November verspreidde reeds over dorpen en velden die doodsche
wintereenzaamheid, welke het hart der menschen zoowel als de natuur
met treurigheid vervult en al 't genot des buitenlevens in den
nauwer aangeknoopte familie- of vriendenkring schijnt te sluiten, en
nog was De Vliegher's voorspelling niet verwezenlijkt. Vruchteloos
had hij Guustje, door allerhande zinspelingen en halfduidelijke
woorden, zooals hij zei "den pap in den mond gegeven;" het dierf of
wilde niet begrijpen. En even vruchteloos had Marie, ruwe maar goede
ziel en die stelselmatige vijandin was van allerlei gedwongenheid of
valsch gevoel, reeds meer dan eens, als Guustje 's avonds
binnenkwam, hem eenen stond achter het schutsel houden staan en, hem
met den elleboog in de zijde stampend, haastig in het oor
gefluisterd: "Toe, gij dwaashoofd, klap er eens schoon tegen; het
(Zieneken) is zot van u,"--Guustje, verre van zulks te durven doen,
werd dan soms nog veel schuchterer en zat nog veel meer dan
eertijds--gelijk Marie het noemde "op de pijnbank."
De boer begon zijne schouders op te halen; Marie begon op Guustje
kwaad, ja oprecht kwaad te worden, Guustje zelf liep gansche dagen
als een gefolterde ziel op zijn hof, en Zieneken werd alle dagen
treuriger.
Maar vaak komt een geluk bij ons aankloppen, wanneer wij reeds
gewanhoopt hebben.
Zieneken was op eenen zaterdag namiddag naar het land gegaan, om
tegen 's anderdaags wat eten voor hare konijntjes te plukken en
keerde met de schemering huiswaarts, toen zij eensklaps aan den
overkant der straat Guustje ontwaarde, die daar met ploeg en paarden
eenen klaverstruik omwrocht.
Zieneken bleef stilstaan, met haar konijneneten in den arm,
onweerstaanbaar aangelokt om daar een oogenblikje te vertoeven en te
kijken. Het was zoolang geleden dat zij Guustje niet meer zag zooals
het eertijds was; bij haar was het of schuchter of misnoegd; hier,
gansch alleen, zou het misschien weerom zich zelf zijn. Het scheen
haar als zou zij op zijne wezenstrekken kunnen lezen of het wel
oprecht boos was op haar, en ook, 't zij boos of niet, zij voelde
dat zij niet kwaad was op hem... en... niemand zou haar zien, de
straat was zoo eenzaam en ledig, de elzenstruiken waren nog dicht
genoeg en over de stille natuur daalde zoo heimvol de
avondschemering, met enkel nog die verre blonde streep in 't
westen...
O ja, zij moest hem eens zien.
Zij keek.
De beide bruine paarden, groot en kloek, kwamen dampend, met
gelijken tred, gereden over de lange partij land, die naar het
middenpunt eenigszins klom. De scherpe ploeg, door Guustje's
rechterhand bestuurd, boorde snijdend door het verdorde klaverveld
en keerde met den riester de malsche schellen om, die langs de lange
rijen met een vetten glans in 't dalend schemervuur blonken.
Zieneken voelde zich tot bewondering bewogen! "Wat felle boer toch,"
dacht zij, en instinctmatig, als begoocheld, volgde haar blik de
naderende vaart van ploeg en paarden. Maar in eens verschrikte zij:
"Indien het mij eens zag? Het zou wel meenen dat ik hem kom
bespieden!" En zij deed eenige schreden huiswaarts. Doch zij
vertraagde schielijk weer haren stap. "Nu moet het mij gewis zien
gaan," sprak zij inwendig; "zal het niet denken dat ik hem
ontvluchten wil?.... Ik moet hem toch goên avond zeggen." En zij
hield weerom stil.
Guustje had haar reeds ontwaard.
"Goên avond, Zieneken," sprak hij de eerste en hield zijn gespan
staan, terwijl hij flauw op haar glimlachte.
"Goên avond, Guustje," was haar ontroerd antwoord en zij sloeg het
oog ten gronde.
't Was zonderling; maar Zieneken ging nog niet huiswaarts--nu zij
echter den "goên avond" had gewenscht, en Guusje ook keerde nog
zijne rossen niet, die krachtig blaasden, om 't laatste stukje land
te bewerken; er heerschte een oogenblik vol drukkende stilte; beiden
schenen diep ontroerd; het was alsof zij beiden voelden dat zij
malkander toch wat meer te zeggen hadden, iets dat hen sinds lang op
't harte lag en er nu volstrekt afwilde.
Er komt een stond in de liefde, op welken de schuchtersten tot
stoutheid overgaan; een stond door de gelegenheid, door 't uur en
door de eenzaamheid begunstigd, en als het ware opzettelijk geschikt
om de voor elkaar geboren harten in een gelijk gevoel, in eene
zelfde beweging te vereenigen en te versmelten.
't Was Guusje, die den eersten stap deed. Met bevende hand had hij
de lijn zijner paarden aan de greep van den ploeg vastgemaakt; met
ontsteld gelaat was hij al over 't mennegat bij Zieneken gekomen.
"Zieneken!" sprak hij en er kropte schielijk iets in zijne keel, dat
er geen enkel woord meer uit liet komen; maar zijne hand--hij wist
het zeker niet--lag op des meisjes schouder.
Zij verbleekte op eens. "Wat is er, Guusje?" vroeg zij zacht en nauw
verneembaar en sloeg eens 't oog op hem en keek dan weer ten gronde.
Wat er was?... Zie... Guustje zegde het haar... In eene taal, die
hij nimmer geleerd had, met eene overtuiging waartoe hij slechts
sinds eenen stond de kracht gevoelde, sprak hij haar - zonder
spreken, maar met den mond op haren mond, maar met het hart tegen
heur hart, en met de hand in heure handen, van hun lang geschil, hun
verdriet, hunne smarten, hunne verzoening. Hij was als van zich
zelven, hij begreep noch zijne daad, noch zijne stomheid, hij
smaakte enkel het onuitsprekelijk geluk, waarmede zijne
overborrelende liefde hem het hart verzadigde.
Zieneken kwam eerst tot het bewustzijn weer; een zweem van
treurigheid veegde schielijk de geestdrift van haar gelaat: "O!
Guusje, gij bemint Emerance!" sprak zij met zacht verwijt.
De jongman trad een stap achteruit met een ontkennend gebaar zijner
hand: "Ik heb ze nooit oprecht bemind," sprak hij "maar wat er
vroeger ook bestond, is thans geheel gedaan." En ook met spijt op
zijne beurt zijne vriendin aanstarende: "Maar gij, Zieneken," hernam
hij langzaam en ernstig, "gaat gij met boer Van Daele niet..."
"Zieneken!" riep schielijk eene scherpe stem in de richting van De
Vliegher's hoeve.
"Och God!" schrikte het meisje, spoedig haars minnaars hand
loslatende! "Marie roept, en het wordt reeds zoo laat, ik moet
heen..."
"Wacht een oogenblik," sprak Guustje, "ik ga meê."
En in eens zijnen ploeg omkeerende, zette hij dien voor de laatste
maal op 't laatste nog te bewerken reepje grond, en in gansch zijne
moedige houding, in den rasseren tred zijner dampende, nog door het
schemerlicht vergrootte paarden, in de vruchtbare schel, die hare
bruine flanken openlegde om de kiem der toekomende oogsten te
ontvangen, in 's meisjes houding zelve dat, onbeweegbaar aan den
boord des akkers, het gansch schouwspel te bezielen scheen, lag er
iets verhevens, iets bemoedigends, dat in de eenzame bespiegeling
van 't avonduur geheel dit landelijk en vreedzaam tafereel als een
zinnebeeld van stil geluk, van hoop en liefde deed uitschijnen.
Zij kwamen aan De Vliegher's hofje. Guusje liet zijne rossen aan de
balie slaan en trok met Zieneken binnen huize; het licht brandde
reeds. Eene reusachtige gestalte, met een bol, lachend gelaat en
twee dikke, naar hen uitgestrekte handen, dat was het eerste wat zij
zagen: boer Van Daele! Onvrijwillig deinsden beiden als verschrikt
achteruit en op hun gelaat, in hunne gansche houding en manieren,
lag zóó klaar hun geheim te lezen, dat boer De Vliegher en Van Daele
en Marie, allen terzelfdertijd door ééne gedachte overheerscht, de
jongelieden roerloos aanstaarden, op hunne uitleggingen wachtende.
Zij toefden slechts een oogenblik. Met eene soort van haast, als
vreesde hij dat zij hem nogmaals kon ontnomen worden, had Guustje 's
meisjes hand gevat en was hij met haar tot bij oom genaderd:
"Boer De Vliegher," sprak hij schier plechtig en den grijsaard
helder in de oogen aanschouwende, "ik kom u de hand van uw nichtje
vragen; wilt gij mij die toestaan?"
De oude boer, eene groote verwondering veinzende, keek lachend op
zijn blozend nichtje: "Is het uw gedacht, Zieneke?" vroeg hij.
"Ja, ja 't; 't is het van eigen!" haastte zich de ruwe Marie in
Zieneken's plaats te zeggen, daar zij bemerkte dat het meisje zoo
diep ontroerd was, dat zij bijna niet spreken kon.
Roer Van Daele, eerst zwijgend en wezenlijk verbaasd, kwam nu weerom
met zijne vette, purperen handen naar de twee verloofden
vooruitgestoken: "Heb ik het u niet gezegd, mijn zoetekind, dat wij
niettemin steeds goede vrienden zouden blijven?" riep hij tot
Zieneken, terzelfdertijd ook voor de anderen zijn geheim
klaarmakende; "doch, zeggen is maar zeggen, en luister hier wat
beter is: Ik kom u met uw aanstaanden man"--en hij wees met den
vinger naar Guustje--"op de bruiloft vragen van mijne jongste
dochter met Lowie Billiet en op de mijne"--en zijn vinger bleef een
heele wijl op zijne borst gericht, terwijl zijne oogen bij het
aanschouwen van Guustje's en Zieneken's nieuwsgierige verbazing van
blijdschap fonkelden.--"Ja, op de mijne met de weduwe De Baere, van
Merckegem, die stellig zeer met mij moet ingenomen zijn, daar zij
mij, als zijnde eergisteren voor de achtste maal, tijding zond dat
ik mocht komen als ik wilde,--bruiloften, welke beide nog vóór het
Nieuwjaar zullen plaats grijpen".
Welke wederzijdsche gelukwenschen en proficiat's bij deze laatste
verklaring in De Vliegher's huis weerklonken, ware moeilijk te
beschrijven. De oude boer trok in zijnen kelder. Hij kwam er weldra
uit met eene zwarte flesch, die hij zegepralend naar het licht
hield: "Zieneken! 't is eene van de laatste," riep hij; "'t is nog
eene van die, welke ik met uw vader zaliger in den ouden pastoors
venditie kocht, nu dertig jaar geleden. Op uw gezondheid, mijn
kind!"
De wijn werd uitgeschonken, de glazen gingen tikken.
Zieneken weende.
"Baas Van Daele," sprak De Vliegher, "ik noodig u ook met uwe
aanstaande vrouw en met uwe dochter en haar aanstaanden man, op de
bruiloft welke ik hier, en ook vóór Nieuwjaar nog, voor Zieneken en
Guusje houden wil; en dit zal dan de laatste kermis zijn die ik hier
zal geven, daar ik voornemens ben mijn boerderijtje aan die
vlijtige, brave jongelieden over te laten, om dan in 't dorp, op
mijn gemak, de enkele jaartjes, die ik misschien nog te leven heb,
te gaan slijten."
Nog eens werden de glazen volgeschonken, nog eens bedankingen en
gelukwenschen herhaald, en dan gingen zij allen te zamen naar de
weduwe Lootens.
"Zie!" sprak Marie, toen Zieneken dien avond kalm, maar volzalig van
geluk in haar kamertje trok, "hadde het met u beiden alzoo nog wat
langer moeten duren, ik was er hier van deur, want ik kon waarlijk
uwe wederzijdsche dwaasheid niet meer verdragen!"
Nevele, Februari 1887.