GESCHIEDENISSEN,

Van Muiderberg, de beschrijving van deezen vereischt geene breede

plaats: in de oorlogsrampen van Muiden en Naarden, heeft het zeer

waarschijnelijk zijn deel gehad, ofschoon wij desaangaande niets

bijzonderlijks vinden aangetekend; alleenlijk is het optemaaken uit den

aart dier rampen, zodanig zijnde, dat zij zig maar zeldzaam, of liever

nooit, aan een klein plekjen gronds bepaalen, maar altoos eenen ruimen

omtrek inneemen; de bewerkers dier rampen zijn Vorsten, deezen zegt

men, niet ten onrechte, schoon tot hunne schande, hebben lange armen,

en zulks wordt in tijden van oorlog met nadruk gevoeld; als hunne armen

gewapend zijn, rijken hunne zwaarden mijlen ver; en slaat men het oog

op hunne laaghartige huurelingen, die vijanden van alle menschlijkheid,

zeker, dan is het nog minder te bewonderen dat de rampen des oorlogs,

zig nimmer bij een klein pleksken gronds bepaalen; de gezegde

vorsten-slaaven, zijn over het algemeen losbandige booswichten,

uitgehongerde raaven, die onder den dekmantel van rechten des oorlogs,

hunne harten met gruwelen, en hunne maagen met geroofde beeten vullen,

gelijk zij ook niet zelden hunne beestachtige lusten voldoen ten koste

van de eer veeler braave vrouwen en maagden—is er immer een tijd

geweest waarin zulks dagelijks ondervonden wordt, ’t is de tijd dien

wij beleeven; door geheel Europa woedt en plundert de schenzieke en

hoogst verachtelijke soldaat.... doch welhaast wordt veelligt de dag

geboren, (sommigen meenen zelfs de eerste morgenschemering daarvan

reeds te bespeuren,) waarop alle vorst, alle soldaat.... dan op dien

toon voordgaande, zouden wij de eigenlijke paalen van ons plan

overschreiden.

Door het vuur heeft Muiderberg, voor zo verre wij hebben kunnen

naspooren, nooit veel geleden; ook niet door het water; want ofschoon

het nabij de zee gelegen zij, heeft de goeddoende en altijd zorgende

Natuur het dorpjen, door middel van vrij hoog duin tegen de woede van

dat element beveiligd.

„In den jaare 1673 hadden de Franschen,” dus luidt een gedeelte der

historie van dit dorp, „zig op Muiderberg verschanst en batterijen

opgeworpen tegen die van Muiden, welke stad zij toen onder hunne magt

hoopten te krijgen; zij werden echter van daar verdreven, door

verscheidene uitleggers op de Zuiderzee, die van Amsteldam gezonden

werden, en door vlotschuiten met kanon waarvan men drijvende batterijen

maakte, die hen van de vaart tusschen Muiden en Naarden zo benaauwden,

dat zij op den 6 Junij van ’t gemelde jaar opbraken, en hunne

onderneemingen lieten vaaren.”

Bij de omwending in onzen burgerlijken staat, heeft Muiderberg zeer

veel geleden: door de Pruissen zijn alle buitenplaatsen grootlijks, en

Rustrijk, die van den Heere Abbema, ook de Pastorij, geheel en al

geplunderd: verscheide weken hebben veele oude lieden en kinderen zig

in de open lucht moeten ophouden, om derzelver schreeuwende

mishandelingen te ontvlieden: wij mogen intusschen niet vergeten

aantetekenen dat de ingezetenen aldaar meest de Patriotsche partij

toegedaan waren, en zij zig, op last der Heeren Staaten van Holland en

Westvriesland, ook in den wapenhandel geoefend hebben.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 322 / 455 题