Bepaalen te zijn, ten noordwesten en ten westen van de Bijlemerlanden,
en ten noorden van Weesper-kerspel, zijnde voords omtrent een quartier
uur gaans ver van de Watergrafts- of Diemermeir: het is een waterplas
van goede drie uuren in den omtrek.
Dewijl deeze Meir, na droog geweest te hebben, weder tot eene waterplas
geworden is, gelijk wij nader zullen verhaalen, is de gelegenheid
derzelve op verre na niet zo vermaaklijk als die van de Diemer- of
Watergrafts-meir; zo aangenaam als eene wandeling om den ring van deeze
is, zo onaangenaam is zulk eene wandeling rondsom de Bijlemermeir: op
verre afstanden van elkander liggen eenige bouwerijen en melkerijen,
waardoor de gezegde wandeling allerlastigst eenzaam wordt: de ring ligt
geheel woest, en heeft, met één woord, niets aangenaams.
Vermaaklijkst nog is de wandeling naar den Meirkant, door het
groenland, zo als men aldaar spreekt, dat is door de bebouwde landen
binnensdijks gelegen: vóór de overstrooming bovengemeld, moet, volgens
overleveringen, deeze droogmaak geene onaangenaame wandelplaats geweest
zijn; men verhaalt, onder anderen dat er een laan gelegen heeft, van
het Weesper-tolhek, dwars over de meir, tot aan Abcoude.
Men wil dat deeze Meir, benevens de geheele Bijlemer, weleer die landen
geweest zijn, die de Heeren uit den Huize van Amstel, aan den Bisschop
van Utrecht hebben afgestaan, in den zoen van den Jaare 1285; „Doch hoe
deeze landen”, zeggen de schrijvers van den Tegenwoordigen staat van
Holland, „naderhand weder aan de Graaflijkheid van Holland zijn
gekomen, weeten wij niet te zeggen.”