Van dit dorpjen, behooren twee kerkhoven, het eene reeds in de
voorgaande eeuw aangelegd voor de Hoogduitsche Jooden, van welken hier
doorgaands honderd in het jaar begraven worden; het andere is, sedert
een jaar aangelegd, voor de Lutherschen van ’t Oude licht; doch tot
heden toe heeft niemand hier eene rustplaats voor zijn overschot
verkozen.
Het voornaame logement waartoe de voorgemelde buitenplaats van den
Heere Abbema gemaakt is, verdient mede eene bijzonderheid genoemd te
worden, uit aanmerking van de zonderling grootsche aanleg, (waarvan
mogelijk in geheel het Vaderland, geen voorbeeld voorhanden is,) zo wel
als van de kleinte van het dorpjen, alwaar dezelve gevonden wordt; doch
wanneer men aanmerkt dat de Grooten reeds vóór dien aanleg gewoon waren
zig op Muiderberg te komen verlustigen, en ook dat er verscheidene
buitenplaatsen rondsom liggen, allen welken geduurende het zomersaisoen
bewoond worden, dan komt de verkiezing van dien aanleg niet zo geheel
bijzonder voor; men konde tog vooraf op voldoend vertier staat maaken,
om reeden van hetgeen wij zo even zeiden; want dat vertier moet ook
alleen slechts van de Grooten komen, de burger schrikt op het zien van
den prachtigen aanleg, zodra hij het woord Logement er voor leest:
vooral is deeze plaats eene bijzonderheid, wegens de aanmerkenswaardige
echo die men aldaar heeft, en welke veele vreemdelingen derwaards lokt;
de Edele Heer Willem Hooft, te Amsteldam, heeft er den zeer geleerden
Heere Martinet, nagenoeg de volgende beschrijving van medegedeeld—men
vindt er een ouden muur in een halve cirkelronde gedaante, zeven voeten
hoog gebouwd, met een schuinse rollaag, die men op één voet mag
rekenen; de middenlijn deszelven beloopt op honderd en negen voeten
binnenswerks: vijftien voeten ten noorden achter deezen muur staat eene
hegge, die twee of drie voeten hoog boven denzelven uitsteekt, en
eenige roeden verder vindt men hooge boomen; wanneer men nu vóór deezen
muur gaat staan, dan ziet men tusschen beiden eenen platten beplanten
grond, en achter zig heeft men eenen anderen halven cirkel van latwerk,
waartegen eenig geboomte is opgeleid, zijnde de afstand van het
middenpunt des muurs tot dat van het latwerk, van honderd twee- en
twintig en een halven voet Amsteldamsche maat.
Indien men zig nu plaatst op den afstand van drie- en- vijftig voeten
van het middenpunt des muurs, en een ander zeventien voeten ten westen
bezijden den eerstgemelden gaat staan, en dan zacht of hard, geheele
versen spreekt, beantwoordt de echo dezelven, niet achter elkander,
maar elk afzonderlijk, één voor één: dan, het verwonderlijkste van
alles is, dat de stem of de echo niet schijnt terug te komen van den
muur, maar uit den grond, zeer juist alle woorden nabaauwende.
Deeze echo is aldaar ontdekt voor bijna zeventig jaaren, toen de Heer
Homoet eigenaar dier plaatse was, en bij gelegenheid dat men eene
ligusterhegge uitroeide: intusschen is het zeker, dat in het
Vaderlandsch Treurspel, Gerard van Velzen, in het jaar 1613 in ’t licht
gegeven, reeds gesproken wordt van het verstoord gebeente van dit
cirkelrond, en van de echo, bij gevolg is deeze muur, (waartoe gemaakt
weet men niet, mogelijk tevens tot eene begraafplaats,) en dus ook
deeze overschoone echo, al vóór honderd een- en- dertig jaaren, bekend
geweest, die daarna in het vergeetboek geraakt kan zijn, toen deeze
hofstede, uit de eene hand in de andere overging, tot dat men, de
ligusterhegge uitwerpende, dezelve toevallig ontdekte.