WERELDLIJKE REGEERING.

Loosdrecht heeft in alles eigen recht, crimineel en civiel, zo wel van

pleidoojen als halsrecht.

Het hooge rechtsgebied over dit, als het andere deel van het

Bailluwschap, zo als wij die deelen, bladz. 1 opgegeven hebben, wordt

geoefend door den Bailluw, zijnde thans de Wel-Ed. Gestrenge Heer, Mr.

Johannes Petrus Thierens, die aangesteld wordt door zijne Doorl. Hoogh.

den Stadhouder, uit de nominatie van een drietal, door de Staaten van

Holland en Westfriesland gemaakt: hij zit te recht met de

dorpschepenen: voorheen had de Bailluw de vrijheid om voor zig

afzonderlijke schepenen crimineel te benoemen en in den eed te neemen;

doch daarover een proces ontstaan zijnde, is hij, in gevolge de

uitspraak op dat proces, voor omtrent zes jaaren gedaan, verpligt, de

dorpschepenen in der tijd, ook voor het crimineele in den eed te

neemen: hij wordt in zijnen aanstellings-brief ook genoemd Bailluw van

Loenen Holland, met welken naam men gewoon is Loenen

Kroonenburgs-gerecht te benoemen—uit aanmerking van dien tijtel, „is

voormaals,” leezen wij, „aan de zijde van den Bailluw van de

Loosdrechten, begreepen dat hem het oefenen van jurisdictie, op het

grondgebied van Loenen Kroonenburgs-gerecht toekwam, waarover weleer,

tegen den Heere van Kroonenburg of deszelfs Bailluw, proces is

aangevangen, doch sedert geruimen tijd niet vervolgd geworden, zo dat

de Bailluw van Loenen Kroonenburgs-gerecht, in de bezitting van dat

recht is gebleven:” in gevolge het werkelijk hangen van ’t gemelde

proces gaat de Bailluw, voor de Loosdrechten verkozen zijnde, ook nog

naar Loenen Kroonenburgs-gerecht om zig aldaar in zijne waardigheid van

Bailluw te doen erkennen; doch wordt als dan geweigerd.

De beide Loosdrechten en Mijnden, schijnen gemeenlijk als eene enkelde

Ambachtsheerelijkheid aangemerkt te worden, doch zij zijn het niet,

ieder is in de daad eene afzonderlijke Ambachtsheerelijkheid,

niettegenstaande zij sedert lang, als onverdeeld, een zelfden Schout en

Secretaris hebben; dit echter staat ter keuze van den Ambachtsheere of

Vrouwe, (thans Vrouwe S. M. van de Poll, Douariere, wijlen den Wel-Ed.

Gestrengen Heere Mr. Z. H. Alewijn van Mijnden, in leven President

Schepen en Raad in de Vroedschap der stad Amsteldam,) die ook Mijnden

een anderen Schout en Secretaris kan geeven; vermits de aanstelling aan

dezelve staat, zo wel als van Schout en Secretaris van Loosdrecht.

In het civile, wordt Loosdrecht in ’t gemeen beheerscht door den

Ambachtsheere of Vrouwe in der tijd, met zeven Schepenen, naamlijk drie

uit Oud-, drie uit Nieuw-Loosdrecht, en één uit Muieveld, of uit

Oudover: deezen worden aangesteld, zonder eenige voorafgegane

nominatie, door den Heer of Vrouwe; aan wien het ook staat om dezelven

naar goedvinden wegens getal of tijd te doen afgaan of aanblijven;

derhalven is er, Schepenen betreffende, geen bepaalde tijd van

verandering.

Voords zijn er twee Weesmeesters, die tevens Armmeesters zijn, en niet

jaarlijks afgaan: zij hebben almede hunne aanstelling van den

Ambachtsheer of Vrouwe; die ook de aanstelling heeft van de

Schoolmeesters, in de beide Loosdrechten: deezen zijn tevens Kosters,

Voorzangers en Doodgraavers.

De Schepensbank wordt bediend door één’ boden: ook hebben Bailluw en

Schout zamen één’ diender, die mede door den Ambachtsheer of Vrouwe

aangesteld wordt.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 422 / 455 题