Van deezen anderen stok van Weesper-kerspel kan zekerlijk niet genoeg
geroemd worden, en een onzer voorhanden zijnde schrijvers zegt des veel
te weinig wanneer hij het Gein, (of, gelijk men ook wel schrijft, Gein,
of Gijn,) bekoorlijk noemt, en daar bijvoegt, „Dit is zekerlijk één van
de aangenaamste wegen, die men vinden kan; buitenplaats aan
buitenplaats; de eene schooner dan de andere; en ’t geen er mij zeer
voldoet, de weg is zo geheel somber, zo stil, des de ligging der
plaatsen zo geschikt voor gevoelige zielen.”—Het Gein is een
verrukkelijk paradijs, dat men in oogenschouw moet neemen om van
deszelfs bekoorelijke ligging een denkbeeld te kunnen vormen, gelijk
het dan ook voor een goed gedeelte van het jaar duizenden lieden uit
den omtrek, voornaamlijk Amsteldammers, Weespers, en Abcoudenaars tot
zig lokt, om onder deszelfs lommerig geboomte een uurtjen van
uitspanning doortebrengen.
De eigenlijke ligging kan gezegd worden te zijn ten zuidwesten van de
rivier welke dien naam draagt, en de stad Weesp, op den afstand van een
half uur gaans; strekkende het Gein voords tot aan het rechtsgebied van
Abcoude.