Reeds tien jaren geleden liep ik met het plan rond voor dit boek,
waarvan ik toen het begin al had geschreven, dat echter in den loop der
tijden is weggeraakt. Ik durfde er nooit weer aan, omdat er zulke
onwaarschijnlijke dingen in voorkwamen, die niemand zou gelooven. Dat
groote bosch, zoo vlak bij de beschaving, die oude man, die daar zoo
eenzaam woonde met zijn kleinzoontje, die verdwaalde prinses, en dat in
ónze tijden!.....
Neen, dat ging niet, en daar zou niemand aan willen.
Toch ben ik nu, in 1901, dit boek opnieuw begonnen, en heb ik het
geschreven, zooals mijn plan was. En omdat zoo veel erin niet gebeurd
kan zijn, en zeker erg onmogelijk is, heb ik het een sprookje genoemd,
al is het dan ook een „modern sprookje”.
Nu ben ik niet bang meer. Want in een sprookje, niet waar, kan alles
wat in de werkelijkheid niet kan, en nu kunnen al de dingen, die erin
voorkomen, dat oude bosch, en die eenzame grijsaard, en die mooie
prinses, en dat vreemde kleinzoontje, ook best bestaan hebben. En zóó
ben ik dan nu gedekt, hoop ik.
Ten slotte nog dit. De schrijver wil niet de meeningen of beschouwingen
van personen uit het laatste gedeelte van zijn boek als per se ook de
zijne geven, en blijft hierin—althans voor den lezer—het liefst
objectief.