GESCHIEDENIS.

Wij hebben reeds gehoord dat niet geweeten wordt hoe deeze Meir, zo wel

als de Bijlemer zelve, na de Heeren van Amstel dezelve aan den Bisschop

van Utrecht hebben moeten afstaan, weder aan de Graaflijkheid van

Holland is gekomen, dit is zeker dat zij er aangekomen zijn, reeds

sedert den jaare 1622, want toen werd er van de Staaten van Holland en

Westfriesland octrooi verzocht en ook verkregen om deeze Meir te mogen

bedijken, droog te maaken, en in eigendom te mogen houden, op eene

erkentenis van duizend guldens jaarlijks; een verlof dat in de daad in

ons Land wel zonder erkentenis mogt gegeven worden; aangezien het

gevaar waarmede deeze en dergelijke streeken het Land over ’t algemeen

dreigen—de gezegde duizend guldens jaarlijks zouden verdeeld worden

over de morgentalen van de bedijkte Meir, mits de Ingelanden wier

landen in de bedijking zouden betrokken zijn, (zie hier voor de

Beschrijving van de Bijlemer, art. Grootte,) te vergenoegen en op

zodanige voorwaarden van bestuuring over de drooggemaakte landen, als

meesttentijds bij het bedijken van meiren of waterplassen verzocht

wordt, midsgaders vrijdommen van lasten voor eenige jaaren—dit groote

en nuttige werk, had ook waarlijk zijnen voordgang, en dat niet alleen,

maar ook zijn goed gevolg, zodanig naamlijk, dat de Meir in den jaare

1627 droog geweest is; als wanneer door de onderneemers of Ingelanden

aan de Heeren Staaten van Holland en Westfriesland verzocht werd om het

Hooge, Middenbaare en Laage rechtsgebied over de drooggemaakte landen

te mogen oefenen, dat hun ook geredelijk toegestaan werd; in gevolge

van welke vergunning de drooggemaakte landen, zo lange zij bestaan

hebben, ook hunnen eigenen Baljuw hebben gehad; en wel tot den jaare

1702, toen (tusschen den 5 en 6 April,) eenen hevigen storm, den

ringdijk der Meir zodanig van het buitenwater deed lijden, dat dezelve

doorbrak, en de geheele droogmaak weder in een Meir deed veranderen;

dat is bijna in die gedaante waarin wij dezelve nog heden ten dage

zien.

L. Smids, in zijn Oorlogend Europa, bladz. 126, stelt de voorgemelde

tijd van volbragt werk, wegens deeze droogmaaking, vier jaaren laater,

naamlijk in 1631; hij zegt naamlijk: „Tusschen den 5 en 6, (April

1702,) hadt men bij nacht eenen droevigen watersnood, rondsom

Amsteldam, tot aan Haarlem en Edam, Utrecht en Amersfoord, zijnde de

dijken bij Muiden weggespoeld, en de Bijlemermeir, tusschen Diemen en

Gaasp, anno 1631 bedijkt, nu weder gantsch overspoeld:” ongetwijfeld

moet dit verschil der jaartallen gebragt worden, tot den tijd der

voltooide droogmaaking, en den tijd dat de in die droogmaak aangehoogde

gronden bebouwbaar waren.

„Dit ongeval,” leezen wij, „is aan de landen deezer bedijkinge te

vooren nogmaals overgekomen, in den jaare 1672, (gelijk wij in onze

beschrijving van de Diemer- of Watergrafts-meir mede aangetekend

hebben; zie aldaar) „toen de nabijheid der Franschen de Regeering der

Stad Amsteldam deed oordeelen dat het tot haare veiligheid noodzaaklijk

was, alle de landen die digt omtrent haar gelegen waren, onder water te

zetten: dit ongemak scheen men tot weering van den vijand geduldig te

lijden, en zig op nieuw de droogmaaking te getroosten; maar na de

laatste doorbraak, in 1702, hebben de Ingelanden nimmer eene volstrekte

uitmaalinge van het water in deeze Meir ondernomen: dit was

ongetwijfeld de oorzaak”, vervolgt onze schrijver, „dat de steden

Amsteldam en Weesp, zekerlijk tot behouding der onderlinge gemeenschap,

te raaden geworden zijn de Bijlemermeir te aanvaarden, op zodanige

voorwaarden, als zij met de eigenaars zouden verdragen; waartoe deeze

twee steden met elkander eene overeenkomst aangingen, den 20 November

des jaars 1702; waarbij vastgesteld werd dat van wederzijde voor de

helfte in de onkosten zoude gedragen worden, tot het herstellen van den

dijk, en het droog- of dras-maalen van de Meir, als mede tot het

jaarlijks onderhouden van den dijk, met het geen er toe behoorde van

molens als anderzins; waartoe wederom de voordeelen wederzijds ter

helft zouden genoten worden van de tollen, vogelkooi, visscherij, ’t

riet- en gras-gewas van den dijk, en wat verder ten nutte zoude kunnen

komen.”

Den 24 Augustus des jaars 1703 volgde hierop eene overeenkomst tusschen

de gemelde steden Amsteldam en Weesp, ter eener, en de Ingelanden van

de Meir ter andere zijde, waarbij de steden gemagtigd werden, tot alles

wat ter behoudenisse van den dijk, en tot bewaaring van den boezem der

Meir zoude mogen dienen, als mede om van binnen om den dijk modder of

andere stoffen te brengen, drijfbalken te leggen, enz. alles zonder

tegenspraak van de Ingelanden, die echter in tegendeel de molen aan zig

zouden houden, en ieder van hun zijne huizen en getimmerten, om daar

naar welgevallen mede te mogen handelen: ook zouden de Ingelanden

bovendien de visscherij over de geheele Meir behouden; maar wat betreft

den dijk zelven, het genot daarvan, mits er geene beesten over moesten

loopen, voords ook het riet- en gras-gewas, rondsom de geheele Meir,

zou verdeeld worden tusschen de meergemelde twee steden ter eener, en

de Ingelanden ter andere zijde, iedere partij voor de zuivere helft: de

gezegde steden zouden voords niet gehouden zijn te draagen in de

schulden en eisschen, loopende ten lasten van de Ingelanden.

Ten aanzien van het droogmaalen der Bijlemermeir, is sedert niets meer

voorgevallen, dan dat men door het instorten of plempen van modder

(waarvan wij reeds iet zeiden,) langzaamerhand land aanwint; ’t is te

hoopen dat deeze moejelijke taak van tijd tot tijd voordgezet zal

worden; en ’t is te berekenen dat het mogelijk is, door dat middel,

ofschoon niet binnen weinige jaaren, de breede waterplas onder bedwang

te krijgen, niet alleen, maar zelfs haar gevreesd vermogen zodanig te

verzwakken dat zij, om zo te spreeken, het hoofd voor den ijver des

arbeids zal moeten onderhaalen, en het water in vruchtbaar land

veranderd zal worden, zonder de zwaare onkosten van uitmaalinge.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 372 / 455 题