LIGGING

Van deeze polder, is ten oosten van de Stad Weesp, en ten noord-oosten

van de aangenaame rivier de Vecht, niet onaartig door de zoetzingende

Willink, de eigenschap van blank toegekend; daar hij zegt:

Nu vloeit de blanke vecht in vreê,

En schuurt met haare zoete dreeven,

De Muiderschutsluis door in zee,

Om met het pekelnat te paaren;

Nu bruischt zij langs dat luchtig oord,

Daar zij op net beschaafde zangen,

En zuiver heldendicht bekoord,

Blijft aan des Drossaarts maatklank hangen,

In twijfel of zij stil zal staan,

Of op die toonen verder gaan.

Deeze aangenaame rivier stroomt, beoosten Utrecht, uit den Rhijn

noordwaards aan voorbij Zuilen, Maarssen, Breukelen, Loenen, Vreeland,

Nichtevecht, Weesp, en een aanzienlijk aantal vorstlijke landhoven, en

lustpaleizen, tot daar zij, door Muiden in zee stort.

Niet weinig wordt het gezicht van deeze schoone rivier veraangenaamd,

als het oog er de prachtige zwaanen, met haare schitterend witte

vederen [20], in ontmoet.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 405 / 455 题