Van Muiderberg, kan gezegd worden te zijn aan de Zuiderzee, een klein
uur gaans ten Zuidoosten van Naarden, en een groot half uur ten
noordwesten van Muiden—Schoon Muiderberg thans onder Gooiland gerekend
worde, moet het evenwel omtrent vijf eeuwen vroeger onder Amstelland
behoord hebben; want Graaf Willem van Henegouwen, de derde van dien
naam onder de Graaven van Holland, beschrijft in eenen brief, gegeven
in den jaare 1324, dit plaatsjen als gelegen in den Lande van Amstel,
begiftigende de Capelle aldaar, (nu de kerk, waarvan straks nader,) met
inkomsten uit de visscherij van de gezegde Lande van Amstel; hoe het
echter in vervolg van tijd onder het Bailluwschap van Gooiland gekomen
is, wordt, zo veel ons bewust is, nergens aangetekend. Uit het
bovengezegde blijkt dat de grond van Muiderberg, hoewel over het
algemeen zeer zandig, niet onbekwaam is ter beplantinge en bebouwinge
met boomgewas, land- en veld-vruchten; de ligging is, over het
algemeen, zonderling behaaglijk; ieder kan er zig naar zijnen smaak
verlustigen, waarom het ook zeer bloejend mag genoemd worden,
voornaamlijk ter oorzaake van de veelvuldige bezoeken die het, gelijk
wij reeds zeiden, ontvangt; zeker, die des zomers de eenzaamheid zocht,
zoude zig niet naar Muiderberg moeten begeeven; de strand der zee
krielt er gemeenlijk van vrolijke gasten, die zig, wandelende, onder
het aanheffen van een luchtig deuntjen vermaaken; of, bedaarder, maar
meer verrukt, met hunne minnaressen over de gevoelens van hun hart
kouten, en nu en dan, ter beantwoordinge van een zijdelings lonkjen,
een kuschjen plukken, dat onder den ruimen hemel meer aangenaamheids
ontvangt, en welks klank door het geruis der zee verdoofd wordt; hier
zitten talrijke gezelschappen, of kleinere gezinnen in het warme zand,
of op het frissche gras neder, en doen een genoeglijke en landlijke
maaltijd, of stoejen, onderling dat de schateringen in de lucht
wedergalmen; of drinken elkander een frisschen teug toe: is de zee niet
ongestuimig, dan ziet men niet zelden en menigte mans en knaapen met
ontblotene beenen, een goed eind wegs in dezelve ingaan, het geen eene
aangename vertooning maakt; of ook gaan digt aan het woelend water de
kinderen zig vermaaken met het verzamelen van de opwerpselen der zee,
schattende somtijds een door het water glad geschuurd keitjen hooger
dan zij eene wèl geslepene diamant zouden schatten; of een schelpjen
hooger dan de onderlinge vriendschap, want zulk een schelpjen is in
hunne oogen waardig genoeg om tot schreiens toe te kibbelen wie zig het
gevondene zal benaderen, daar verscheidene handen er te gelijk naar
uitgestrekt zijn geworden; met één woord, de vermaaken die te
Muiderberg genoten worden zijn te talrijk om ze allen te beschrijven,
en te vol gewoel om er een wèl geordend tafreel van te ontwerpen; allen
helpen zij intusschen, zo als wij reeds zeiden, den bloei van het
plaatsjen niet weinig bevorderen.
’T is omtrent deeze plaats, omtrent dit dorpjen, dat, naar ’t gevoelen
van eenigen, Graaf Floris de Vijfde, door de zamengezworenen is
omgebragt; (zie onze beschrijving van Naarden, Art. Geschiedenissen,)
’t geen anderen, doch verkeerdlijk, willen, dat op het Muiderslot zoude
geschied weezen, ’t geen echter van de beste Historieschrijvers wordt
tegengesproken, in navolging van welken de Puik-dichter Antonides van
der Goes, in zijnen Y-stroom, bladz. 108, ook zegt:
Toen Velzen, zoet op wraak, met zijne vloekgenooten,
Den Graaf, zijn’ wettig Vorst, den dolk in ’t hut dorst stooten,
En Gooiland verwen met het bloed van zijnen Heer.
Woorden die allerduidelijkst te kennen geeven dat, volgends den
Dichter, ’s Graaven bloed den Gooischen bodem, (niet den grond van
deeze of geene kamer in het Muiderslot,) geverwd heeft.