MUIDERBERG.

Wie Zee en lomrig hout bemint,

Op ’t bouwland zijn genoegen vindt,

Met duinzand gaarne blinken ziet,

Vergeete MUIDERBERG dan niet.

In het aangenaame Gooiland, beslaat zekerlijk geene onaanmerkelijke,

noch onbevallige plaats, het dorpjen waarover wij thans onze leezers

moeten onderhouden; te recht wordt van hetzelve gezegd dat men aldaar

in een klein bestek beschouwt: „alle de veranderingen van Gooiland, van

heuvelen zaai- en wei-landen, en bosschaadjen, benevens het gezicht op

de Zuiderzee; ook ontbreekt het er geenzins aan bekoorelijke

lusthoven?”

Al wat het oog verrukken kan;

Vindt men hier bij elkander,

Wat deel des gronds men ook betreed’,

Het een is niet als ’t ander;

Nu is ’t de ruime Zuiderzee,

Dan duin, hier breede velden,

Wier bloejend boekwijt, en wier graan,

Den gunst des Scheppers melden;

Gintsch is het welig kreupelbosch;

Daar aangenaame dreeven;

Al wat hier is kan ’s wandlaars oog

En hart voldoening geeven.

Geen wonder derhalven dat het omliggende landvolk, niet alleen, maar

ook de naaste stedelingen, als die van Naarden, Muiden, maar

voornaamlijk de Amsteldammers, er zig eene buitengewoone genoegelijke

uitspanning van maaken, een dagreisjen naar dit bevallig pleksken

gronds te doen.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 310 / 455 题