GESCHIEDENISSEN

Van het Gein, zij hetzelfde gezegd als van die van de Gaasp

voorbeschreven: onder de inwooneren zijn veele Staats- of

Vaderlands-gezinden, welke van de Pruissen in 1787 grouwzaam veel

hebben moeten lijden; zelfs de vrouwen, die deezen volgden, hebben zig

in dien omtrek zonderling onderscheiden, in het wegneemen van de

kleederen haarer sexe, die zij voor de hand vonden; vooral hebben deze

rustherstellers aan de fraaje buitenplaatsen groote schade

toegebragt—men verhaalt, dat die van de Stadhouderlijke partij, welken

in het Gein gevonden worden, bij het aannaderen der Pruissen, hunne

beste goederen zamengebragt hadden, op eene der aldaar gelegene

buitenplaatsen, wier eigenaar voor een ijverig Stadhoudersgezinden

bekend was; zig om die reden verzekerende dat gezegde hunne goederen

aldaar wel veilig zouden weezen; doch toen de Pruissen er zig bevonden,

en hunne gewoone bezigheden ter hand namen, ondervond men tot ongemeen

groot harteleed, dat zij niet vooraf onderzochten tegen wie, of vóór

wie der bewooneren zij eigenlijk opgezonden waren, nemaar dat zij,

zonder eenzijdigheid, aanvielen op alles wat hun voor de hand kwam;

want onder anderen werd de bedoelde buitenplaats door hen geheel

uitgeplonderd, waarbij zij derhalven verscheidene vliegen in één klap

medenamen.

Men verhaalt, dat de Pruissen eenen bijzonderen haat tegen de

Geinbewooners betoonden te hebben, ter oorzaake dat, op donderdag den

20 September, drie dagen voor hunnen aanval op Weesp, zekeren Huisman,

met naame Hendrik de Ruiter, door twee van Abcoude komende Pruissische

Officieren, op eene listige wijze, naar de sterkte dier stad aan de

voor hun liggende zijde gevraagd zijnde, verzekerd had, dat er, voor zo

verre hij wist, aan dien kant geen geschut lag (zijnde hetzelve er

eerst op vrijdag den 21 gebragt,): toen zij nu des zondags den 23 op

Weesp aantrokken, deeden zij daadlijk onderzoek naar zijn wooning, en

noodzaakten hem in den nacht hen den weg te wijzen; ’t welk hij tot aan

de Geinbrug toe deed: dan, in hunne verwachting bedrogen zijnde,

dreigden zij, bij hunne retraite, diens huismans wooning in de brand te

steeken, en sleepten hem den daaraan volgenden avond, onder een

aanhoudend slaan en stooten, naar het Hoofdquartier aan de

Nichtervechter Kade, alwaar weldra zijn vonnis wierd opgemaakt, daarin

bestaande, dat men hem, zonder forme van proces, aan een’ boom zoude

ophangen, ten spiegel van anderen, die mogelijk in hunnen overmoed

zouden durven besluiten, zijn voetspoor in het misleiden van

krijgslieden, die als vrienden in hun Land kwamen, te volgen: evenwel

heeft men deezen Huisman, op zijn eigen verdediging, en de getuigenis

van zijne buuren, dat hij zig nimmer met eenige Staatkundige geschillen

bemoeid had, en voor een eerlijk man bij hen bekend stond, ontslagen,

onder die voorwaarde, dat hij, het tegendeel bevonden wordende, weder

naar den commandeerenden Officier zou gevoerd worden, en het bedreigde

vonnis zou moeten ondergaan.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 395 / 455 题