GROOTTE

Van den grond, in den eigenlijken omvang van de Gaasp, staat op de

quohieren der verpondingen over Weesper-kerspel in ’t algemeen niet

aangetekend; gelijk ons dan ook niet bericht is hoe veel huizen in

deeze polder gevonden worden: behalven die woningen, liggen er in Gaasp

nog eenige buitenplaatsen, die echter van weinige betekenis zijn: de

eenige voornaame is die welke met den naam van Reigersbroek pronkt;

zijnde deeze de naam van een lusthuis met zijn ongemeen ver uitgestrekt

bosch daarbij, ’t welk de Heeren van Amstel, in hunnen tijd, in deezen

oord hadden, waarop zij hunne Officieren onder de benaaming van

Meesters, of Bewaarders van den Reigerbossche stelden; men wil dat dit

huis en bosch in den grooten watervloed van 1421 verzwolgen zouden

weezen, ter staavinge van het welk zij, onder anderen, de boomen die

jaarlijks in den ruimen omtrek van dit oord nog opgegraven worden,

bijbrengen.

Het gezegde getal van huizen in de Gaasp, zoude men echter nog drie

hooger kunnen stellen, indien men daaronder betrokke de drie

watermolens, in de polder voorhanden zijnde om het overtollige water

uittemaalen: thans echter zijn dezelven van geenen dienst, alzo de

landlieden aldaar zig onderwerpelijk moeten getroosten dat het

polderwater tot eene gevaarlijke en werkelijk nadeelige hoogte rijze,

vermids de molenaars van gezegde watermolens, bevel ontvangen hebben,

volstrekt niet te maalen, tot nader order; men kan naamlijk goedvinden

de binnenwateren door ze bovenmaatig te doen zwellen, gereed te houden

tot het aanstellen van bejammerenswaardige inundatiën, daartoe

aangemoedigd door de aannaadering van het magtige Fransche volk—’t is

echter zeer te vreezen.... maar wij mogen niet vreezen, naamlijk niet

in ’t openbaar; ’s Lands vaderen, hartlijk begaan met den toestand

hunner onderhoorigen, begeeren, hoogst edelmoedig, het pijnlijke der

vreeze voor zig alleen te houden, en vorderen niets anders dan eene

stille, eene, in zekere opzichten, zorgelooze onderwerping.

Het wapen van de Gaasp, kan gezegd worden dat van Weesper-Kerspel te

weezen, gelijk zulks ook omtrent de overige stokken van dat Kerspel

plaats heeft.

Kerklijke of wereldlijke gebouwen zijn hier geheel niet voorhanden,

derhalven kunnen wij vervolgends ook onder ons artijkel, kerklijke

regeering niets brengen: zie wegens de weezen en armen het artijkel

regeering in onze beschrijving van Weesper-Kerspel in ’t algemeen, de

bewooners moeten voords te Abcoude of te Weesp ter kerke gaan: zie

omtrent het schoolgaan onder onze beschrijving van ’t Gein—wat voords

de wereldlijke regeering betreft, van deeze is reeds onder onze gemelde

algemeene beschrijving van Weesper-kerspel gesproken.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 380 / 455 题