Daaromtrent hebben wij in onze beschrijving van Oud-Loosdrecht, onder
het artijkel wereldlijke regeering [23] reeds gezegd dat Mijnden en de
beide Loosdrechten, sedert lang als onverdeeld door een zelfden
Ambachtsheer bezeten worden, niettegenstaande zij in de daad
afzonderlijke Ambachtsheerlijkheden zijn; ook zeiden wij reeds dat zij
uit dien hoofde dezelfde Schout en Secretaris hebben, het welk echter
naar goedvinden van den Ambachtsheere of Vrouwe in den tijd geschiedt,
gelijk wij in onze beschrijving van Oud-Loosdrecht mede reeds hebben
aangetekend: Mijnden heeft voords drie Schepenen en een’ Buurtmeester,
alle ter aanstellinge zo als die Schepenen van Loosdrecht: (Zie
Oud-Loosdrecht art. wereldlijke regeering.)
Verder vinden wij wegens de Wereldlijke Regeering van Mijnden nog uit
medegedeelde berichten, het volgende aangetekend.
„Het klein getal van ingezetenen, gaf in den jaare 1567, aanleiding tot
eene schikking, waarbij vastgesteld werd, dat in de
Ambachtsheerlijkheid van Mijnden, recht en gerechtigheid zoude geoefend
worden, bij den Schout en drie gezworene Heemraaden, die aldaar
jaarlijks gemagtigd werden, tot schouwing van de dijkaadjen en
wateringen: deeze Heemraaden zouden als Schepenen den eed doen, in
handen van den Ambachtsheere: volgends het verzoekschrift tot deeze
schikking, welke door den Hove van Holland werd goedgekeurd, geschiedde
dezelve, om dat de Gebuuren, die met den Schout te recht moesten
zitten, maar elf in getal waren, en onder deezen vier broeders; ook
waren zij alle schamele lieden, die dagelijks hun brood moesten gaan
winnen, en derhalven op de rechtdagen niet passen.”
Zie wegens de voorrechten, ons volgend art. bijzonderheden.