Onder dit artijkel van ons algemeen plan, zouden wij, wat de Gaasp
betreft, even als van eenige andere voorgaande iet aantetekenen hebben,
ware het niet dat het deeze polder ook geheugde hoe in onze nog plaats
hebbende, en zelfs hand over hand toeneemende, onlusten, meest al
geboren uit eene zucht voor de Vrijheid, die bij de waare en braave
Nederlanders, welken van den loflijken aart hunner voorvaderen niet
ontaart zijn, (en waaronder gerustlijk alle de bewooners van de Gaasp
betrokken mogen worden,) volstrekt onverwinnelijk is; ware het niet,
zeggen wij, dat deeze polder ook de baldaadigheid, of liever wreede
woestheid van den Pruissischen Soldaat hadde moeten bezuuren: bij de
overstrooming van een aanzienlijk gedeelte van onzen vrijen grond door
de bedoelde Vorstlijke benden, waarvoor de Vaderlandsche burgerhelden
hebben moeten goedvinden te wijken, ontvingen die van de Gaasp ook hun
aandeel van dezelve ter inquartieringe, en hebben er niet weinig
overlast van geleden, zonder naderhand eenige schadevergoeding ja zelfs
zonder het geaccordeerde teergeld in zijn geheel ontvangen te hebben,
zo dat zij vrij mogen zeggen:
Soldaat zij vijand of zij vrind,
Hij neemt wat hij kan krijgen,
Doet door geweld den klaager zwijgen,
Hij is zijn welvaart moê, die zulk een gast bemint.
Hoe zeer de Pruissen zig verstouten op lauren, in deeze zonderlinge
expeditie bevochten, te roemen, is het echter onwederspreekelijk waar,
dat zij dapperen tegenstand gevonden hebben; zij ontmoetten mannen van
moed, zodanig als zij nog nimmer ontmoet hadden: zo geheugt ons gehoord
te hebben, hoe elders een detachement cavallerij van de Hollanders, ter
recognosseering uitgezonden, een detachement Pruissen, ook paardevolk,
ten gemoete kwam: één van deezen, de Hollanders, op vertellingjens,
verachtende, reedt uit het gelid, hun al tartende tegen; hier op
verzocht één der Hollanderen verlof om deezen snorker het hoofd te
mogen gaan bieden; hij kreeg verlof en gaf zijn paard de spooren;
welhaast geraakten partijen aan den dans, met dat gevolg, dat het paard
van den Hollander doodgeschoten werd; de ruiter sprong, in den val van
’t paard, in een nabuurige sloot, en daarin staande, vattede hij den
karabijn, en schoot den Pruis van het paard, waarna hij uit den sloot
kwam, op het vijandlijk paard steeg, en in triumph in zijn gelid
wederkeerde——zeker, zulke dappere daaden, verdienen bij gelegenheden
vereeuwigd te worden.
Bijzonderheden zijn in deeze polder niet aanwezig, gelijk er ook geene
reisgelegenheden, of herbergen, veel min logementen, voorhanden zijn:
aan het eind van de Bijlemer, of begin van de Gaasp, ligt de aangenaame
herberg, Gaasperzicht, waarvan wij onder de Bijlemer reeds gesproken
hebben.