren, wat ik je zeg."

"Nu, dat is dan afgesproken."

"Voorzichtigheid," zei de Duivel, "is de moeder van de

porseleinkast. Ik voor mij heb altijd zoo'n beetje ... wantrouwen. Dat

leer je helaas op de wereld. U weet niet, hoe duivelsch-slim de

menschen zijn, en daarom moet ik u voorstellen, dat wij er een klein

contractje van opstellen, en nou u!"

"Ja--wat moet, dat moet en wat niet anders kan, dat kan niet anders."

De Duivel haalde een stuk perkament te voorschijn, en daar stond

reeds alles zwart op wit. Hij is een goed rechtsgeleerde, de Duivel,

en hij maakt het de zondaars niet al te moeielijk!

"Zoo ge dit even met uw bloed wilt teekenen, is de zaak in orde."

"Wie a zegt; moet ook b zeggen," zuchtte de arme doktor Faust, en

hij zette zijn handteekening. Doch nu moest zijn nieuwe knecht nog

een naam hebben. Als hij hem te roepen had, kon hij toch niet zeggen:

"Duivel! kom eens hier?" Of: "Satan! haal me wat meel in Bommel?" Ze

waren het al gauw over den naam eens. "Joost," zou de nieuwe knecht

van den doktor heeten. Hij behield dus aan den eenen kant een titel

van Beëlzebub, die immers ook wel met Joost wordt toegesproken, aan den

anderen kant zijn er ook wel menschen Joost genaamd. Joost kon alles,

en Joost deed alles. Tegenwoordig is het dienstpersoneel, zooals de

algemeene klacht is, in de verste verte niet, wat het vroeger was,

en Joost was--denk eens aan--in dien tijd al de puikste der puiken.

Doktor Faustus had maar te zeggen:

"Graag wil ik dit of dat," en de knecht was reeds weg, veel gauwer

dan een paard kan loopen. Hij deed zijn inkoopen niet in Bommel

(hoewel daar de winkeliers van alles wel voorzien zijn, en duur kan

men ze ook niet noemen), maar in Amsterdam, ja zelfs in Parijs. Wat

verlangde doktor Faustus ook niet al!

Denk u eens een snikheeten zomerdag, waarin de vogels te moe zijn,

om te zingen. De warmte zinkt, zinkt neer uit de lucht tot op de

aarde, voortdurend nieuwe warmte, die den grond doet springen. Als

ge den schoenen op den weg zet, lijkt het of er vlammen om uw voet

slaan. Uw hoofd kan geen hoed verdragen, en zonder hoed kunt ge

't ook niet uithouden. Ge verlangt naar een frisschen dronk water,

en als ge drinkt, is uw dorst onleschbaar, ja, het drinken zelve

wekt den dorst op. Uw hoofd is zóó opgezet, dat uw beste vriend u

niet wederkent, en als ge de schaduw van het bosch binnenkomt, gaat

ge zwemmen ineen vurigen oven.

Op zulk een zomerdag commandeerde de geleerde doktor zijn knecht:

"Joost! haal me even een beetje ijs en sneeuw."

En dan moest de duivel door de smorende hitte, erger dan de hel.

Of wel, wanneer 't winter was, wanneer de rivieren bevroren waren,

en de felle, vinnige kou drong door de beremuts heen, net precies,

om de bovenste puntjes der ooren zóó ondragelijk te doen lijden, dat

men zijn ooren erom zou willen verliezen, en ook den neus deed hij

krimpen en kreukelen en kraken, dat je 't gevoel had, of er niets van

overbleef en je nooit meer zou niezen en snuiten (maar den volgenden

dag was je zóó verkouden, dat alleen een warm bed en kamillenthee je

er weer bovenop konden helpen). En overal zag je bonte kraaien, als

teeken, dat het nog lang niet uit was, en 't beste kon je thuis-blijven

met je handen en beenen vlak bij den haard ...

Op zóó'n dag placht doktor Faustus zijn dienaar te roepen, en hij

beval hem:

"Haal me eens een paar flinke trossen druiven."

Sneeuw en ijs in den zomer, druiven in den winter, dat was al bijna

niet te doen! Maar nog was de geleerde man niet tevreden! Op een dag

liet hij Joost bij zich komen. "Hoor eens! ik moet een rijtuig hebben

met vier paarden, die nooit moe worden."

Dat bracht de knecht ook in orde! Je kon doktor Faustus vaak zien

uitrijden, en dan ging hij, hu! als de wind naar Konstantinopel,

heen en terug.

Het gebeurde ook wel eens, dat hij naar Bommel wilde.

"Inspannen, Joost! Maak eventjes een brug over de Waal!"

Dan liep de goede Duivel naar de rivier en bouwde in een ademtocht

een stevige brug, waarover de doktor het prachtige rijtuig voeren

kon. Nauwelijks echter was hij aan de overzijde, of hij floot.

"Joost! je weet, ik kan de lui van Bommel niet uitstaan. Zorg gauw,

dat de brug weer afgebroken wordt, anders maken ze er gebruik van."

Nog eerder dan de pont gereed was, werd zij weer gesloopt.

Wat er niet al van doktor Faust wordt verteld. Ja, ja, de wonderen

zijn de wereld nog niet uit, en 't staat gedrukt ook, dus is 't even

waar als de krant. Eens kwam de geleerde man een herberg binnen,

en riep om een vat Tielsch bier.

De waard sjorde en rolde met veel gezucht en geklaag de zware vracht

voor zijn voornamen gast: tot verwondering van allen ging deze erop

zitten, en daar reed hij de kroeg uit, net of hij op een Arabischen

hengst zat. Huppelend en steigerend en zich voorover neigend en

dan weer achteruit werpend, voer hem het vat Tielsch bier tot aan

het kasteel, waar doktor Faustus afsteeg, en Joost riep. Hij had hem

natuurlijk weer wat te ordonneeren, en elken dag prakkizeerde hij wat

nieuws. Als zoo'n geleerde bol eenmaal daarmee begint, kan er alevel

wat gebeuren.

Om een voorbeeld te geven!:

Eens, dat hij meel had gekocht, liet hij 't naar de gracht rijden,

en hij beval, dat men de kostelijke waar ('t was zonde!) in het water

zou gooien. Toen dit geschied was, riep hij Heintje Pik.

"Joost! haal me 't er weer uit, en zorg, dat het goed gezuiverd wordt,

anders krijg je met mij te doen. Allo! niet getalmd."

Dan ging de Duivel aan het scheppen, schoppen vol vuil en meel dooreen:

't riekte wel een half uur in den omtrek zuur! Vóór hij er mee klaar

was, het vuil en het meel te scheiden (hoewel in een mengsel de

stoffen onveranderd haar eigenschappen behouden) snelde er heel wat

tijd voorbij, en de rug van Beëlzebub deed hem pijn, of hij gegeeseld

ware. Soms veroorloofde zich de doktor een bijzonder aardig grapje

tegenover zijn knecht. Als deze overdag den heelen dag zóó had gewerkt,

dat hij er met permissie van zweette, nam zijn heer wat koren en smeet

't in de doornenheggen.

"Joost! vóór morgenvroeg moet je zorgen, dat ik 't terug heb."

Dan sjokte de arme duivel met zijn moede beenen naar de heg, en hij

stak zijn vingers in de doornen, om al die korrels bij elkaar te

zamelen. Den volgenden morgen wachtte hem nogmaals moeilijke arbeid,

en vele malen mompelde hij:

"Ik wou, dat Joost hem haalde."

Zoover was het ondertusschen nog lang niet. Hij had al die zeven

jaren door te worstelen, en een einde scheen er niet te komen.

Ten laatste--vier jaren waren er voorbij gegaan, en als vier pakken

van tweehonderd pond elk, lagen ze op 's duivels rug gestapeld--gaarde

Beëlzebub allen moed bijeen, en hij klopte nederig aan de deur zijns

meesters.

"Binnen!" riep doktor Faustus, en de drommel van zijn knecht stond

op den drempel.

"Mijnheer! als het niet te astrant is ...."

Doktor Faustus kende genoeg van de wereld, om niet te weten, dat er

thans een onbeschaamde vraag zou volgen. Want ach! brutaal was soms

't vroegere dienstpersoneel óók al, hoewel je er tegenwoordig onder

hebt ... doch hierover basta. Ongeduldig zei hij dus:

"Nu?!"

"Mijnheer ... ik heb u vierjaar goed en trouw gediend."

"Nu?!"

"Als mijnheer er niet op tegen heeft, zou ik mijnheer's dienst nu

wel graag willen verlaten."

"Verlaten? Dat begrijp ik niet. Zeven jaar moet je toch bij me

blijven? ...."

"Mijnheer moet me goed vatten. Ik bedoel niet, dat mijnheer me loon

heeft uit te betalen. Ik wil mijnheer zonder loon vier jaar gediend

hebben."

"Daar komt niets van in! Aan je werk, Joost. Als jij moe bent, ik ben

't niet."

Nog drie jaar arbeidde Joost bij doktor Faustus. Er was niet dàt

op hem te zeggen. Zoo'n in-netten, degelijken knecht hadden er niet

veel. En zoo trouw! En zoo eerlijk! En zoo kraak-kraak-kraakzindelijk.

Doch toen de zeven jaren om waren ... ja toen ... was de knecht de

meester geworden en de meester de knecht. 't Contract had de duivel

goed in orde gemaakt. 't Was middernacht, precies twaalf uur (de klok

van Bommel loopt zuiver), en daar greep de duivel zijn vroegeren heer

bij de haren, en sprong met hem 't hooge venster van den toren uit,

vlak naar de hel, nadat hij hem fel door de tralies van 't raam had

getrokken. 't Bloed spoot den verdoemde het lichaam uit en spatte

tegen den muur, om 't nageslacht van de waarheid dezer vertelling

te overtuigen.

LI

Avonturen van Doktor Faustus in Leeuwarden

Van alle beroepen, die er op de wereld bestaan, valt dat van barbier

het minste mee. Want om barbier te zijn, moet men niet alleen goed

kunnen inzeepen, en goed 't mes op wang en keel van den klant kunnen

zetten, doch bovenal moet men uitstekend menschenkenner zijn.

Een barbier in Leeuwarden was beroemd om zijn inzeepen, en

het eigenlijke scheren verstond hij op een haar, doch een goed

menschenkenner was hij niet, hetgeen uit het volgend verhaal moge

blijken.

Op een kwaden dag stapte er een deftig heer bij hem binnen, die hem

kort beval:

"Scheren!"

De barbier begreep onmiddellijk, dat hij zijn kunst moest toonen. Hij

zeepte stevig in--de meeste coiffeurs van tegenwoordig weten niet,

wat een kunst 't inzeepen al is--, en toen 't schuim hoog vlokte op

het gelaat van den klant, zette de scheerder er 't mes op. Hij schrapte

aan de kin en werkelijk, 't haar ging er af. Daarom begon hij aan den

anderen kant, maar toen bemerkte hij tot zijn misnoegen, dat aan de

zijde, waar hij had geschoren, de baard weder aanving te groeien Dat

mocht niet gebeuren.... Hij stapte fluks naar de plek des gevaars,

en hij schrapte en schraapte naar den aard, maar juist, terwijl hij

zich _hier_ vooroverboog, om te zien, of 't vel wel blank was, schoot

_ginds_ met geweld het haar weder uit; de barbier gevoelde zich als

een amateur-tuinman, die het kweekgras van zijn grond wil uitroeien

en die na een middag moeitevol werk nog net zoo ver is als voor dien.

"Ja mijnheer--" zei hij benepen, "'t gaat moeielijk."

"Wat gaat moeielijk? 't Scheren?! O, dan zal ik mezelf wel helpen."

Tegelijkertijd nam de klant het mes, en sneed zich het hoofd af, dat

hij met vaste hand vlak voor zich neer zette. Daarna zeepte hij--de

barbier was er verwonderd over, en dat zijn de barbiers anders niet

licht, want ze zien en hooren meer dan een ontdekkingsreiziger--de

wangen in, en in een ommezientje bleef er geen schaduw van dons op

't vel. Toen hij gereed was, zette hij 't hoofd op den romp, en zei,

dat hij nu zijn schuld wilde voldoen.

Voor de baas een woord had kunnen uiten, drukte hem de deftige heer

een gouden dukaat in zijn hand, en riep uit:

"Dat zal wel genoeg zijn, denk ik."

Nu overkomt het een Leeuwardensch barbier niet elken dag (al scheert

hij niet slechter dan een collega in Amsterdam of 's Gravenhage),

dat hij met een gouden dukaat wordt betaald. Hij wilde zijn vrouw

in zijn geluk doen deelen. Hij was al bij haar, vóór hij 't wist:

wat bewijst, dat hij net en soliede was in zijn levenswandel.

"Vrouw! Kijk eens, wat ik gekregen heb."

Ze tuurde naar de palm zijner rechterhand en haalde minachtend haar

schouders op.

"Een duit! Wat is dáár voor bijzonders aan?"

Ja, het was een duit en geen dukaat, waarmede de rekening was

gequiteerd, en dáárvoor kon hij 't niet doen. Zeker een vergissing

van den voornamen heer. Waar zou deze logeeren? Natuurlijk in het

Hooghuis. Hij er naar toe!

"Wat is dat?" riep Faust, want niemand anders was het, "wat is

dat? Zeker een vergissing .... Wacht! hier heb je een nieuwen

dukaat. Zie je goed, dat 't een dukaat is?"

"Ja," zei de scheerder.

Thuis keek hij er nog even naar, vóór hij zijn vrouw de munt

toonde. Gelukkig, want ook nu hield hij in zijn hand een koperen

duit. Hij riep woedend:

"Zoo waar ik een barbier ben, gaat 't hier niet zuiver toe."

Doktor Faustus bleef dus in de stad, en iedereen hoorde, wat hij met

den dukaat had uitgetooverd. Eens kwam hij 's avonds in het Hooghuis,

en hij riep zijn knecht.

"Trek me de laarzen uit."

De knecht knielde en trok de laars van doktor Faustus'

linkervoet. Daarna begon hij met de rechter--Dat ging niet zoo

gemakkelijk.

"Och jongen--je kunt niet trekken."

De knecht had zijn ponteneur en hij rukte nu met alle macht, zóó hard,

dat hij het been uit doktor Faust's lichaam trok. Dit vond doktor

Faust niet aangenaam, hij schreeuwde, dat 't een aard had. De waard

kwam toegeloopen.

"Wacht," peinsde deze (de Leeuwardensche hoteliers zijn niet van

gisteren), "dat is een mooie manier, om het sinjeur eens te laten

betalen. Weet je, wat ik doe? Ik berg 't been in de kast, en als hij

weg gaat, heb ik een waarborg."

Zoo gezegd, zoo gedaan.

Hij had echter een ander voor zich, dan hij meende. Wij, u en ik,

zouden alles doen, om ons been terug te ontvangen, maar doktor

Faustus verliet het logement hinkende, en gaf geen duit. Toch scheen

hem dit na eenigen tijd te berouwen, althans hij keerde terug, om

zijn rekening te vereffenen. Doch de waard was dom geweest: hij had

't been in 't water gegooid ....

"Dan is de zaak in orde," zei doktor Faust. "Jij 't been en ik

't geld."

"Ja," antwoordde de herbergier. "Ja, dan is 't in orde."

Zoodra de geleerde man op straat liep, groeide hem 't rechterbeen

weer aan, en hij wandelde nu net als de gewone menschen.

Nog meer wandaden haalde doktor Faustus uit. Hij stelde voor, om

op de Langepijp te gaan staan, met stroo onder zijn arm. Er waren

in dien tijd veel heksen in Friesland: overal kon je die leelijke

tsjoensters aantreffen.

"Jullie hebt moeite, om ze te kennen?" vroeg doktor Faustus. "Als ik

op de Langepijp sta, zal iedere heks naar mijn stroo worden getrokken

en ze zal er mij een halmpje van uitritsen. Daaraan kunt ge zien,

wie tooveren kan en wie niet."

Natuurlijk stond men het hem nooit toe, want de vrouw van den

burgemeester was een heks, en dat dus het bestuur der stad den

vreemdeling liever _buiten_ dan _binnen_ Leeuwarden zag, is wel te

begrijpen. Eens heeft hij 't heele Waagsplein met bloed overstroomd

(zooals een fatsoenlijk mensch zijn tuin in een heeten zomer met

water begiet), en daarmede had hij zijn banvonnis verdiend.

Faust moest Leeuwarden verlaten.

Aan alle vier de stadspoorten zette men een bode, die had toe te zien,

of Faust de stad uitging. De burgemeester ging in 't raadhuis zitten,

en wachtte. A1 heel gauw kwam een bode aanrennen, die hijgde:

"Doktor Faust is door _mijn_ poort vertrokken." Nauwelijks had hij

dit gezegd, of een tweede bode stormde binnen met de mare:

"Dokter Faust is door _mijn_ poort vertrokken," en hij werd verdrongen

door een derden bode, die jubelde:

"Dokter Faust is door _mijn_ poort vertrokken. Daar kwam de vierde

bode aanzetten, die al uit de verte riep:

"Doktor Faust is door _mijn_ poort vertrokken."

Tot op den huidigen dag is dit een raadsel gebleven, doch gelukkig

is doktor Faustus nooit in Leeuwarden teruggekomen. De barbiers,

hoteliers en heksen kunnen er thans rustig slapen.

Aanteekeningen

HET VROUWTJE VAN STAVOREN (blz. 1-11). In een "Boekje voor den

Straatzanger" vind ik het volgend vers, dat thans nog algemeen wordt

gezongen.

Hoort, vrienden, hoort een lied,

Dat duidelijk zal verklaren,

Wat eenmaal is geschied,

Voor meer dan duizend jaren.

Toen oud en grijs Stavore

Nog bloeide op Frieslands grond

En van zijn macht deed hooren,

Door heel het wereldrond.

Daar in die rijke stad,

Die jaarlijks duizend schepen,

Belaân met 's wereld schat

Haar haven in zag slepen,

Daar leefde in roem en eer,

Een rijke weduwvrouw,

Wiens voorbeeld ons zal leeren.

Hoe hoogmoed voert tot rouw.

Geen koper, neen, maar goud,

Zoo sprak zij, siert mijn woning,

En 't huis voor haar gebouwd

Scheen 't woonhuis van een koning.

't Was al wat oogen zagen

Vol vorstelijke praal

En hoeft men meer te vragen

De stoep was van metaal.

De leuning was zeer schoon

Uit louter goud gedreven,

De deurknop scheen een kroon

Met paarlen als omgeven

En breede, zilvren platen

Geklonken aan den grond,

Bedekten al de straten

Zoover haar woning stond.

Daar treedt een zeekaptein,

Haar bij de haven tegen,

Wat, sprak ze, zal het zijn,

Wat schoons hebt gij verkregen,

Wat heerlijks brengt gij mede

Uit overzeesch gebied,

Uw schip ligt op de reede

Maar hoe gij antwoordt niet?

'k Heb immers u belast

Het kostelijkst in te laden

Wat rondom de Oostzee was,

En 't oog hier kan verzaden.

Wie zich aan prijs mocht storen,

'k Vraag nimmer naar het geld.

De weduw van Stavoren,

Wordt niet teleurgesteld.

'k Bracht tarwe naar uw zin,

Al edelst wat wij vonden,

Aan stuurboord kwam het in,

Zooveel wij laden konden.

Hoe gilt zij dol van zinnen,

Hoe, tarwe? lage guit!

Bracht gij ze aan stuurboord binnen,

Zoo werp ze aan bakboord uit.

Helaas, het kostlijk graan

Werd in den vloed geworpen.

Een grijsaard die het zag

Uit een der naaste dorpen,

Beef, sprak hij, o vrouwe,

Wellicht lijdt ge eens gebrek,

Dat nooit dit stuk u rouwe,

Zwijg, sprak ze, grijze gek.

Ze lachte en greep haar ring

En wierp met luid geschater,

Terwijl ze henenging,

Hem weg in 't woelig water.

Kijk, riep ze, dwaze kerel,

Eer geeft de zee weerom,

Deez' schoone ring en parel [10]

Eer ik tot armoe kom.

Het duurde een dag of acht,

Toen werd op haar verlangen

Een groote visch gebracht,

Zoo pas in zee gevangen.

Maar sidderend zonk ze neer,

Want reeds met de eerste snee,

Vond zij haar ring toen weder [11]

Laatst geworpen in de zee.

Daar treedt een dienstknecht in,

Uw schepen zijn verloren,

De zee zwelgt alles in

Gods wraak rust op Stavoren,

Een andere knecht snelt binnen

En biedt een brief haar aan.

God, gilt ze woest van zinnen,

Mijn glorie is vergaan."

Vele andere berijmde lezingen, dikwijls zeer van elkander verschillend,

zijn van het vrouwtje van Stavoren bekend: hier meende ik de sage

van "het vrouwtje" te moeten scheiden van die van het Vrouwenzand,

waarvan reeds dóór Johann Wilhelm Wolf in 1843 twee lezingen zijn

medegedeeld. [12] Zie "Het Vrouwenzand" blz. 149 in dit werk.

Trouwens, alleen reeds met sagen en legenden van Stavoren ware een

aardig boekje te vullen. Dat haar bloei en verval zulk een levendige

fantasie bij 't volk opwekten, is geen wonder. We vinden den naam

Stavoren al vermeld in de legenden van Friso, die met zijn broeders

Saxo en Bruno naar de lage landen was gekomen, en een tempel bouwden

ter eere van hun god Stavo. Om den tempel stichtten ze een stad, welke

ze Stavoren noemden. Dan hebt ge de legende van het "Roode Klif,"

de roode vlam, welke op Stavo's bevel door drie kruiken zeewater

werd gebluscht; van de "stem uit de bron," een vervolg van het "Roode

Klif," van de "overstroomende bron," volgens Stavo slechts te stuiten

door het bloed van een driejarig kind; van "de wanschapen wolf, met

menigerlei hoofden, meer dan de hond Cerberus er had" .... Er zijn

er nog meerdere, doch in ons volk leven ze helaas niet meer voort,

en wat er van de rijke legenden-schat is overgebleven, geeft weer een

denkbeeld, hoe de roem van Stavoren is vergaan--Zie ook blz. 311 van

dit boek.

Het visch- en ring-motief is waarschijnlijk ontleend aan de Duizend

en Één Nacht.

STRAFFE GODS (blz. 11-17). De kroniekschrijver François le Petit

vermeldt, dat men een der brooden, welke in steen veranderd waren,

in de Sint-Pieterskerk heeft vertoond (zie ook Nederlandsche Legenden

met 32 Platen, naar het Fransch!! uitg. 1842).

Tusschenhaakjes ... is het niet meer dan bedroevend, dat de

Nederlandsche Sagen en Legenden eerst heden door mijn hier gegeven

poging onmiddellijk in een oorspronkelijken bundel zijn opgenomen? Deze

verhalen van zoo aangrijpenden eenvoud, dat men ze lief moet hebben

als het leven. En wat is er voor folklore in Nederland tot dusver

gedaan? Naast de Nederlandsche Driemaandelijksche Bladen bestond

het Vlaamsche tijdschrift "Volkskunde," en verder waren en zijn er

verschillende gewestelijke boeken, periodiekjes en almanakken; maar

dit heeft bijvoorbeeld niet kunnen beletten, dat er van de sagen in

de Peel zoo goed als niets is overgebleven, en dat van verschillende

Groningsche overleveringen ... slechts de laatste zinnen bekend zijn!

In "Straffe Gods" vindt men hetzelfde wraak-gegeven als in "Het

Vrouwtje van Stavoren." Hij, die niet barmhartig is, moet het

boeten. Vreemd, dat het vrouwefiguren zijn: misschien is dit wel,

om de tegenstelling nog scherper te maken.

Een soortgelijk verhaal is te vinden bij Wolf S 254. Hier speelt

het echter in Gent. Het steenen brood wordt vertoond in de

Pharaildiskerk. Het jaar, dat de historie in Gent voorvalt, is 1557.

HOE MONTFORT ORDELOOS LIGT (blz. 18-20). Zie ook Limburg XX 3e

aflevering blz. 186. Welters en van Beurden zijn voor de Limburgsche

folklore de menschen waren er in de andere provinciën telkens maar twee

met zulke liefde voor de schoonheid der sage, ik ware tevreden. Vele

der Limburgsche sagen zijn natuurlijk door Welters bekend geworden.

HOE EENRUM, MENSINGEWEER, OBERGUM EN WINSUM EEN NAAM KREGEN

(blz. 20-22). Hier zijn twee mij mondeling medegedeelde overleveringen

tot één geheel vereenigd.

DE SLAPER IN HET VOORHOUT (blz. 22-32). Verschillende deelen

ontleende ik, meer of minder woordelijk, aan de hier reeds vermelde

"Nederlandsche Legenden." Op verscheiden punten koos ik echter een

"waarschijnlijker" lezing, en vooral heb ik het geval minder braaf

gesteld, en Willem van Nieuwen's moeder, die den dronkaard vermaant,

uit het spel gelaten. Ook vervult in dit boek Isabella van Portugal

de rol van de vrouw des vroolijken Willems; in de "Nederlandsche

Legenden" wordt hiervoor een kamenier uitgekozen, bij Shakespeare in

"The Taming of the Shrew" een mannelijke page, wat het geval nog

humoristischer maakt.

Sirrah, go you to Bartholomew my page

And sec him dress'd in all suits like a lady:

That done, conduct him to the drunkard's chamber,

And call him madam, do him obeisance,

Tell him from me (as he will win my love)

He bear himself with honourable action,

Such as he hath observ'd in noble ladies

Unto their lords, by them accomplished:

Such duty to the drunkard let him do,

With soft, low tongue and lowly courtesy;

And say,--What is 't your honour will command,

Wherein your lady, and your humble wife,

May show her duty, and make known her love?

And then--with kind embracements, tempting kisses,

And with declining head into his bosom

Bid him shed tears, as being overjoy'd

To see her noble lord restor'd to health,

Who, for this seven years bath esteem'd him

No better than a poor and loathsome beggar:

And is the boy have not a woman's gift,

To rain a shower of commanded tears,

An onion will do well for such a shift;

Which in a napkin being close convey'd,

Shall in despite enforce a watery eye.

Sec this dispatch'd with all the haste thou canst

Anon I'll give thee more instructions ....

Het ontwaken wordt door Shakespeare als volgt geschetst

SLY. For God's sake, a pot of small ale.

1 Sew. Will' t please your lordship drink a cup of sack?

2 Sew. Will' t please your honour taste of these conserves?

3 Sew. What raiment will your honour wear to-day?

Sly. I am Christophero Sly; call not me--honor lordship; I never

drank sack in my life; and if you give me any conserves, give me

conserves of beef: Ne'er ask me what raiment I'll wear: for I have

no more doublets than backs, no more stockings than legs, nor no more

shoes than feet; nay, sometimes, more feet than shoes, or such shoes

as my toes look through the overleather" enz.

Talrijke verhalen en stukken dragen de geestige intrige als

basis. Noemen we de Duizend en één Nacht weder in de eerste

plaats, de historie van Harun en den herder AbuHassan. Soortgelijke

geschiedenissen worden trouwens niet alleen in Den Haag voorgesteld,

doch ook in Brugge en Dyon. Nu eens is 't Philips de Goede, dan

weer Karel IV, die den dronkelap vindt. Bij Shakespeare is 't een

willekeurige "lord," en de vindplaats is "before an alehouse on

a heath."

Zoowel in Shakespeare's voorspel en de door mij medegedeelde lezing

vinden wij een schuld van den armen schobbejak aan een waardin of

waard voorgesteld. Bij Shakespeare:

SLY. No, not a denier: Go by, Jeronimy ...." etc.

HOSTESS. You will not pay for the glasses you have burst?

Ook Segismundo in Calderon's La Vida Es Sueno doorleeft een droom,

als hij bij het ontwaken zich in een vorstelijk bed bevindt. Hier

klinkt hem, gelijk in mijn bewerking, muziek tegemoet

SEG.:

Válgame el cielo, qué veo!

Válgame el cielo! qué miro!

Con poco espanto lo admiro,

Con mucha duda lo creo.

Yo en palacios suntuosos? enz.

(Hemel, wat zie ik, wat ontdek ik, ik zie 't met weinig schrik,

doch ik geloof het met veel twijfel, ik in rijk-versierde kameren,

ik tusschen zijde en brocaat, ik, omringd door dienaren enz.--).

Vele tooneelstukken en novellen zijn op het mooie sprookje gebouwd.

GERARD, DE SLECHTE HEER (blz. 32-52). Hier zijn mij acht lezingen

van gegeven: de lezing, hier gevolgd, stamt uit Tiel. Zoo ik me niet

sterk vergis, heeft Marie Ramondt een soortgelijk verhaal. Deze lezing

koos ik, om het verdwijnen van den weerwolf, die in de lucht oploste,

en de overeenkomst met de Brabantsche Kludde (Niederländische Sagen

blz. 313) "Ein anderes Mal behängt er sich mit der Haut eines groszen

schwarzen Hundes, läuft also auf seinen Hinterpfoten, rasselt dabei

mit einer Kette am Halse und springt den ersten, der ihm begegnet,

unversehens auf den Nacken, und wenn er ihn dann zur Erde geworfen hat,

_verschwindet er ohne Spur_."

Dit op den rug springen van den weerwolf, is iets heel gewoons, maar

't komt hier in geen der lezingen voor. We vinden het wel bij de Wall

Perné "Veluwsche Sagen" bij den boozen geest Osschaert (blz. 102),

die den spotter volgt op zijn rijm:

"Griepke, griepke grauw

a'j me griepen wilt, griep me dan gauw."

In Dendermonde

"Grijpke, grijpke grauw,

Wilt ge mij grijpen,

Grijpt mij nou."

Overeenkomst met den weerwolf, heeft de Friesche en Overijselsche

Evert (De Evert zal hem halen), en de Schiermonnikoogsche Roode Haan,

benevens het plaagbeest of het pestdier (dit bracht de pest aan,

zie ook de in dit boek behandelde sage "De Zwarte Dood"). Den ketting

vinden we bij vele spook- en duivelsverhalen terug. Wanneer een paar

gehuwde lieden zeven zoons krijgt, zonder eene dochter er tusschen in,

dan is één der zeven een weerwolf. Meermalen heb ik hooren vertellen,

dat de jongste der broeders die het zevental vol maakt, de weerwolf

is. Anderen zeggen, dat de duivel de geschiktste uit de zeven kiest

(Waling Dijkstra, Uit Frieslands Volksleven). Zóó weinig worden

dergelijke begrippen soms vastgehouden, dat men mij te Groningen

heeft verteld: "één van zeven zonen is met den helm geboren,"

(Notabene die met den helm geboren is, heeft een voorspellenden

geest). In Elst deelde men mij mede, dat de weerwolf de ziel was,

door den Duivel bezeten, en die daarom de gedaante van een hond had

aangenomen. Ook kon hij goed kaartspelen! Een sage kende men echter

niet, of wilde men mij niet vertellen.

Staat het Overijselsche lied:

"Wolle wee, wee, wee

Wolle wee, wee wee" enz.

met den weerwolf in verband?

Volgens een onzer grootste hedendaagsche Nederlandsche folkloristen,

dr. Jos. Schrijnen, vertoont de weerwolf een animistisch karakter

(Nederlandsche Volkskunde, dl I, blz. 73). "De weerwolf-mythen,"

schrijft hij, "hebben alle Indogermaansche volken gemeen."

In 't buitenland vindt men wel, dat de weerwolf een vrouw is (b.v. dr

Ulrich Jahn; "Volkssagen aus Pommern und Rügen", blz. 38) op andere

plaatsen wordt hij een weerwolf, die 't vel van een gehangene of

een wolfsvel om zijn lichaam bindt; soms ook de misdadiger, die geen

straf heeft ondergaan. Ook vrouwen, die op heksachtige wijze op een

bezemsteel gaan zitten, kunnen weerwolven worden.

Nergens uit zich de volksfantasie zóózeer, dan in gedaante en

verhalen van den weerwolf, onder welke gestalte hij (zij) zich ook

beweegt. Zelfs de heksen moeten het in dat opzicht tegen hem afleggen.

Langzamerhand zijn de weerwolfsagen aan het verdwijnen, en binnen

eenige jaren zal er niets van over zijn gebleven. In Limburg heb ik nog

een fragment eener weerwolfsage gehoord, welke mij zoo onsamenhangend

voorkwam, dat ik ze met den besten wil der wereld niet meer kon

bewerken. Van hooren zeggen heb ik, dat er bij Rolde in Drenthe nog

een weerwolf-achtig verhaal moet leven. Onderzoekingen in dezen zin

hebben echter niets opgeleverd. Of men er zich voor schaamde?

DE BASILISCUS VAN UTRECHT (blz. 53-57). Opmerkingen over deze sage zijn

weinig te maken, daar zij alreeds in 't verhaal zelf zijn verwerkt. Dat

uit haneneieren vervaarlijke monsters konden worden uitgebroed,

was een allerwege verspreid verhaal in de middeleeuwen en later (men

leze bijvoorbeeld Der Hahn von Quakenbrück van Ricarda Huch). Dat er

in de 15e eeuw nog een haan werd opgehangen in Bazel, beschuldigd,

dat hij een ei had gelegd, behoeft zeker geen verwondering te baren.

Er bestond maar één middel, om dezen basiliscus te bestrijden, en dit

werd door den Utrechtschen jongeling toegepast. Wat men in Dokkum

en Oldeboorne heeft gedaan, waar telkens achttien menschen werden

gedood (de overeenstemming der twee getallen is typisch-toevallig)

is niet bekend.

HET POPJE DER HEKS (blz. 57-64). Een zeer merkwaardige sage! Al

speelt ze honderd jaar geleden, toch heb ik ze (evenals Waling

Dijkstra) gepubliceerd. 't Heksengeloof is er nog niet heelemaal uit

en zeker niet 't geloof aan allerlei duivelsche machten. Zóó lees ik

bijvoorbeeld in het "Nieuwsblad van Emmen" van Juni 1915 't verhaal

ontleend aan de A. Ct.: "Het geloof aan heksen en spoken, aan witte

'wiev,' 'glunigen kèrels' en dito honden of hoe die trawanten van den

vorst der duisternis meer mogen heeten, het geloof daaraan mag zoo goed

als verdwenen zijn, [13] de vrees voor Zijn Helsche Majesteit zit er

hier en daar toch nog in. Dat bleek ons dezer dagen op een afgelegen

gehucht op het Ellertsveld. Een paar avonden achtereen hoorde daar een

echtpaar telkens tegen het middernachtelijk uur een geheimzinnig geklop

en dof gehamer op de deel. Dat was natuurlijk het werk van den Booze

of te wel van den 'boksvoot,' die daarmee natuurlijk niet veel goeds

in den zin had en naar alle zekerheid het een of ander groot ongeluk

over het huis zou brengen. Om dat dreigend onheil af te wenden werd den

volgenden dag tegen het vallen van den avond dicht bij den paardenstal,

vanwaar men het angstaanjagend geluid meende te hooren, de Bijbel

neergelegd, geopend bij het 4e hoofdstuk van Mattheus, alwaar wij

lezen, hoe Jezus in de woestijn door den duivel werd verzocht. En na

dien is het weer rustig op de deel als voorheen. De gehoonde verleider

heeft stellig den aftocht geblazen. Mattheus 4 werd hem te machtig.

Nochtans blijft het geopende bijbelboek als _duivelbanner_ [14] daar

nog eenige dagen liggen, want zoo verklaarde ons het vrouwtje in

allen ernst: 'hij wil nog wel eens terugkomen. Dat er eenig verband

kan bestaan tusschen het eindigen van het vreeswekkend geklop en

den verkoop van 't paard op de Norgermarkt j.l. Dinsdag, dat kwam

natuurlijk niet op in de hoofden van 't ongenoemd echtpaar.'"

Tot zoover het Nieuwsblad van Emmen, dat ook in Borger veel wordt

gelezen. Ik weet, dat daar een oude vrouw woont, die wel wonderlijker

verhalen kent dan deze, en die hier weinig om zal lachen.

De heksenvervolging in ons land heeft nooit de vormen aangenomen,

welke zij bijvoorbeeld in Frankrijk (Vauderie), Italië en Duitschland

heeft gekend. De heksenwaag in Oudewater heeft menig verdachte van

den dood gered. Voor hen, die er belang in stellen, geef ik hier een

paar aardige vonnissen en bescheiden.

Utrecht 1417: "Want Isyo, die vroedemoeder, onredelijk saken, alse

toverie ende andere onstantelijke dinghen bedreven ende gedaen heeft,

daarom verbiet men haar de stat 50 jaer lanc naeste comende ende een

mile van der stat te wesen op hoer lijf."

Putten op de Veluwe 1423: "des paepen maagd van Putten, die beruchtiget

was, dat sy heren Aelbert den papen betovert wolde hebben en hoer

kunsten dairtoe besichde, dat gebeterd met 20 rijnsche gulden."

Vonnis van het Hof van Holland 1467: "tegen een oud wijf, die 23

jaren lang na gestolene en verlorene goederen gelesen had, hetwelk

wijchelarij was en tegen het cristelijk geloof, tot pronken op het

schavot en ban."

En hier hebt ge een juweel, van den Zutphenschen burgemeester

Henric here thoe Gehmen uit 't jaar 1491, een schrijven gericht

tot burgemeester en raad van Keulen .... Ja, hier is 't wel tempora

mutantur.

"Eirbare vroeme inde vursichtige, gemynde, lieve vriende. Hyr in deur

lande van Sutphen is eyn tyt van jaren herwertz zere groet ongnade,

verdriet inde schaide geschiet van onweder [15] inde enheben niet waell

rait dair to krijgen moigen, sulkes gestraffet inde uytgerait mochte

werden. Inde altehantz heb ick drossait drie wijffe eyn tyt lanck in

gefencknuss sittende gehat inde noch sitten binnen der stat van Lochem,

die mijn onderdrossait vaste mennigerley heeft laten versuecken mitten

scarprichter, inde doch niet ther lyluge gebrengen en kan, woewaill

die selve wijve dat ganse gemeyn gerucht heben, inde die nabueren baven

inde beneden hen des niet en verlaiten, sy en konnen weder maicken ind

oich seggen sy van veele stonden, dair sy die selven wijve, die eyn

onder syn korn, die ander in seynem stall by syn haive, inde voert der

gelycken, dair sy tovery in vermoeden, befonden heben [16]. Inde ass

men die wijve ter pijnen stelt mit trecken, averhaelen ind barnen an

die hacken [17] ind voert anders, dat geyn harde manspersonen sonder

te lij gen lijden en solden, ind als dat gedain is, so synt sy oer

leeden so mechtig als voer der pijnen. Inde nementlic hefft die eyn

vrou baven in eyn pan mit heyter torffkaelen die eyn reyse voir ind

die ander nae mitten bloeten voeten gain stain [18], inde sacht dat

men dat voir oir onscholt nemen wolde, inde dat en schaiden oir mit

allem niet, dat men sien konde. Men hadde se laeten bescheeren all

omme heer van hair inde deede oir drijncken van den wijwaeter, des

sonnendaiges gewijth was, ind oich aver oir bloete lijff eyn misgewait

an, dair die hoemyss des sonnendages in gedain wass inde sat sy van

der eerden, eer men sy ter pijnen stelde. [19] Inde dit wass van baven

gekomen uit anderer amptlueden versueck, inde hedden gemeynt dat men

dairmede den duvel syn macht benomen ind sye ter lijginge gebracht

solde heben, dan 't en baiten all te maell niet. Inde went wij dan

verstain, dat allduslicker toverijen gelijcken bijnnen off umbtrynt

uwer lieffden stat inde voirt meer baven geschiet is, dair men die

toevenarss inde toeverschen aver ten rechten gestalt inde gebrant

hefft, so were onse zere fruntlicke bede inde begerte, dat uwe erbarn

lyefften onssdair van onderrichtinge bij desen brenger s'brieff so

voell uwen lyeffden wijtlick inde mogelick is, doin scrijven willen,

woe inde in wat manieren men sij ter pijnen stellen sall, ons dair

na in den besten te richten, ind soe dat men sulke ongelove, tovery

inde oveldait verhaiten inde uytraiden mochte. Dair uwe liefften sich

ter eeren gaidz in de waelfairt gueder luede guetwillich in bewijsen

willen, als wij getruwen inde t' anderen tijden gerne, dar wij konnen,

verschulden enz."

Geadresseerd aan: Den eirbaren vroemen inde voirsichtigen

borgemeistern, scepen inde raide der stait Colne, unsen gemijnden

lieven frunden. [20]

Terwijl in ons land het volksgeloof taai het begrip "heks" heeft

vastgehouden--zoodat het nog niet als uitgestorven is te beschouwen

(Drente, Friesland), kan men er hen, die de massa leiden, geen verwijt

van maken, _in 't algemeen_, dat ze op ruwe wijze tegen de ongelukkigen

te keer zijn gegaan. Niet, dat Bekker's "Betooverde Wereld," welke

op krachtdadige wijze het bijgeloof bestreed, geen tegenkanting

ondervond--doch in niet vele landen vindt men lichtelijk zoo weinig

vervolging van overheidswege. Er zijn er, die dit aan den invloed van

het Protestantisme toeschrijven, maar dit schijnt mij minder juist toe,

om redenen, die mij te ver buiten mijn beknopte "Aanteekeningen" zouden

voeren, doch die het verband zouden aantoonen, welke de Katholieke

Kerk in de Middeleeuwen legde tusschen ketterij en toovenarij. In

't kort zij gezegd, dat de verhouding van het Katholicisme tegenover

de hekserij in de middeleeuwen anders was dan van het Protestantisme

tegenover de hekserij in de 17e en 18e eeuw, zoodat deze beide niet

met elkander zijn te vergelijken. Bovendien heeft men nog het treurig

proces tegen de heks van Glarus (Zwitserland) in 1781, [21] waardoor

men tot de overtuiging komt, dat ook een Protestansche overheid niet

vrij van bloedschuld is.

In Engeland was 't o.a. Reinald Scot, die tegen de heksenvervolgingen

schreef, en zijn werk werd tot "ghemein oorbaar" in 't Nederlandsch

vertaald door Thomas Basson. [22] Deze voegde hier ook bij o.a.

"T' Gevoelen van de Heeren Professooren der Universiteyt tot Leyden,

nopende de proeve der Toveressen in 't waeter."

De hooggeleerde heeren deden, d.w.z. zoover zij behoorden tot de

faculteiten der Medicijnen en Philosophie, ten verzoeke van het Hof

van Holland uitspraak in een twijfelachtige zaak ....

Aanwezig waren:

Doktor Johannes Heurnius, Rector Academiae en Professor Medicinae.

Doktor Gerardus Bontius, Professor Medicinae.

Doktor Petrus Pauw, Professor Medicinae.

Antonius Trutius, Professor Philosophae.

Petrus Molenaeus, Professor Philosophae.

Wat was deze twijfelachtige zaak, die de Professoren den negenden

dach january des jaers 1594 tezamen bracht?

Of de toovenaressen, [23] waersegsters etc. door haar swerte kunst

ofte schandelijcke oeffeninghe sulck een bijsonder kracht hebben, dat

wanneer zij crucelinckx aen handen ende in het waeter geworpen zijnde,

de selvighe niet ondergaen ende sincken, maer op het waeter drijven:

Dan off hier onder eenighe natuerlijcke oorsaeck verborghen is."

Het strekt de Nederlandsche wetenschap tot eere, dat de heeren

professoren der Leidsche Universiteit alreeds in 't jaar 1594 zulk een

nuchtere uitspraak hebben gegeven, en zich zoo objectief tegenover

't vraagstuk hebben gesteld. Ik voor mij zie in de "nuchterheid"

der autoriteiten en publicisten van oudsher, een nuchterheid, welke

zelfs in den brief des Zutphenschen burgemeesters tot uitdrukking

komt, eigenlijk de reden, waarom hier van buitensporigheden geen

sprake kan zijn. Hebben wij al in de 16e eeuw deze nuchterheid te

constateeren, in de 17e wordt de strijd voortgezet en in 't midden

der 19e eeuw voert M. D. Teenstra in zijn "Volksverhalen en Legenden"

de nuchterheid tot het uiterste, door met alle mystiek te spotten en

al het bovenzinnelijke te betwijfelen. _Zijne_ nuchterheid echter,

die bijvoorbeeld tot onnoemelijk na deel van de Kunst in ons land

heeft gestrekt, is de arme, ongelukkige vrouwen [24] ten goede

gekomen. Een nadeel echter der nuchterheid is, gelijk ik op mijn

tochten heb ondervonden, dat allerlei betweters langzamerhand de

volkspoëzie hebben vermoord. Deze Hollandsche geest heeft altijd

eenigszins vijandig tegenover kunst en kunstenaar gestaan.

Er moet ten opzichte der sage "Het Popje der Heks" nog iets anders

worden opgemerkt. Men zal op bladzijde 59 onderaan, lezen:

"Ineens begonnen buiten katten te blazen en te krijschen en te

jammeren ...."

Dat deze katten in het verhaal voorkomen, is geen wonder. In een

belangrijk percentage der heksensagen speelt de kat een groote rol. Ook

hier is de plaats niet, om de _geschiedenis_ der folklore na te gaan,

teneinde aan te toonen, welke plaats de verandering van mensch in

dier van oudsher in 't volksgeloof heeft ingenomen. [25] Dit hadden

we trouwens reeds eerder bij den weerwolf (manwolf) kunnen doen. Bij

vele heksensagen overheerschte het geloof, dat de heks zich in een kat

verandert; wordt dan de kat bijvoorbeeld door een steen aan den kop

gewond, dan vertoont den volgenden dag het hoofd der heks kwetsuren:

ja, hieraan ziet men dikwijls, dat de vrouw een heks is. Zij kan zich

ook in levenlooze voorwerpen tooveren: een of ander schip wil niet

vertrekken, de knecht wordt woedend, en slaat met den bijl in het hout

... den volgenden dag blijkt het weder, dat een vrouw verwondingen

heeft opgeloopen, welke niet op natuurlijke wijze zijn te verklaren.

In "Het Popje der Heks" leest ge, dat _op een afstand_ een kind wordt

betooverd, en wel geschiedt dit, doordat de tsjoenster in een popje

prikt. Dit staat weder met een eeuwenoud geloof in verband. Kon men

iemand niet rechtstreeks vermoorden, dan pleegde men toovenarij met een

afbeeldsel zijns vijands. Hier vindt men een eigenaardige onlogica,

welke niet dikwijls in dergelijke volksverhalen (die meermalen naïef

zijn, doch volgens strenge logische begrippen worden opgebouwd)

aan te treffen zijn: het popje dient aan den eenen kant, om het kind

(dus een vreemde) te pijnigen, maar als het verbrand wordt, sterft

het kind niet ... doch de heks.

Summa summarum: er zit in deze sage méér dan men oorspronkelijk

zou vermoeden.

DE ROODE HEMDROK (blz. 64-67). Talloos zijn in het Noorden des lands,

de provinciën Drenthe, Friesland en Groningen deze "voorloop"-sagen,

minder in aantal de "naloop." (Wanneer iemand iets ziet, dat nog

gebeuren zal, bijvoorbeeld een brand of een begrafenis, wordt 't

"voorloop" genaamd; komt de een of andere persoon naspoken, zooals

b.v. in de "Plaatsmajoor van Bergen-op-Zoom" of "Mooi-Ann" dan heet 't

"naloop.") Het meest zijn zij op den "voorloop" aangewezen, die met den

helm geboren zijn. 't Beste is, wanneer een kind hiermede geboren is,

den helm tot asch te verbranden, anders behoudt dit zijn leven lang

de gave, steeds ongeluk vooruit te zien, gelijk Cassandra. Sommige

schippers echter probeeren zich van een ongeschonden helm meester

te maken, waarvoor zij een groote som gelds over hebben, daar deze

hun een gelukkige vaart verzekert. Aldus is het geen wonder, dat

volgens 't volksgeloof vele ouders ertoe overgaan den helm van de

hand te doen, waardoor menigeen tot zijn eeuwig ongeluk de gave der

"voorloop" krijgt.

Nu is de sage der "Roode Hemdrok," welke mij in Leeuwarden werd verteld

(zooals dit meer voorkomt, trof ik ze later gedrukt aan, en wel bij

Waling Dijkstra: een teleurstelling in zekere mate) hierom des te

treffender, omdat de vrouw haar eigen doodkist ziet.

Teenstra deelt mede als voorbeelden van voorloop:

"Hier zag men in eene kamer eene doodkist onder de vensterbanken, van

vele menschen in rouwgewaad omgeven, waaronder schreiende en zuchtende

nabestaanden; daar zag men een lijkstaatsie langs den weg passeeren;

ginds een begrafenisfeest aan eene wel voorziene tafel; daar zag men

eenen hevigen brand; daar soldaten, hooge watersnood, die zag een

schip vergaan; daar vertoonde zich een spookgestalte, in lijkgewaad,

op het kerkhof, op welke plaats spoedig iemand moest worden begraven."

En verder:

"De voorverschijningen van brand zijn in Noord-Nederland zeer

algemeen."

Nu heb ik inderdaad zoowel de "koude voorloop" (dood) als de "warme

voorloop" (brand) algemeen in de Noordelijke provinciën aangetroffen

(hierover nader); echter niet de voorloop van watersnood en oorlog,

zelfs niet in 1914. Het kan daarom wel zijn, dat deze "voorloop" heeft

bestaan, en ik verzoek hen, die mij hierover iets kunnen mededeelen,

mij dit te berichten.

Hoe vindt nu zulk een voorloop plaats?

Ge ziet op een eenzamen weg een man staan, die uren lang op

dezelfde plek blijft. Zoo ge u terzijde van hem stelt, zal hij niets

zeggen. Eerst ten leste, als hij op 't punt is, om te vertrekken,

kunt ge hem vragen, welken voorloop hij heeft gehad.

"Ik heb dat huis in brand gezien" of:

"Daar kwam een lijkkoets uit met een zwart (of bruin) en wit

paard" (Waling Dijkstra; in Midwolde en Borger vond ik dezelfde

overlevering). [26]

Een enkel maal grijpt u de man, die den voorloop heeft, bij den arm,

hevig verschrikt roepend:

"Uit den weg--uit den weg--daar komt een begrafenisstoet aan."

En dan duurt 't niet lang, of iemand wordt uit 't huis, waar dit

geschiedt, naar zijn laatste rustplaats gedragen.

In Drenthe is 't op sommige plaatsen eenigszins anders. Daar heeft men

de "koude" en de "warme" voorloop. Zij, die over de gave beschikken,

_zien steeds een woning in brand staan_, als ze 't gezicht hebben (dus

begrafeniskoetsen enz. ontdekken ze niet). Als ze nu de hand leggen op

een muur van 't brandende huis, zal deze koud of warm aanvoelen. Is

de muur koud, dan zal er in de woning iemand sterven. Is ze warm,

dan komt er brand.

Teenstra, die met de Noord-Nederlandsche mystiek vrij-goed op de hoogte

was (hoewel hij er te veel om heeft gelachen, wat waarschijnlijk de

bevolking niet zeer vertrouwelijk ten zijnen opzichte heeft gestemd)

noemt ook nog sagen van het "voorgevoel," welke ik niet in dezen

bundel heb opgenomen. Bijvoorbeeld:

"Iemand wil niet met een bepaald schip vertrekken, daar hij gevoelt,

dat het zal vergaan. Inderdaad gebeurt dit."

Teenstra kent ook nog de "gelijktijdige verschijning" en meldt hiervan

't volgende:

"Zoo gebeurde het ook eens, terwijl ik mij als passagier aan boord

van Z. M. Fregat van Oorlog, de Eurydice, bevond, zijnde in 1827, op

mijne terugreis van Batavia, dat onze kommandant, J. F. C. Wardenburg,

terwijl wij ons beoosten Kaap de Goede Hoop, in de Indische Zee

bevonden, mij des nachts kwam porren (wekken), zeggende niet te

kunnen slapen; op verzoek van den waardigen kolonel opgestaan zijnde,

deed hij mij, onder een sigaartje, verslag (te lang om hier mede

te deelen) wat hij gezien en gehoord had, en of ik nu al beweerde,

dat hij eenen benauwenden droom gehad had, hij beweerde bij kris

en kras, dat hij goed wakker en zeer duidelijk gezien en gehoord,

"dat zijne moeder, wonende in het Oldenburgsche, te Elsfleet aan den

Wezer, op haar doodsbed lag, en zich, stervende aan zijnen jongeren

broeder had beklaagd, dat zij voor haar verscheiden, ook nog niet

haren zoon Johan, indien deze nog leefde (zijnde de kolonel zelf)

had mogen zien, dat enz." In den herfst van dit zelfde jaar kwam de

kommissionair Hendericus Venhuizen, mij te Baflo, waar ik toen woonde,

zeggen, dat er een Heer bij Bulsing, in de doelen, te Groningen,

logeerde, die mij gaarne wenschte te spreken, of ik morgen niet in de

stad zoude kunnen komen; hieraan voldoende, ontmoette ik den kolonel

Wardenburg, die mij, terwijl wij aan het dessert zaten, verhaalde,

dat op denzelfden nacht van het voormelde verschijnsel of voorgevoel,

zijne moeder te Elsfleet overleden was, en aan zijnen broeder bij

herhaling gezegd had, dat zij hem (den kolonel) voor haar sterven

nog zoo gaarne eens weder gezien had, met alle de verdere daarbij

plaats gehad hebbende omstandigheden, zooals hij die aan boord,

in het zuidelijk halfrond gehoord en gezien had."

Met den "voorloop" in verband staat het verschijnsel, dat algemeen

bekend is. Terwijl men b.v. over den weg gaat, denkt men aan iemand,

wiens aanwezigheid men nooit zou kunnen vermoeden; onmiddellijk daarna

ontmoet men de persoon, over wie men zoo juist heeft gepeinsd. Ook

zien sommige menschen lichtjes op plaatsen, waar later huizen worden

gebouwd of een kanaal zal worden gegraven (Borger), of hooren een dof,

ondergrondsch gedreun op de plek, waar later een spoorweg zal worden

aangelegd (Drenthe, Limburg!!!) Verschillende mijner lezers kunnen

waarschijnlijk in hun omgeving de door mij medegedeelde feiten met

andere vermeerderen.

Wat de "voorloop-sagen" betreft, hier doet zich steeds iets zeer

eigenaardigs bij voor. Het geval is in de volksverbeelding of liever

in den volksgeest [27] zóó gesteld, dat er aan de uitkomst der

voorspelling groote moeielijkheden zijn verbonden. Men bemerkt het

in de overlevering van den "rooden hemdrok." In Pietersbierum woont

de vrouw van een dominé, die ziet, dat een man in rooden hemdrok haar

doodskist dichtspijkert. Er woont echter niemand in het dorp, die op

zoo in 't oog vallende wijze gekleed is, en daarom gelooft men haar

niet. Als zich een timmerman, die altijd in een rooden hemdrok over de

straat gaat, in het dorp heeft gevestigd, begint er angst te ontstaan,

dat de voorspelling uit zal komen, en als de vrouw gestorven is,

neemt de predikant zijn maatregelen, dat de kist naar een andere kamer

zal worden vervoerd, dat er geen schroeven op den schoorsteenmantel

liggen, dat niemand een witte doek op de doodkist zal spreiden. En

toch geschiedt het alles, zooals de vrouw gedroomd heeft.

Neem een andere "voorloop-sage," die van Opende (deze is tot dusver

nog niet behandeld):

"Een man wordt 's nachts wakker, en staat op, daar hij niet kan

slapen. Hij begeeft zich naar de deur zijner woning, en staart in 't

donker. Plots ziet hij een lijkkoets over den weg, die heel langzaam

zijns weegs gaat. De man denkt bij zichzelf:

"Dat kan nooit werkelijkheid worden. Nimmer toch wordt er 's nachts

iemand begraven."

Eenige weken later breekt er in Opende een besmettelijke ziekte uit,

die daar en in den omtrek zóóvelen doet sterven, dat men ook's nachts

moet begraven. Op dezelfde plek, waar de man de lijkkoets heeft gezien,

gaat de treurige stoet voorbij."

"Een ander, in Midwolde en in Borger, staat des avonds voor zich uit

te turen, en bemerkt, dat er iemand begraven zal worden, getrokken

door een wit en zwart (bruin) paard. Geen mensch gelooft het. Wie

zal nu ook iemand ter laatste rustplaatse doen leiden ... door een

schimmel gevoerd?

Inderdaad sterft de man, die door den ziener is aangewezen, en men

spant twee zwarte paarden voor den wagen. Het _zal_ niet uitkomen,

wat de profeet gezegd heeft. Maar wat geschiedt er? Een der zwarte

paarden breekt zijn poot, en men moet zich wel met een ander paard

behelpen, dat een schimmel is."

Aldus is er in de voorloop-sagen een huiveringwekkende noodwendigheid

te bespeuren, het zuiverste fatalisme, dat ik ken. Wel is een Macht

achter alle feiten, doch deze is naamloos en genadeloos.

WESTERSCHOUWEN, WESTERSCHOUWEN, HET ZAL U BEROUWEN (blz. 67-71). Wordt

in vele sagenboeken aangetroffen. De overlevering is zóó algemeen

bekend, dat men niet kan nagaan, of ze inderdaad nog "leeft" of niet.

Merkwaardig is het, dat hier zoowel een zeemeerman als een zeemeermin

een rol in spelen. De wijze, waarop de verzanding van Westerschouwen

verklaard wordt, is zuiver-legendarisch.

Schrijnen zegt: "de watergeesten bij uitstek zijn wel de nixen

en meerminnen. Zij bezitten de proteusnatuur en de gave der

voorspelling. Want men 's avonds langs het water, dan hoort men veelal

haar stem. Vaak ook weerklinkt haar verlokkend gezang in het stille

van den nacht en trachten zij de menschen in 't verderf te storten."

In 1892 heeft men nog volgens mededeeling van visschers te Southside,

Deernes, op het Schotsche eiland Orkney een meermin gezien, 6 à 7

voeten lang, met zwart hoofd, overigens wit.

Dit is een der zeemeerminnen van den modernen tijd. Of ze nog in het

Nederlandsch volksgeloof bestaan, heb ik niet kunnen constateeren. Het

schijnt mij onwaarschijnlijk.

DE ZEEMEERMINNEN VAN EDAM (blz. 71-73). In de groote kerk te Edam op

een der beschilderde glazen achter den preekstoel is een zeemeermin

afgebeeld; terwijl de Purmerpoort aldaar een konterfeitsel vertoonde

van het "groene wijf" met dit bijschrift:

Dit beeld hier opgericht tot een gedachtenis

Wat in het Purmer-meyr voorheen gevangen is.

Anno 1403.

(Schrijnen, Nederlandsche Volkskunde).

Vgl. Soeterboom, Soetstemmende Zwaane van Waterland.

DE ZEEMEERMIN VAN MUIDEN (blz. 73). ERASMUS (standbeeld)

blz. 73. Bekende sagen, door Prudens van Duyse medegedeeld.

KAÏN (blz. 74-82). Algemeen bekende overlevering, reeds door Wolf

behandeld, ook door Welters, Limburgsche Legenden. Ik hoop, dat de

vorm, waarin ik ze hoorde, door velen op prijs gesteld zal worden. Wolf

was er trouwens, helaas! de man niet naar, om een dergelijk mooi

verhaal goed weer te geven.

HET HEILIG HOUT VAN DORDRECHT (blz. 83-87).

MARIA, HET VENSTER (blz. 87-89).

BRAMMERT EN ELLERT (blz. 89-95). Geen der sagen van Nederland leeft

wellicht zóó voort als deze. Hier is 't een jong meisje, dat door de

beide roovers wordt gevangen gehouden, en dat ten laatste Brammert

(of Ellert) met eet scheermes 't hoofd afsnijdt; ze wordt dan door den

overledene nagezeten, die haar, op de wijze der witte wiven, een bijl

nasmijt, welke tegen de deur aankomt. Zij is gered! Ook hoort men,

dat ze Ellert lief krijgt, en dat ze door Brammert wordt vermoord,

of dat ze Brammert liefkrijgt en door Ellert vermoord wordt (hierom

moet Ellert rondspoken, tot aan den jongsten dag op de Drentsche

heide; de kleine kinderen worden bang voor hem gemaakt, zooals wij

in onze jeugd voor den boeman of een politie-agent). De klokken, die

aan touwen worden gebonden, om de roovers te waarschuwen, vindt men

echter steevast terug (vgl. 't aardig werkje: J. van der Veen, Nieuw

Drentsch Mozaïek); trouwens deze klokken komen ook in verschillende

Limburgsche verhalen voor (ook in andere provinciën?); reuzen-sagen

vindt men natuurlijk overal. In 1913 is nog in Hilligersberg een

feest geweest met optocht, waarbij ook nog een Reuzendochter in den

praalwagen heeft plaats genomen (de Hillegaertsberg bij Rotterdam is

volgens overlevering ontstaan door 't zand, dat de reuzin Hildegaerde

uit haar voorschoot heeft laten vallen). Ook vertelt de Wall Perné

een aardig reuzen-verhaal.

Natuurlijk, dat op de Veluwe verschillende heuvels door reuzen

zijn gebouwd--zooals in verschillende andere deelen van Gelderland

(Hoenderberg bij Nijmegen). Op 't Ellertsveld komen meerdere

reuzen-verhalen voor. De duivel stelt men zich voor als een gigant,

die op een heuvel woont (de Papenlooze Kerk).

In 't programma der feesten te Hilligersberg heeft men een lied aan

de reuzin gewijd, dat aldus begint:

"Toen Hillegond, een reuzemaagd,

Van Hollands duinenrand,

Onschuldig werd van huis gejaagd,

Nam zij haar schoot vol zand.

Zij zocht een plaats voor 't souvenir,

Van haren dierbren grond,

En 't lieve meisje stichtte hier

Den berg van Hillegond."

Dat de reuzen nog in talrijke volks-sprookjes leven, evenals

de kabouters, spreekt wel vanzelf. De toekomstige schrijver der

"Nederlandsche Sprookjes" zal er misschien verscheidene kunnen

opdiepen!!

ZOMERSNEEUW (blz. 95-101). Steffens zegt in zijn Geschiedenis der

aloude heerlijkheid ter Horst (vgl. "Limburg" XX, 3e afl.): "In Horst

geschiedde de rechtspleging onder eene eeuwenoude linde op den voorhof

van den burcht."

Het gedicht, dat in dit boek is aangehaald, en dat door den volksgeest

is gedicht, vinden we gedeeltelijk in 't dialect van Canne opgenomen

in dezelfde aflevering van Limburg. 't Begint aldus:

"Kint geer in Canne deen auwe lin, dee tegen

De berg, kort aon 't klein kapelke steit,

Zen blajerkroen, die is zoe dîk, dat rege

Noch zonneschijn, noch wint terdoor en geit."

Mooi klinkt vooral--en als ge in de buurt van Canne komt, moet ge

het door een inwoner eens laten zeggen!:

"Zoe min es 't noe in zomerhits kaan snieë

En 't nach kaan zijn in volle dageschijn,

Zoe min mag geer gebruuk en wet versmieë

En zal dees vrouw zich vrijgesproke zien."

MIRJAM, SAGE UIT DEN ACHTERHOEK (blz. 101-106). Wie zal zeggen, of deze

sage, van welke ik een achttal jaren geleden nog maar enkele resten

aantrof, niet meer een historisch feit is dan wel een overlevering,

en of de geschiedenis zich in den tijd van den Zwarten Dood niet

ergens in den Achterhoek werkelijk heeft afgespeeld?

Wanneer ik in 1912 had geweten, dat de heer H. J. Westerling in "De

Gids" een artikel wilde publiceeren over de vroegste geschiedenis der

Joden in Nederland ("Een Bijdrage tot de vroegste geschiedenis der

Joden in Nederland," De Gids 1912, IV blz. 512), hadde ik voorzeker

zijn artikel kunnen completeeren. Onder de plaatsen, welke de heer

Westerling als verblijfplaats in het beruchte jaar 1349 voor de Joden

op kan geven, behoort Ruurloo niet. Wel werden toen de Zwolsche

Joden "ad majorem Dei gloriam" (of hier heerschte de amor Dei)

doodgeslagen. Geheel uit liefde tot God, vertaalt de heer Westerling,

die verder uit een Joodsch gebedenboek, in de 14e eeuw geschreven,

aanhaalt de volgende plaatsen, waar in 1349 tijdens den Zwarten Dood

gemoord werd:

Nijmegen, Arnhem, Zutfen, Deventer, Zwolle, Utrecht, Keppel en

Broek aan den Ouden IJsel. Men merkt het, dat het meest plaatsen

zijn in het Oosten van ons land gelegen, waarvan verschillende in den

Achterhoek. Dat de Jodenmoord in Keppel bijvoorbeeld later naar Ruurloo

door 't verhaal werd verplaatst, zou ons niet behoeven te verwonderen,

en dat hier dan legendarische bijzonderheden aan werden verbonden,

is bijna natuurlijk. Dat de Joden de bronnen hadden vergiftigd, om den

Zwarten Dood te doen binnenrijden, was een algemeen-verbreide meening,

waarom duizenden Hebreeërs zijn vermoord.

De heer Westerling o.a. schrijft ook hierover en vermeldt:

Arn. van Bevergerne daarentegen zegt uitdrukkelijk, dat de Joden dood

geslagen werden, omdat men hun de schuld gaf van de verschrikkelijke

pestziekte de Zwarte Dood, die reeds een paar jaren Europa teisterde

en toen deze streken bereikte."

"Do was over alle de werlt ein al te groeten sterfte, also dat de

eyne den anderen kume begraven kunde, ofte dat d' ene daer by den

anderen niet blijven kunde in syn lesten omme de overvloedicheyt der

siekede. Ende hieromme werden aller wegen de Joden gedodet, want men

gaff eher de schult der siekede."

DE GEVANGEN WOLK (blz. 106-111). Toen ik deze sage voor 't eerst

hoorde, en ze naast Mirjam legde, werd het mij eenigszins zonderling

te moede. Was het wel dezelfde Zwarte Dood, welke in Ruurloo een

zoo lugubere, in den Enscheder Esch een zoo liefelijke, onschuldige

overlevering deed ontstaan? In den Enscheder Esch van Joden en

bronnenvergiftiging geen sprake--van de boetegangers, die zichzelf en

anderen geeselden, kan zelfs niet gerept worden. Een "Nederlandscher"

sage dan deze zal moeielijk te vinden zijn, en in dezen zin neemt ze

naast "Kabouterwraak" zeker een eervolle plaats in.

De auteur van 't gedicht wordt door den heer J. J. van Deinse,

den Twentschen volkskundige, niet vermeld, en dit is jammer. Het

doet mij onderwijl genoegen, dat ik hiertoe thans in staat ben:

de auteurs van dit gedicht zijn mejuffrouw C. Elderink en de heer

J. J. van Deinse. 't Zal meerderen belang inboezemen.

Ik haal er in de "Aanteekeningen" nog een deel van aan.

"Eeuwen al zint der vuurbij egoan,

Seent doar den Hölterhof hef estaon,

Meer van vader op zön, van moond tot moond

Geet doar bi'j de boeren de mare roond

Hoe doar vervöl in puun en stof,

De stèrke geslacht en den Hölterhof .... "

DE GIERIGE MULDER (blz. 111-116). Bekende sage.

DUIF EN DOFFER (blz. 116-122). Zie ook Limburg XX, 3e

aflevering. Beroemde overlevering, d.w.z. zij behoort beroemd te

zijn. Ik hoop hiertoe een weinig bij te kunnen dragen.

EMMA VAN HAARLEM (blz. 122-125). Vele steden (die Weiber von Weinsberg)

bestrijden elkaar deze sage.

ELEONORA'S POLL (blz. 125-130).

DE KAMPER RAADSLIEDEN (blz. 130-132). Één der Kamper uien. Ik meende

deze ook als "voorbeeld" in dezen bundel op te nemen.

DE WEERTER ROGSTEKERS (blz. 132-137). Legio is het aantal namen,

dat den bewoners van verschillende steden wordt geschonken: "Weerter

Rogstekers," "Deventer stokvisch," "Zutphensche wind," "Leeuwarder

galgelappers," "Amsterdamsche koeketers," "Haarlemsche muggen,"

"Makkumsche strandroovers," "Franeker klokkedieven," "Winsumsche

Spinzakken," "Asser biggen," "Bornsche meelvreters."

Aan een der Kamper uien (zie vgd.) ligt de Kampensche naam "Kamper

steur" ten grondslag.

Verder: "Texelsche kwallen," "Hoornsche krentebollen," "Zaamslagsche

strooplikkers," "Dordrechtsche schapedieven," "Zaandijksche

krentekakkers."

Van "Haagsche bluffers" hebt ge algemeen gehoord, en de "Werkendamsche

brijbroeken" genieten ook eenige reputatie.

In de verklaring dezer namen liggen verschillende verhalen ten

grondslag.

Door een onbekenden X is een gedicht op de Weerter rogstekers

geschreven. Hieraan is 't volgende ontleend:

Te Weert had nog niemand de peluw verlaten,

Toen knakkend de kar ging de straat op en neer,

De hoef van de paarden reeds klonk door de straten.

Ineens ploft de rog uit de hotsende kar.

En ligt als een ongedierte achter den wagen.

Zijn vaalzwart, maar flikkerend oog als een star,

Is zeker een teeken van onheil en plagen.

Weldra komt een aaklig, naar galmend geschreeuw

De rust der ontwakende Weertenaars storen ...."

De aanval op den rog wordt op geestige wijze aldus geteekend:

"Jan, steek!" riep een vrouw, die het venster uitkeek.

"Als gij uw Jan," zei de andre, "'t gevaar zoo zaagt tergen

Als mijn Jan, dan zoudt ge niet zeggen: Jan steek!

Dan zoudt ge geen zekeren dood voor hem vergen."

En het roepen der landlieden:

"Alarm slaat nu 't doffe gerommel der trom,

Verspreidt de verwondering door de gehuchten,

Die allen in roer zijn: het klokkengebrom

Doet ijslijk de loopende landlieden zuchten.

Zij stroomen met hoopen door 't veld; als een wolk,

Zoo worden zij zwart door de straten gedreven,

En dringen vooruit door het krielende volk,

En vragen: "Wat is er. Wat wil toch dat leven?"

't Onheil, dat de rog heeft aangericht:

"'t Heeft in Hamont drie menschen verscheurd,

Vandaar is het pijlsnel op Budel gevlogen,

Daar viel ook dit lot aan een koopman te beurt,

Men randde het aan en 't verdween uit hun oogen."

"Het heeft," zegt weer deze, "met ijslijk gehuil

In 't vliegen een driejarig kind opgenomen,

Met 't schreeuwende wicht in zijn bloedigen muil

Vloog 't heen als een wind, over huizen en boomen."

KABOUTERWRAAK (blz. 137-149). Wanneer hier niet bij was vermeld, dat

de Drentsche boerenjongen, dien ik Hilbert heb gedoopt, 't eerst over

het Ellertsveld was gegaan (het Ellertsveld, dat zoo vol is van sagen

en verhalen) en daarna (zie bladzijde 145) voor de Gietensche herberg

stil had gehouden, dan had ik waarlijk geaarzeld, of ik dit verhaal bij

de "sagen" wel had opgenomen. Want het vertoont vele sprookjesachtige

motieven, en één deel van Schrijnen's definitie over 't sprookje is

hier aanwezig: "het is een volstrekt-fantastisch volksverhaal ...,"

doch 't andere deel: "zonder beperking van plaats, persoon of tijd,"

kunnen wij niet aantreffen.

Men zal onder de sagen, welke in dit boek voorkomen, er nauwelijks

één kunnen vinden, welke zoo onmiddellijk uit den "volksgeest" is

ontstaan. Het ontmoeten van Hilbert en Japikje; hun vrijage; haar

weigering, om iets met hem te eten; haar wreed uitstel; 't avontuur

der beide jongelingen uit 't Zuiden; zijn gang over het Ellertsveid,

waarbij hij niet zijn beste pak aantrekt .... Ook de flesch jenever,

die hij bij zich steekt heeft haar gezonde bestaansreden.

Immers, waar in verschillende deelen van ons vaderland (Achterhoek

b.v.) een jongen, die naar een meisje uit een vreemde buurtschap

vrijt, dikwijls groote kans loopt door de plaatsgenooten van 't

meisje te worden afgeranseld, weet de Drentsche jongeling veelal

een dergelijk avontuur te ontgaan, door de "eigenaars" op jenever te

tracteeren. Inderdaad: eigenaars. Niemand heeft het recht, zich met

haar te bemoeien, zonder hun toestemming.

De flesch jenever, die Hilbert met zich mede-neemt, is in het

oorspronkelijk verhaal dan ook niet voor hem-zelf bestemd, doch om

"'t wicht in het Noorden" te koopen. Eerst, als hij de kabouters

ontmoet, begint hij te tracteeren, daar hij anders niet weet, hoe

hij de guurkes voorbij moet komen.

De volkshumor is deze belangwekkende lezing geestiger gaan maken,

en dus tijgt Hilbert ter vrijage met een stuk "schinken" in de eene,

en een flesch jenever in den anderen zak. Telkens neemt hij een beet en

een slok, wat tengevolge heeft, dat de drank al flink is aangesproken,

wanneer hij bij de kabouters aankomt.

Als Schrijnen zegt van "de sproke":

"Zij heeft óók een nationaal karakter en voegt zich geheel in het

koloriet der vertelling en in de karakteriseering der personen naar

de zeden en gewoonten van het land, waarin zij leeft," dan zal men,

na het bovenstaande te hebben gelezen, nog meer mijn aarzeling

begrijpen, of dit verhaal niet geheel en al bij de sprookjes is te

rangschikken. Nu wordt het sprookje anders verteld als de sage, gelijk

ieder weet, die beide vormen onder "'t volk" heeft bestudeerd. Zoo ge

de moeite zult nemen, om het register achter in 't boek nauwlettend

te bekijken, dan zult ge bevinden, hoe de meeste overleveringen een

deugd of een ondeugd beschouwen, tenzij in de "liefde"-sagen, en de

"heksen"-sagen. Het sprookje daarentegen is de vertelling zonder

moraal, en eindigt dus bijvoorbeeld met de woorden:

"En toen kwam er een varken met een langen snuit

En toen was het vertelseltje uit,"

een slot, waarmede kinderen en de groote menschen, die dikwijls als

kleine kinderen zijn, volkomen genoegen nemen. Men begrijpt dus,

dat voor 't wedervertellen van sprookjes (Boekenoogen, Dijkstra,

Pol de Mont, de Cock) een afzonderlijk talent noodig is, omdat men

met schrale woordkeus groote effecten moet bereiken.

De "Kabouterwraak," welke laten we zeggen voor de helft sage is, voor

de helft sprookje, bood dus zeer eigenaardige moeilijkheden. Ik heb

getracht, deze zoo goed mogelijk te overwinnen, en de scheikundige

regel: "in een mengsel behouden de stoffen onveranderd haar

eigenschappen" ook hier stelselmatig toe te passen.

HET VROUWENZAND (blz. 149-154). Hier zij in de eerste plaats verwezen

naar de Aanteekening op "Het Vrouwtje van Stavoren." In 't werk

"Oud en Nieuw" Nederlandsche Legenden door J. J. van der Horst

(Leiden J. W. van Leeuwen 1887) is de sage opgenomen onder den titel

"Richbertha van Stavoren." Hier vindt gij, dat een vreemdeling, een

wijze oosterling, de rijke weduwe bezoekt, en, nadat hij bij haar

een rijk gastmaal heeft genoten, zegt:

"Eene zaak verwondert mij bovenmate: ik mis hier ééne spijs, die

het beste, het edelste, het kostbaarste is van alles, wat de aarde

den mensch voortbrengt." Ge ziet dus den schatmeester der weduwe op

reis gaan, om dit kostbaarste te vinden, en dan leest ge, dat op

zijn schip gebrek aan brood komt. Landt hij nu in een stad aan de

Baltische zeekust, dan weet hij, dat de tarwe het kostbaarste van

alles is. Bij zijn terugkomst, beveelt ook hier de weduwe, het graan

in zee te werpen, waaraan morrend en vloekend wordt voldaan. _Ook de

bevolking van Slavoren verzet zich hier tegen haar bevel_. Vooral dit

laatste dient onze bijzondere aandacht te trekken, en 't komt ook wel

overeen met de houding van het volk in "Het Vrouwtje van Stavoren"

(blz. 6).

Het "ring-motief" wordt door den heer van der Horst tegelijkertijd

in deze sage verwerkt, en wel als volgt (_nadat de tarwe in zee

is geworpen_):

"Toen stond daar eensklaps de onbekende vreemdeling in oostersch

gewaad vlak tegenover haar en sprak plechtig:

"Gij ziet, dat ik woord houd. Uw schatmeester heeft in waarheid,

door God zelven verlicht, het kostbaarste, het edelste, het nuttigste

voortbrengsel der aarde u aangevoerd, en gij versmaadt en verwerpt het

in dollen overmoed. Weet, o vrouwe Richtbertha! dat God rechtvaardig

en almachtig is. Eens zult gij gebrek lijden aan hetgeen gij thans

met zooveel verachting in zee werpt ...."

Een helle schaterlach klonk krijschend over de hoofden der

omstanders. De trotsche weduwe wierp het hoofd in den nek en gilde:

"Wie zijt gij, vermetele vreemdeling, om mij te durven hoonen? Zou ik

ooit gebrek kunnen lijden? Neen, gij zult mij niet ten tweeden male

bedriegen! Ziehier mijn kostbaarsten ring van juweelen: eer brengt

de zee mij dezen ring terug, eer ik gebrek zal hebben aan één korrel

graan!" En met deze woorden slingerde zij het prachtig juweel in zee.

Vol bitterheid in de ziel, maar, zoo mogelijk, nog trotscher dan

tevoren, betrad zij hare marmeren woning, gevolgd door de verwensching

en vervloeking van schepelingen en armen.

"God is rechtvaardig!" had de geheimzinnige vreemdeling haar

gewaarschuwd, en zijne bedreiging werd op vreeselijke wijze

vervuld. Slechts weinige dagen daarna zat Richbertha aan den maaltijd

en werd eensklaps bleek als een doode: bevend en sidderend staarde

zij op het stuk zeevisch, dat zij voor zich had, want daarin werd de

weggeworpen juweelen ring haar teruggegeven.

Van dat oogenblik dagteekent Richbertha's ongeluk en het verval van

Stavoren ....

Een bladzijde later vinden wij het ontstaan van het wonderkoren

beschreven, en dus zien wij hier, dat drie lezingen in één zijn

gevlochten, en wel zeer gelukkig gecombineerd.

Wolf geeft in zijn "Niederländische Sagen" twee afzonderlijke lezingen,

zonder eenige toespeling echter op den ring. _In de eerste lezing zin

alle bewoners van Slavoren overmoedige lieden_, en de vrouwe geeft haar

schipper bepaald bevel, om koren te halen, daar de graanprijzen zeer

hoog zijn. Het tweede verhaal stemt meer overeen met het in dit boek

behandelde. De geschiedenis van den ring treffen wij bij Wolf niet aan.

Nu is het slechts zelden, dat een sage onlogisch is. Leest men

bijvoorbeeld "Westerschouwen, Westerschouwen," dan wordt de gansche

plaats gestraft, omdat haar inwoners gezamenlijk overmoedig zijn en

zonder medelijden. In "Straffe Gods" wordt alleen de onbarmhartige

vrouw gestraft; Gerard de slechte heer, de gierige mulder, zij

worden ten verderve gevoerd, en niet hun omgeving. Een sage is maar

niet zoo onlogisch, en waar zij de vloek, die over een streek wordt

uitgesproken, verklaart, daar schakelt ze, als 't noodlot zelve,

feit aan feit aaneen, zoodat wij geneigd zijn te zeggen:

"Zoo--en zoo niet anders--is het gebeurd." De verteller der sage

heeft als eerste plicht deze fataliteit te gevoelen en te handhaven.

DE RIDDER VAN STENHUISHEERD (blz. 154-160). Geen bijzondere

opmerkingen.

DOODENDROOM (blz. 160-167). De lezer behoeft niet te denken, dat

de spelling "Engelland" aan een drukfout is te wijten, of mij is

ingegeven door van Eeden-iaansche motieven. Waarlijk rust deze

sage op 't geloof, dat in Engel(l)and, aan de overzijde de zee, de

schimmen der dooden (engelen) rusten, en dat de veerman des Doods

de moderne Styx oversteekt met de nevelen aan boord. Dat de dooden

pijn kunnen gevoelen door de schuld der levenden, komt voor in menig

spookverhaal: bijvoorbeeld ook bij de juffrouw zonder kop, die bij Echt

rondwaart. Hier zou zij verlost kunnen worden, als de boerenjongen

de schat vindt ... waar hij niet in slaagt. In Dokkum wordt verteld

(deze sage is niet in den bundel opgenomen), dat in een huis een geest

rond moet waren, tot een schat is opgespoord, waaraan hij tijdens zijn

leven niet kon komen. Als de kwelling ophoudt, vindt de geest rust.

In Oscar Wilde's "The Ballad of Reading Gaol" wordt de pijn der dooden

alsvolgt verklaard:

"For he who sins a second time

Wakes a dead soul to pain

And draws it from its spotted shroud

And makes it bleed again,

And makes it bleed great gouts of blood

And makes it bleed in vain."

Het spoken van het doode kindje bij zijn moeder, die om hem weent,

daar het door haar tranen geen rust kan vinden, is wel-bekend. Eerst

keert het tot vrede weder in, als de moeder niet meer schreit.

Ook "Doodendroom" vertoont sprookjes-achtige motieven. Er is bijna

geen plaatsaanduiding ("Walcheren" is een veel algemeener begrip

natuurlijk dan bijvoorbeeld Westerschouwen); toch kon ik er niet toe

besluiten het verhaal als sprookje te behandelen.

MOOI-ANN VAN VELP (blz. 167-178). Een echt voorbeeld van den

"naloop" (zie Aanteekeningen bij "De Roode Hemdrok"). De sage wordt

verschillend verteld; de één zegt: "de jonker van Biljoen" en de ander:

"de jonker bij Biljoen." Tijdens de correctie heb ik nog geaarzeld,

welke lezing ik zou volgen, doch de vage uitdrukking "bij" trok mij,

om de samenstelling van het verhaal, nog 't meeste aan. Wonderlijk is,

dat mooi-Ann zich niet op den jonker zelf wreekt, deze blijft na haar

dood even gezien als hij vroeger was, en ook "'t oud karonje van een

meid" leeft volkomen onbezorgd verder. Ik vermoed, dat er vijftigjaar

geleden wel andere lezingen over hebben bestaan, doch dat deze zijn

uitgestorven. Er zullen waarschijnlijk wel manuscripten of gedrukte

gedichten van diverse anonyme schrijvers over bewaard zijn gebleven,

welke men mij niet heeft toegezonden tot dusver.

Natuurlijk is 't niet onlogisch, dat mooi-Ann zich op "de mannen"

wreekt, doch de volksgeest wenscht in dergelijke gevallen de

meest-bloeddorstige wraak, en de jonker benevens 't oud karonje

dienden eigenlijk een zwaren dood te sneven.

DE VERBORGEN SCHAT (blz. 178-182). Niet alleen bij Welters, maar op

tal van plaatsen (Mookerheide, Veluwe) komen verhalen van verborgen

schatten voor, bij welker opgraving niet mag worden gesproken. Vele

spookverhalen hebben uit den aard der zaak een verborgen schat

ten grondslag. Hier wordt een interessant geval van naloop met een

verborgen schat in verbinding gebracht.

Men merkt het, dat de geest op Woensdag en Vrijdag het gevaarlijkst

wordt geacht; waarom de beide boerejongens op Dinsdag moeten graven,

is mij niet duidelijk.

WAAROM DE REUZEN IN LIMBURG ZIJN UITGESTORVEN (blz. 182-187). Zie

Aanteekeningen Brammert en Ellert.

DE STILLE RONDE VAN BERGEN-OP-ZOOM (blz. 178-196). Een onzer zeldzame

soldaten-sagen, tegelijkertijd "naloop." Waarschijnlijk ligt hieraan

waarheid ten grondslag, misschien een treffender dan in dit verhaal

tot uitdrukking komt.

Het wil mij namelijk voorkomen, dat de "plaatsmajoor" van de

werkelijkheid niet een veel hoogeren rang dan zijn zoon bekleed heeft,

die tot de gewone soldaten moet gerekend worden. Dat hij, de vaandrig,

zich in plaats van den schildwacht zou hebben gesteld--lijkt mij

onwaarschijnlijk. Dat de schildwacht zich in werkelijkheid zou laten

overhalen ... het is bijkans onmogelijk te achten.

Maar deze wijze van bespreken heeft inderdaad iets wreeds. Natuurlijk

is er menige sage, waarin de waarheid verborgen is. Misdaad en

berouw zijn dikwijls de grondslagen, vooral, wanneer het begane

feit niet door den rechter is gestraft, zoekt "het volk" de wraak

op deze wijze, d.w.z. de zwerver of de liedjeszanger (soms ook een

derde-rangs-poeët als de dichter van het vers, waarmede ik de sage

doe aanvangen) voeren het verder, en ten laatste, men weet niet hoe,

is sage geworden, wat in diepen grond waarheid was. Dergelijke sagen

onderscheid ik gaarne van de zuiver-fantastische, waarin allerlei

waanfiguren den dans uitvoeren. Verbeeld ik 't me, dat de menschen,

die deze histories vertellen, ook in hun aard verschillend zijn van

de overige? Ik heb althans getracht ook de wijze van behandeling dezer

"waarheids"-sagen anders te doen zijn dan de door het volk verdichte,

en ze vooral den klank der werkelijkheid te laten behouden, zooveel

dit doenlijk is.

DE WITTE WIVE VAN LOCHEM (blz. 196-208). Een "witte wive" als hulp voor

twee verliefde jongelui! De "witte wive" van Lochem, de meesteres van

alle witte witte op de Veluwe, Salland, den Achterhoek, de Twenthe,

is hier wel eenigzins gefatsoeneerd. De sage is ontegenzeggelijk

belangrijk, als zou 't alleen maar zijn om den leuken boerschen humor

op blz. 197, waar Herbert's ouders een proces winnen ... waarmede

ze hun spaarpenningen verliezen. Toch is de karakterteekening nog te

scherp, om niet aan geleerde invloeden te doen denken. Ook het feit,

dat den kinderen geen kwaad wordt gedaan, is eenigszins-vreemd. Zoo

zoetelijk zijn de witte wiven gemeenlijk niet (zie ook de "Witte Wiven

van Tubbergen" in dezen bundel, blz. 210; De "Witte Wive van Espeloo"

in "Overijselsche Sagen," door mij geschreven; de "Witte Juffers" in

't Noorden zijn schrikaanjagende gestalten). Echter zijn er ook wel

"witte wiven" als de Lochemsche, zooals b.v. de Witte Juffer van

Hoog Soeren.

Over den oorsprong der "witte wiven" of "witte juffers" zijn velerlei

beschouwingen geschreven, alreeds door Picardt, en hier wordt dan

ook alle mogelijke kwaad van haar verteld. Schotel deelt mede dat

zij volgens sommigen dezelfden zijn als de Alven of Elven, waarvan

zoo vele sagen bestaan, en waarna eenige plaatsen genoemd worden,

doch anderen betwijfelen zulks. Evenals goede en kwade engelen zijn er

goede en kwade Alven. De laatsten, zwarte en donkere Alven geheeten,

zijn klein, mismaakt, kwaadaardig, duivelachtig, vijanden der menschen

en van het Christendom, het daglicht schuwende en bij nachtwerkende.

Maar ... de witte wiven van Tubbergen, die toch zeker tot de kwaden

gerekend worden, zijn: 1°. niet zwart, 2°. niet klein en mismaakt,

3°. schuwen zij het daglicht niet. Ook de witte wiven van Vriezenveen

kunnen uit de beschrijving van Schrijnen (Nederlandsche Volkskunde I,

blz. 67) geen liefelijken indruk op ons maken.

Waar ik over witte wiven heb hooren spreken, was het bijna steeds met

een gevoel van angst, sterker: ondragelijke afschuw. Daarom is mij de

figuur der Lochemsche witte wive wel een weinig vreemd en--ware zij

minderbelangrijk geweest--deze objectieve tegenzin hadde mij ertoe

geleid, ze te verzwijgen.

HET ONTSTAANDER NAMEN VAN VERSCHILLENDE HOLLANDSCHE PLAATSEN. Haarlem

met de Bakenessergracht, Deventer, Markeloo, Zandeweer, Domburg

(blz. 208-210). Evenals "Hoe Eenrum, Mensingeweer, Obergum en Winsum

een naam kregen" een uiting van den volkshumor.

DE WITTE WIVEN VAN TUBBERGEN (blz. 210-219). Verhaal meteen

allegorische beteekenis. Zie voor aanteekeningen op de "Witte Wiven"

aanteekeningen hierboven.

WONDERLIJKE AVONTUREN VAN DEN RIDDER MET DEN ZWAAN

(blz. 219-244). Schotel verwijlt lang bij dit verhaal, "wijl zijn

geschiedenis uitsluitend een vaderlandsche legende ten grondslag

heeft."

"Noch in het Zuiden van Frankrijk, noch in het Oosten, Griekenland

of Rome (gelijk sommigen beweerden), maar in Frankenland moet het

verhaal onzer sage gezocht worden. In het gebied der Merovaeussen,

Chilperikken, Lothariussen, en wel in dat gedeelte van hun gebied,

dat zich van den Rijn tot aan de Schelde uitstrekt, stond haar wieg

en bakermat."

Reeds het feit, dat de ridder met den zwaan in Nijmegen aan-komt, is

voor ons een aanwijzing, dat wij dit oud verhaal, dat door Wagner's

opera een wijde vermaardheid heeft verkregen, in den bundel behooren

op te nemen al plaatst mr. L. Ph. C. van den Bergh zijn oorsprong in

het Noordelijk Frankrijk. [28]

DE SCHELPENGROT OP NIENOORT (blz. 244-252). Levende sage.

VAN EENEN RIDDER (blz. 252-255), met

VAN EENEN KOSTER EN EENE KOSTERIN (blz. 255-259), behoorende tot

de Maria-legenden.

Men zal tegen mij opwerpen, dat hier niet de "Beatrijs" is gekozen,

doch na de bewerking van Boutens was er natuurlijke aarzeling bij mij,

om bij de poëtische wedergave nog een in proza te voegen.

Daarbij kwam nog de eigenaardige omstandigheid, dat er nog een sage

onder ons volk leeft, welke met de legende van Beatrijs overeenkomst

vertoont en wel de hier behandelde sage van

DE BERGTOREN VAN DEVENTER (blz. 260-265).

EEN SCHOONE HISTORIE VAN DE VIER HEEMSKINDEREN (blz. 265-275). Uit

den Fabelkring van Karel den Groote. Wellicht een der meest-geliefde

romans in de 15e, 16e eeuw, ja later nog zette zich de liefde van ons

volk voor de vier Aymijns kinderen op hun ros Beyaert voort, en de

Montelbaens-toren te Amsterdam zal eeuwig een heugenis blijven van

den invloed dezer sage. Terwijl alle andere Arthur- en Karel-romans

reeds tot de vergetelheid behoorden, en sergeant-majooor van Altena

b.v. in 1812 zeer verbaasd was, toen hij in verschillende Duitsche

plaatsen van zekeren Roland hoorde vertellen, was in 't begin der

19e eeuw de sage der Heemskinderen nog levend in ons volk.

J. A. Alberdingk Thym zegt van dit verhaal:

"De Nederlanders hebben de Heemskinderen bemind met eene trouwe,

met eene ridderlijke, met eene Middeleeuwsche liefde, en niet

alleen, toen zij aan de hoven der Vorsten, op de hooge burchten

der Baanrotsen verkeerden, toen zij door dichters werden ingeleid,

die slechts bij uitzondering de gouden sporen ontspanden, om de

feestzaal te betreden, dichters, wien de harp in handen blonk,

al dekte de hertogsgroet of gravenwrong hun kruin: neen, ook toen

de Heemskinderen, als kermisgasten in roode en gele lompen gekleed,

door den modder onzer pleinen en bruggen gevoerd, bij het orgel van

een straatmuzikant hun armen ouden Beyaert kunsten moesten afdwingen

nog toen bleef de liefdes des volks volstandig, nog toen beminden

zij die eenmaal zoo fiere jongelingen op hun heldhaftig paard."

En nu--in 't begin der 19e eeuw verschijnt er dus weder een verkorte

uitgave van de lotgevallen der vier broeders, een uitgave, welke

eindigt met den dood van Beyaert. Want het is vooral de dood van

Beyaert, die de "Vier Heemskinderen" zoo dramatisch maakt: 't is het

leed om een stervend paard, dat wij met de middeleeuwsche menschen

begrijpen. Niet de vele avonturen der ridders kunnen wij zoozeer

waardeeren, maar wel hebben wij Adelaert lief als een broeder,

wanneer hij uitroept:

"Beyaert! Beyaert! een valschen heer hebt gij gediend en met slecht

loon wordt gij betaald."

Dit tooneel alleen zal de wensch van Wolf en Deken dat er "iemand,

niet misdeelt van aardig vernuft, onder ons zou opstaan, die een geheel

nieuwe Uitgaaf bezorgde van de schoone historie der Vier Heemskinderen"

voor alle geslachten, al leven zij duizend jaar na ons, weder bij

verschillende doen opkomen. Hier hebt ge dan een twintigeeuwsche

bewerking, om de "Vier Heemskinderen" weder populair te maken voor

dezen tijd. Aldus zal deze oude sage [29] steeds nieuw blijven.

FERGUUT, RIDDERROMAN UIT DEN FABELKRING VAN DE RONDE TAFEL

(blz. 275-311). In 1908 verscheen de laatste Hollandsche Uitgave van de

Ferguut, en wel van dr. Eelco Verwijs, opnieuw bewerkt en uitgegeven

door dr. Verdam. Door mij is tevens geraadpleegd het werk van

L. G. Visscher (1838). Men begrijpt, dat door mij het werk van Visscher

reeds hierom wordt gewaardeerd, omdat deze ervoor heeft gewaakt,

dat de "Ferguut"--voor mij de mooiste ridderroman uit den Fabelkring

van de Ronde Tafel--is blijven leven in veler belangstelling. Wel zal

ik niet ontkennen, dat Verdam een verdienstelijk werk heeft gedaan,

door in het wetenschappelijk tournooi deze "gebrekkige uitgave" den

genadestoot toe te brengen, maar ik, bovenal bewogen als schrijver

door den werkelijken roman, moet mij van dezen kamp afzijdig houden.

Voor mij is de "Ferguut" nog als stroomend bloed in 't lichaam van

dezen tijd, en wij zelf kunnen er ons in weder-kennen, wij de onervaren

droomers, die het leven moeten leeren begrijpen. Onze jonge ziel gaat

uit naar een verheven doel ... tot alles achten wij ons wel bekwaam,

en uittrekkende ontmoeten wij onze eerste vijanden, nadat we den

twijfel hebben overwonnen. Staat daarna niet Keye, de spotter, voor ons

allen gereed? Maar, o wonder! komt niet tegelijkertijd onze eerste,

groote vriend, die de hand op onzen schouder legt, maar die niet kan

beletten, dat wij daarbuiten weder moeten zwerven, zonder genade--

De arme Ferguut! In _zijn_ tijd [30] het type van den vaarlijken

ridder, al komt hij op uit eenvoudig geslacht, wordt hij voor

ons eeuwiglijk de droomer, de strevende man, die voortdurend wordt

gehinderd door 't leven. Men ziet, dat 't geluk dichtbij hem is, doch

lichtzinnig als een jonge knaap, die lachend wijst naar de scherven

eener gebroken vaas, weet hij niet, welke kostbaarheid er voor hem

verloren gaat. En als wij later zien, hoe hij zich afwendt van de

jonkvrouw Galiëne, vol schaamte over zijn moed, nadat hij haar heeft

bevrijd, zeggen wij:

"Het was een mensch, deze Ferguut, en hij leeft als een man in 't

boek van een groot schrijver."

Heb ik de ontroering mijner ziel, terwijl ik de Ferguut voor

u vertaalde, genoeg in 't werk zelve kunnen leggen? Dit is de

menschelijkste der Arthur-sagen, een der meesterwerken van de

wereld-literatuur.

WONDERLIJKE GESCHIEDENISSEN UIT FRIESLAND (blz. 311-321). In vele

oude geschiedenis-boeken over Friesland worden deze verhalen min of

meer als _historie_ behandeld: dat ze echter bij de sagen behooren,

behoeft geen betoog.

ZUWAERT, DE MARTELARES VAN DORDRECHT (blz. 321-323). Is gekozen als

voorbeeld eener Katholieke legende. Zoo deze bundel door een tweeden

wordt aangevuld, zullen daarin verdere verhalen over Nederlandsche

martelaren of heiligen worden opgenomen.

DE ENGELSCHE KONINGSDOCHTER (blz. 323-332). Bekende sage over 't

ontstaan van 't wapen der heeren van Heusden.

DE VLIEGENDE HOLLANDER (blz. 332-338). Niet ligt aan deze sage

't verhaal van Kaïn (Waleram en Reginald, blz. 74 en vlgd. van dit

boek) ten grondslag, zooals door sommigen wordt aangenomen. Is ze

een fantasie van Heinrich Heine? Zie "Aus den Memoiren des Herrn

von Schnabelewotzski."

Door Wagner's opera heeft ze zich verspreid over de gansche wereld,

en zóó is er nog in dezen tijd in Zuid-Afrika, dat arm is aan

"Europeesche" sagen, een variatie uit ontstaan.

ONTMOETING MET DEN VLIEGENDEN HOLLANDER (blz. 338-342). O.a. door

Waling Dijkstra medegedeeld.

DE SAGE DER "LUTINE" (blz. 342-346). Van deze sage bestaat minstens

één gedicht, door een liedjeszanger bij den weg gevent. Ik heb het

in Zwolle hooren zingen, maar het was uitverkocht, toen ik er mij

meester van wilde maken. Zoodra het in mijn bezit is, hoop ik het

te publiceeren.

DOKTOR FAUST BIJ BOMMEL (blz. 346-352).

AVONTUREN VAN DOKTOR FAUSTUS IN LEEUWARDEN (blz. 352-356). Dokter

Faustus brengt het er in Nederland wel armzalig af. Hij is hier slechts

de toovenaar bij uitnemendheid, die toevallig den naam van Faust heeft

aangenomen. Faust was hier welbekend door den volksroman "De Historie

van Docter Johannes Faustus, die een uitnemenden grooten tovenaar in

zwarte Konsten was ...." enz., welks verschijning door mr. van den

Bergh waarschijnlijk wordt gesteld op het einde der 17e eeuw.

Na de voleindiging dezer "Aanteekeningen" wensch ik gaarne een woord

van dank te brengen aan den heer C. A. van Fenema, conservator aan de

Bibliotheek der Rijksuniversiteit te Groningen, die mij met diverse

aanwijzingen van dienst is geweest.

1914-1917.

AANTEEKENINGEN

[1] Volgens de bekende Twentsche folklorist J. J. van Deinse, zeide

men, dat vroeger op de boerderij "de Lappe" een roode deek uithing,

ter waarschuwing van de smokkelaars. (Driemaand. Bladen XV, blz. 9).

[2] Elkaar.

[3] Proper meisje.

[4] Meisje.

[5] Ham.

[6] Beide namen voor kabouters.

[7] Teenstra. Volksverhalen en Legenden.

[8] Graafschap Glocester?

[9] Toter Dunouwen.

[10] Oorspronkelijk natuurlijk perel.

[11] Oorspronkelijk "weer."

[12] Johan Wilhelm Wolf. Niederländische Sagen (S. 30 en 31).

[13] "Witte wiven" heb ik niet als trawanten van den Duivel gevonden,

zij het, dat ze bij Tubbergen de "lokkende zonde" voorstellen, ook

wel bij Holten, bij Tubbergen voor vrouwen, bij Holten en vele andere

plaatsen voor mannen. Spokende honden, kalveren, hazen en gedaanten

komen nog wel voor (een spokend kalf o.a. op het Bolwerk bij Dokkum,

een 'witte man,' een witte haas bij Zwolle).

[14] Cursiveering van mij.

[15] Dat er toovenaars waren, die het weder konden maken, is een

geloof, dat sinds langen tijd heeft bestaan en in vele landen

(Afrikaansche regenmakers) voorkomt.

[16] Dit geloof in der heksen macht en boosaardigheid duurt tot,

men kan zeggen, dezen tijd voort. De door mij behandelde sage is er

een goed voorbeeld van.

[17] Gewone pijnigingsmiddelen.

[18] Gewone pijnigingsmiddelen.

[19] Werd algemeen toegepast. Zie ook Hansen: Zauberwahn, Inquisition

und Hexenprozesz im Mittelalter. De reden vindt men later in den brief.

[20] Hansen, Joseph. Quellen und Untersuchungen zur Geschichte des

Hexenwahns und der Hexenverfolgung im Mittelalter.

[21] Men leze hierover b.v. Scherr, Johannes Menschliche Tragikomödie

(ed. Volksausgabe Leipzig Hesse und Becker) sechster Band: Die Hexe

von Glarus.

[22] Ontdecking van Toverij.

[23] Men zal hebben opgemerkt, dat van hekserij altijd vrouwen, nooit

mannen werden beschuldigd. Dit is voornamelijk te wijten aan het boek

"Malleus Malificarum" (1486), de "Heksenhamer," van Heinrich Institoris

en Jakob Sprenger. In mijn bezit bevindt zich nog de "Historie van 't

gheene geschiet is in Artoys inde stadt van Atrecht" in 1459, waarbij

verschillende mannen werden aangeklaagd van een bondgenootschap met

den Duivel en duivelsche toovenarij.

[24] Reeds in de 17e eeuw is bij ons de opmerking gemaakt, hoe

wonderlijk het eigenlijk is, dat de heksen, die immers een verbond met

den duivel hadden gesloten, bijna steeds zonder middelen waren. Slechts

in enkele gevallen (de sage van doktor Faustus in Leeuwarden) zien we,

dat een rijkere dame verdacht wordt een heks te zijn.

[25] Voor hem, die er belang in stelt verwijzen we weder naar Hansen:

Zauberwahn, Inquisition und Hexenprozesz im Mittelalter.

[26] Meermalen "zwerven" sagen van de eene plaats naar de andere,

soms, nadat ze, soms vóórdat ze gedrukt zijn. Dan treden verschillende

variaties te voorschijn. Dikwijls zijn het vagebonden, die de een of

andere overlevering brengen van 't eene dorp in 't andere, en gaande

over den weg, fantaseeren. Ook wel heeft men in sommige plaatsen

lieden, die al pratende de variaties vinden.

[27] Volksgeest niet te nemen inden zin van: "geest der kleine

luyden." Er zijn zeer ontwikkelde menschen, die den "voorloop" hebben

of erin gelooven.

[28] Mr. L. Ph. C. van den Bergh. De Nederlandsche Volksromans.

[29] Das Gedicht von Reinout gehört wenigstens in die zweite Hälfte des

13 Jahrhunderts. Mone. Übersicht der niederländischen Volks-Literatur

älterer Zeit.

[30] De Fergus dagteekent naar alle waarschijnlijkheid uit de eerste

jaren der XIIIe Eeuw en is het werk van Guillaume le Clerc. Verdam,

Ferguut blz. III.

End of Project Gutenberg's Nederlandsche Sagen en Legenden, by Josef Cohen

Nederlandsche Sagen en Legenden · 第 4 / 4 章