KERKLIJKE EN GODSDIENSTIGE GEBOUWEN.

Dewijl, gelijk wij gezegd hebben, alle de inwooners der Heerelijkheid

van den Gereformeerden Godsdienst zijn, worden er ook geene andere

kerken gevonden, dan die van de gezegde gemeente: de Oude kerk, dat is

de kerk van de Oude Loosdrecht, is een klein gebouw, ofschoon er

honderden menschen in opkomen; van binnen heeft het, ingevolge deszelfs

aanleg, even weinig pracht als van buiten; alles intusschen is van

binnen zeer net; boven ééne der portaalen is eene gallerij voor de

Weezen, enz.: thans hangt boven die gallerij, een vlag, van talrijke

voeten vierkant, met een lijst, en in het midden een groote oranjeboom,

in een groene bak, zodanig als men dezelven gemeenlijk in de Orangeriën

geplaatst vindt; ter eene en andere zijden van die bak, leest men de

woorden vivat Oranje! (er zijn ook in Oud-Loosdrecht maar weinige

lieden, van dezulken die men Patriotten noemt:) ter wederzijde dier

vlagge hangen nog twee kroonen, gevlogten van kunstbloemen en

orangeappelen: aan het andere einde der kerke, tegen over de gezegde

vlag en kroonen, hangt thans nog eene vlag, maar van minder aanzien; er

is geen orangeboom op gepenseeld; alleenlijk leest men in derzelver

midden mede, vivat Oranje! Deeze sieraadjen hebben, ten tijde der

omwending van zaaken in ons Land, in het openbaar gediend.

Wat verder het ruim van deeze kerk betreft, alles is daarin aan het

oogmerk voldoende; de predikstoel is zeer net zamengesteld, zo ook de

Regeeringsbanken en verdere mannengestoelten: de bank voor den Heere,

of de Vrouwe der Heerelijkheid, staat vlak tegen over den predikstoel:

het ruim is voords naar gewoonte, met vrouwegestoelten bezet: er hangt

ook, (op de gallerij waarvan boven gesproken is,) een op paneel

geschilderde lijst van de Predikanten die sedert de reformatie, de

Oud-Loosdrechtsche Gereformeerde Gemeente bediend hebben: aanmerkelijk

is het dat de laatste Roomsche Priester ter deezer plaatse ook de

eerste Gereformeerde Predikant aldaar geweest is: zie nog iet wegens de

kerken van Loosdrecht met betrekking tot den tijd vóór de Reformatie,

onder Nieuw-Loosdrecht, ditzelfde art.

Het doophek, en verder al het inwendige der kerke is zeer zindelijk, en

wordt wèl onderhouden: het ruim wordt door vijf kaars-kroonen verlicht:

er is geen orgel in.

De vloer van het ruim der kerke gebruikt men nog, ingevolge de oude,

dat is onverlichte tijden, om er in te begraaven: de gezegde grond is

zamengesteld uit grafzerken, waaronder wij er echter geene gevonden

hebben der aandacht waardig.

Buiten om de kerk ligt, naar gewoonte, een kerkhof, dat genoegzaam

groot is, en vrij net genoemd mag worden; aan een van de hoeken

deszelven is eene soort van grafkelder, bijna twee voeten boven de

oppervlakte van den grond verheven, en met een’ zwaaren blaauwen zerk

gedekt; op dezelve staat geene inscriptie; ook is ’t alleenlijk eene

grafplaatse, gekozen door iemand die begeerde na zijnen dood in een

zeer stil oord te liggen: op het zelfde kerkhof is ook één der

dorpsbrandspuiten geplaatst: vier zijn er in geheel de Heerelijkheid.

De kerktoren die aan het eene einde der kerke eenige voeten hoog,

vierkant uit het dak rijst, is in den jaare 1783 veel vernieuwd, en bij

die vernieuwing, in zijn vierkant verkleind; op dat vierkant staat een

spits, dat met leien gedekt is—in één der zijden van het vierkante

ondergedeelte van den toren is een wijzerplaat, waarop men het jaartal

1791 leest, welk getal alleenlijk het jaar aanwijst waarin dezelve is

opgeschilderd.

Te Oud-Loosdrecht is ook een goed Weeshuis, voor 3 jaaren eerst

gesticht, en ’t welk tevens voor een Armenhuis verstrekt; dat niet

alleen, maar er worden ook in opgenomen, geleerd, gekleed en gevoed,

zulke kinderen, wier ouders onvermogend bevonden worden om hen te

voeden; indedaad een zeer loflijk gebruik, en voornaame oorzaak dat er,

hoe min vermogend de bewooners over het algemeen ook zijn, geene

bedelaars gevonden worden—de arme lieden en kinderen leiden in dit huis

ondertusschen niet, gelijk op veele aanzienlijke plaatsjens het geval

is, een lui, geheel werkeloos leven; integendeel, zij worden allen te

werk gesteld, aan het spinnen van wol; er worden ook netten gebreid, en

andere bezigheden verricht, zo dat er over het algemeen eene geduurige

loflijke arbeidzaamheid plaats heeft: alle de voordeelen daarvan komen

aan het huis.

Het Schoolhuis is een gebouw dat slechts redelijk aan het oogmerk

beantwoordt.

De Pastorij staat tegen over de kerk, is zeer spatieus, en van goeden

aanzien; er is geen ruimen hof achter, maar de Predikant heeft achter

de kerk een groote moestuin, ten zijnen dienste.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 419 / 455 题