AANLEG EN GROOTTE.

De aanleg moet, en het geen van zelf spreekt, niet anders verstaan

worden, dan van het bedijken der Meir, hetwelk, (benevens het uitmaalen

der plasse,) zijn vollen beslag had in den jaare 1627, gelijk nader

verhaald zal worden.

De grootte hebben wij niet te weeten kunnen komen, niet anders dan dat

de ringdijk die er om gelegen is, en derhalven de Meir in zijnen

omtrek, beslaat eenen weg van drie uuren gaans, gelijk wij boven reeds

zeiden.

Dewijl het droogmaken deezer Meir, met geen wenschlijken uitslag

bekroond is geworden, en de bewooning derzelven, of liever van den

ring, gelijk wij ook reeds zeiden, zeer gering is, zijn hier ook noch

kerklijke, noch wereldlijke gebouwen voorhanden, en daar de weinige

bewooners van den ringdijk, rondsom de meir, crimineel en civil voor de

rechtbanken van Amsteldam of Weesp betrokken worden, (echter heeft de

meir haar eigen Bailluw en Dykgraaf, Schout en Secretaris,) en wij

derhalven in ons artijkel regeering ook niets te zeggen hebben, blijft

ons weinig meer aantetekenen, dan wegens de

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 369 / 455 题