GESCHIEDENISSEN

Van deezen Stok van Weesper-kerspel in ’t bijzonder betreft; deeze

bepaalen zig hoofdzaaklijk bij die van de Bijlemermeir, waarvan straks

nader.

En wat aangaat onze jongstledene gebeurtenissen, uit de gelegenheid van

den grond, in Weesper-kerspel naamlijk, dat is nabij Weesp, is te

besluiten dat de Bijlemer daarvan niet bevrijd is gebleven; voor zig

zelve echter zoude het daarmede niet te doen gehad hebben; niet verder

als wat betreft het overlastig doortrekken van de Pruissen, van den

kant van Weesp naar Amsteldam; doch daar dat doortrekken tegenstand

geboden werd, viel er ook vrij wat meer te doen.

De gewapende burgers, naamlijk, waakzaam op de zaak die zij aangenomen

hadden te verdedigen, en voor overval van buiten beducht, hadden eene

sterke batterij gelegd even door het Weesper-tolhek, aan het begin van

de Bijlemer; ’t sprak derhalven van zelf dat de Pruissen, bij hunne

aannadering van Amsteldam, hier geen vrijen doortogt hadden, en den

tegenstand gewaarwordende bragt hun oogmerk het wegnemen van denzelven

noodzaakelijk mede; er volgde derhalven eenen aanval, die echter ook

met mannenmoed beantwoord werd; de Pruissische kogels vloogen in

menigte door de wooning van den tollenaar, en een ander belenden het

Raadhuis staande boerehuis; (waarvan de blijken, in de nieuwe

ingezetten stukken muurs nog duidelijk gezien worden;) terwijl de

Patriotten niet nalieten den vijand in gelijke taal te beantwoorden;

doch men weet hoe deezen hebben moeten goedvinden, den Pruissen den

doortogt toetelaaten, het geen ten gevolge had dat de bewooners aldaar,

die echter meest, op eenige knechts of meiden na, de wijk naar

Amsteldam genomen hadden, niet weinig overlast leeden, vooral van die

manschappen welken hun als bezetting gelaten werden: de bewooners der

huizingen, die, gelijk wij gezegd hebben, gevlugt waren, werden in

hunne wooningen terug geroepen, onder de bedreiging dat anders hunne

geheele nagelatene bezitting, (men kan in dergelijke gelegenheden niet

alles, dikwijls verre het minste, medeneemen,) aan de genade en

ongenade van den soldaat overgegeven zoude worden: aan dit bevel werd

gehoorzaamd; en de manschap werd bij de bewooners geïnquartierd: één

van allen, eene weduwe, moest er niet minder dan zeven-en-twintig

bergen, en de kost geeven; een gezelschap waarover zij, (volgends haar

eigen zeggen,) op verre na niet voldaan is, en weshalven zij ook geen

verlangen heeft om andermaal zulk een huishouden onder haar dak

bijtewoonen—vermids voords den aanmarsch op Amsteldam vervolgd werd, en

voor de Bijlemer, of den bodem van dat gebied, niet meer te vreezen

was, kwamen de opgezetenen, met het gezegde vrij.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 361 / 455 题