Onder deezen kunnen wij brengen eenig bericht van het Huis te Mijnden,
waarvan wij hiervoor reeds melding maakten; het bedoelde bericht,
vinden wij geboekt in de volgende bewoordingen:
„Ten noorden van de Drecht, niet verre van de Mijndersluis, door welken
alle vaartuigen van de Loosdrechten naar de Vecht moeten, is, ten
oosten deezer rivier, een ruig begraasde puinheuvel, die, gelijk men
nog eenigzins kan ontdekken, met graften omvangen is geweest: deeze is
het eenig overblijfzel van het huis te Mijnden, dat vrij groot schijnt
geweest te zijn, en, volgends de gedaante der steenen, die men hier
weleer vondt, doch merkelijk verminderen en verdwijnen, eene hooge
rondheid moet gehad hebben; men wil dat het in den jaare 1227 gebouwd
zij, door Ægidius, één der Heeren uit den Huize Van Amstel: ook is het
vrij klaar dat de Heeren Van Mijnden, uit het geslacht der Heeren Van
Amstel afstamden: de tijd der verdelging van dat huis, en bij welke
gelegenheid dit gebeurde, is onbekend.”
Dit huis geeft het recht tot beschreven te kunnen worden in de
Ridderschap; het heeft ook verscheidene achterleenen die verheft moeten
worden, alwaarom over dezelve ook een Stadhouder aangesteld wordt.
Onder dit artijkel kunnen ook betrokken worden de aanzienlijke
lustplaatsen, welken aldaar gelegen zijn, voornaamlijk tusschen de
Weere of Landscheiding der Provincie van Holland en Utrecht—ééne der
gezegde lustplaatsen, schijnt den naam van Weerestein, naar de gemelde
Weere of landscheiding te draagen.