HET DORP BUSSEM.

Pronkt Nederland met trotsche steden,

Slechts uit een kleen begin ontstaan,

Het zag Verval, (thans weêr aan ’t woeden,)

Ook andre plaatsen nederslaan:

Hij, bij wien zeggen juist niet geldt,

Zie BUSSEM, hem hier voorgesteld.

’T is zekerlijk waar dat de Nederlandsche dorpen, in verscheidene

opzichten, met elkander overeenkomen; niet wat de tekening van dezelve

betreft, want het eene is in gedaante of ligging dikwijls zeer

verschillend van het andere; daar het eene een aardsch paradijs

gelijkt, waarin niet dan landlijk schoon heerscht, en in welks bevang,

of ook in welks environs, de Natuur onze oogen op de alleraangenaamste

wijze verrukt, en door die verrukking onze ziel streelt; daar dit

dikwijls omtrent het eene plaats heeft, is het andere doods of als een

kerkhof; daar het eene op de woeligste wijze bloeit, de vrolijkheid er

alomme heerscht, en het genoegen op de aanzichten der inwooneren

dartelt, is het andere een beklaagenswaardig treffend voorbeeld van

verval, op ’t gelaat van welks inwooneren de kwijning geschilderd

staat, en die geene andere vertooning maaken, dan van lieden, welken

onder de wreedste verdrukking een jammervol leven naar het graf

sleepen: is deeze opzichten, zeker, is er onder de Nederlandsche dorpen

niet zelden een zeer aanmerkelijk verschil, maar groote overeenkomst

heerscht er in de opgave en beschrijvingen van hunne openbaare

gebouwen; van hunne kerklijke en wereldlijke regeeringswijze; van hunne

historie, (dit laatste vooral wanneer de beschrevene dorpen in een

zelfd oord liggen;) van de middelen huns bestaans, als anderzins; doch

Bussem, het dorpjen, waarmede wij onze leezers thans nader bekend

zullen maaken, is, zo niet in alle de gemelde opzichten, echter daarin

geheel van alle de andere Nederlandsche dorpen onderscheiden, dat het

wel eene kerk heeft, doch waarin sedert bijna derde half honderd jaaren

geenen dienst gedaan is; ook blijkt uit het gebouwetjen zelf, (’t welk

wij straks nader zullen leeren kennen,) dat de gemeente, toen dezelve

op het dorp nog bestond, maar zeer klein moet geweest zijn.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 293 / 455 题