AANTEEKENINGEN

[1] De Ambachten van Waveren, Botshol, en Ruigewilnissen worden door

sommigen onder Amstelland begrepen, om dat zij met hetzelve een zelfde

Bailluw hebben, (en waarom wij dezelven ook in dit Deel van ons werk

hebben getrokken,) doch er zijn voorbeelden dat de gezegde Ambachten

een’ afzonderlijken Bailluw gehad hebben; „ook,” zegt een onzer geëerde

begunstigers, „wordt in den aanstellings-brief van den Bailluw, van

dezelven, als byzondere districten gewag gemaakt.”

[2] Van deezen naam Heilige stede, draagt ook de Heilige weg zijnen

naam, om dat vóór de uitlegging der stad aan die zijde, het volk van ’t

platte land langs dien weg, herwaards, de Heilige stede kwam bezoeken.

[3] Het draagt den naam van Prinsenhof, om dat het in 1594 bekwaam

gemaakt werd ter logeeringe van Prinsen, en andere voornaame

persoonaadjen, die zig dikwijls in Amsteldam bevinden.

[4] Hoe het omtrent dat dorp gegaan is, hebben wij in ons blad dat over

hetzelve handelt, breedvoerig genoeg aangetekend, om er verder hier van

te kunnen zwijgen.

[5] Wij bedoelden met dit zeggen, dat de verwachting van den moed, maar

vooral van het beleid der verdedigers niet groot heeft kunnen weezen,

uit aanmerking van den aart hunner omstandigheden; ’t waren tog slechts

burgers, wel geoefend in het handelen der wapenen, maar niet geoefend

in den krijg: de handwerktuigen werden verwisseld met de wapenen; de

vredige plaats der broodwinning met het oorlogsveld; de koopman lag de

pen neder, en vattede den staf van commando op, als bevelhebber in

eenen bloedigen krijg: en tegen een geoefend volk, een volk dat zig

onder de oorlogende Europeêrs eenen naam verworven heeft: en deeze

stille burgers deeden wonderen; toonden Batavieren te zijn; toonden

onverschrokken te durven staan, als ’t aankwam op de verdediging van

Land en Volk!—zeker hunne omstandigheid behoort vooral in aanmerking

genomen te worden, wil men geen gevaar loopen van hunnen behaalden roem

te kort te doen.

[6] Men heeft zelfs verteld, ja wat verteld men niet al! en hoe dom

denkt men wel dat de Duitsche soldaat zou weezen! sommige van hun

hadden zig van de Nederlandsche Patriotten een denkbeeld gemaakt, als

waren het zekere wonder-verschijnselen in de Natuur; zekere menschen,

of gedaante van menschen, met vleugelen; die overal, door het geheele

land heen rondgierden: verscheidene maalen, zegt men, is in den beginne

door hen gevraagd of zij nu niet haast die Patriotten zouden zijn?

ofschoon zij er reeds door onthaald waren geworden.

[7] Dit is een schoon gebouw, behoorende aan de Thesaurie der stad

Amsteldam: alle vaartuigen, die er passeeren, moeten er aanleggen en

tol betalen.

[8] Om deeze reden stellen sommigen ook niet dat Holland zijnen naam

zoude ontleend hebben van deszelfs laage (Holle) ligging, maar van de

menigte bosschen (Holt, hout) die er gevonden worden.

[9] Deeze paal was in den jaare 1793 een zeer oud en onaanzienlijk stuk

houts, ten gezegden jaare is er een fraaje ronde steenen paal in de

plaats gezet, bovenaan rondsom denzelven leest men 100 Gaarden, zijnde

de uitgestrektheid van het gebied van Amsteldam, boven op den paal

staat een fraaje bewerkte kroon, ook pronkt hij met de wapens van

Amsteldam en Amstelland, en laager staat het voorgemelde jaartal der

vernieuwinge MDCCXCIII.

[10] In het blad van onze Stad- en Dorpbeschrijver, voorgemeld,

handelende over West-maas, en welk blad thans op de pers is, hebben wij

opzettelijk over den staat van het Brand-wezen ten platten Lande,

gesproken: God, die de harten kan bestuuren, geve dat het den

gewenschten invloed, en uitwerking hebbe.

[11] Men zie over dit en de andere Kerklijke en Wereldlijke Gebouwen

van Amstelveen, het blad van onzen meergemelden Beschouwer, ’t welk

over dit dorp handelt.

[12] Ofschoon onze Stad- en Dorp-Beschrijver, volstrekt niet afgeleverd

wordt dan aan de Heeren Intekenaaren op denzelven, hebben wij echter de

beschrijving van den brand ook buiten intekening gedebiteerd; en

vermids niemand van gezegde Intekenaaren zich daaraan heeft gestoten,

oordeelen wij, ook omtrent dit blaadjen, als tot de beschrijving van

den brand behoorende, die vrijheid te mogen gebruiken.

[13] Zie onze beschrijving van meergemelden brand, bladz. 4.

[14] Zie onze beschrijving van den brand, bladz. 2.

[15] Onze geëerde Correspondent in deezen, zwijgt van de volgende

omstandigheden des dorps: wij hebben echter geloofd, om de volkomenheid

onzes werks te bevorderen, dezelven hier te moeten inlassen.

[16] Dit grondgebied werd door Keizer Otto den Tweeden geschonken aan

zekere Abdisse Goedela, waarvan het den naam bekwam van Goedelaland,

dat is het land van Goedela; deeze naam, (Goedelaland,) is door de zo

vermogende klankverbastering veranderd, eerst in Goeiland, en daarna in

Gooiland.

[17] Dit Trompenbergjen zegt men, zijn’ naam ontleend te hebben van den

Hollandschen Admiraal Tromp, ten wiens gebruike men het zelve had

afgestaan; en sommigen beweeren dat op deszelfs top door hem een coupel

gebouwd is: men weet dat die dappere Held zijn hofstede in het

nabijgelegen ’s Graaveland had: (zie onze beschrijving van dat dorp).

[18] Het vorige orgel was mede door den brand verteerd,—meer dan 20

jaaren had men zig zonder zulk een nuttig kerkinstrument beholpen——dan,

den 28 Jan. 1786 werd bij de Regeering deezer plaatse geresolveerd, om

een plan tot goedmaaking der kosten voor een nieuw Orgel voor de

gemeente ter tekeninge te leggen, ’t welk met het goed voorbeeld der

Regenten, zulk een gewenschten uitwerking hadt, dat men weldra in staat

was gesteld om een nieuw Orgel te laaten vervaardigen.

[19] Deeze Kerk is ingewijd den 4 Julij 1786, zijnde toen de eerste

predikatie daar in gedaan door den Eerw. Heer Paulus Beyleveld, Pastoor

te Vleuten.

[20] Aanmerkelijk is het, dat deeze beesten, nu eerst uit het ei

gekomen, weldra de grootte van de oude verkrijgen; doch tot hunne

verwisseling van vederen zijn zij graauw van kleur; eerst bij dat

verwisselen krijgen zij veeren zo ongemeen wit als waarmede de ouden

pronken; even aanmerkelijk is het, dat zij zingen als zij den dood

voelen naderen, waarom men ook gewoon is, het laatste vers eens

dichters, zijn Zwanenzang te noemen: de zededichter Claas Bruyn, deeze

eigenschap der zwaanen op de vroomen toepassende, heft daarvan dus aan:

Laat de zwaan zijn lijkzang hooren,

Met een lieffelijk geluid,

Daar hij ’t leven meê besluit,

Vroome zielen, uitverkoren,

Om te heerschen op Gods throon,

Slaan dus ook hun’ laatste toon.

Ja zij zingen met de klanken

Van het welbewust gemoed,

Schoon het sterflot op hun woed’;

Dit ’s het lijkdicht van die kranken:

„Kom, o Jesus! al ons lust,

„Haal ons in uw zachte rust, enz.

[21] Oudover en Muieveld zijn gehuchten, gerechtlijk onder Loosdrecht,

doch kerklijk onder Loenen behoorende, (de Oude- en Nieuwe-dijk, welke

laatste aan Breukeleveen grenst, behoort onder de Parochie van

Oud-Loosdrecht:) zij bevatten niets der aantekeninge waardig, en worden

schaars bewoond, niettegenstaande er verscheidene buitenplaatsen in

gevonden worden: Loenderveen is eene polder, mede onder Loosdrecht

behoorende; doch dezelve is bijna geheel uitgebaggerd.

[22] Eenige onzer ingewonnene berichten spreeken zelfs van over de 3000

morgen.

[23] Zie aldaar ook wegens het Hooge Rechtsgebied.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 455 / 455 题