Van het vermaaklijk ’s Graveland, wij vinden daarvan, behalven het geen
wegens den aanleg des dorps (zie hier voor, bl. 5.) gezegd is, het
volgende aangetekend:
„Het dorp gevoelde in den jaare 1672, zo wel als Hilversum en de
Loosdrechten, de inlegering der Franschen, die er tot den jaare 1673
verbleeven, en er veele baldaadigheden pleegden; zij verwoestten
voornaamlijk de Hofsteden van den Lieutenant Admiraal Cornelis Tromp,
en die van zijn Gemalinne, Vrouwe Margaretha, Baronnesse van Raaphorst,
welke lustplaatsen naast elkander gelegen waren; het heerelijk geboomte
werd er uitgeroeid, en het landhuis van den Admiraal, werd genoegzaam
ten gronde toe gesloopt; alles wat kostelijk en ten cieraad der
gebouwen diende, werd verbroken, weggevoerd, verkocht of vernield, en
eindelijk werd ook het Landhuis van des Admiraals Gemaalinne in brand
gestoken, waardoor het in een puinhoop ter neder stortte; maar deeze
ramp, hoewel schadelijk, was tevens oorzaak dat de lusthoven,
voornaamlijk die der Gemalinne van den Admiraal, in een heerelijker
luister hersteld geworden zijn; gelijk het deftig Trompenburg nog heden
getuigt, in welks herstelling en nieuwe opbouw de grootdaadigheid van
den Admiraal allezins doorstraalt: het huis, rondsom in eenen vijver
gebouwd, is vorstlijk, en rijst uit het water als een kasteel,
pronkende met eenen schoonen koepeltoren, onder welks bevang zig een
fraaje agtkante zaal, van ongemeene ruimte en pracht van bouwkunde en
cieraadjen vertoont: in vier uitstekken van deeze zaal, waarvan het
eene tot den ingang dient, zijn de schepen afgebeeld, waarmede de Heer
Tromp de overwinning tegen verscheidene natien behaald heeft: rondsom
in de koepel is alles zeer heerelijk beschilderd, en de andere
vertrekken ontdekken niet minder den grootmoedigen geest van den
zeeheld: de plantaadjen beantwoordt aan de deftigheid van het huis, en
is in laatere dagen nog vergroot, door één’ van haare volgende
bezitteren, den Heere Jacob Roeters, op wiens zoon en naamgenoot, deeze
lustplaats bij ervenisse is afgedaald”: de overige lusthoven op dit
Dorp zijn ieder in zijne soort niet minder aanzienlijk, en zijn een
tourtjen derwaards dubbeld waardig.
Wat heeft de eenigzins ervaren Nederlander, op het zien van de gezegde
bevallige lustplaats van den waardigen Vaderlandschen Zeeheld, Cornelis
Tromp, niet een ruim veld voor zig, om zijne gedachten te laaten weiden
over den staat des Lands ten dien tijde, gezien bij dien van
heden!—hadde Nederland thans dergelijke Zeehelden op zijne weinige
kielen, het zoude welhaast ondervinden, dat zulke mannen zig zelven
voor te waardig houden, om zeediensten als de tegenwoordige te doen: ’t
was een Tromp, die met een vloot van een-en-zeventig oorlogschepen
tegen de Engelschen optoog; ’t was de vijand toen onmogelijk, zo als
men, laas! thans ziet gebeuren, eene geheele vloot Hollandsche
Koopvaarders, met haare convooi-schepen, (twee in ’t getal)
wegteneemen—in ’t jaar 1652, begeleidde men omtrent driehonderd
koopvaarders, met bijna zeventig oorlogschepen van den Staat; drie van
de Oostindische Compagnie, behalven de branders, en ander klein
vaartuig; toen, derhalven, mogt Nederland eene geduchte zeemogendheid
genoemd worden, en wat is het nu?—in 1653 sloeg men tegen de
Engelschen, niettegenstaande men derdehalf honderd Koopvaarders onder
zijn geleide hadde, en men overwon; in de beschrijving van dien
vreezelijken strijd, voorgevallen omtrent Poortland, kan men zien wat
men toen van de Nederlandsche helden te wachten hadt: een gedeelte dier
beschrijving zegt: „Hier vielen de masten buiten boord, gints ging het
wand aan flenters; daar kraakten de ribben, en suisden de kogels door
de zeilen heen; aan een anderen kant hechtte een boegspriet in de
hoofdtouwen; daar enterde een zijn’ vijand, en vloog met het verdek in
de lucht; hier wemelde een zieltoogende in ’t water, en gaf zijne
laatste snikken zonder gehoord te worden; gints dobberde een op
gescheurde dennen, of haalde het hoofd onder bebloede golven: ’t gekerm
der gekwetsten, verdoofd door het gieren der kneppels, koevoeten,
gloejende schuiftangen, getakte morgensterren, en draadkogels,
ontzettede de aanvallers te minder: onder een dikke rook flikkerde
telkens de bliksem van ’t aangestoken buskruid; ’t licht scheen
verbaasd gevlugt te weezen, terwijl de dood in een damp rondom snorde;
Boulongues bergen sidderden voor den donder der kartouwen, en Poortland
beefde; kortom de strijd was zo ijsselijk, dat er nooit schrikkelijker
schouwspel geweest is”——toen wist men over ’t algemeen van geen wijken;
toen kende men geene andere belangens dan die van ’t vaderland; en die
zig niet dapperlijk weerde werd gewis, zonder aanzien van persoon, met
den dood gestraft.
’T was een Tromp, die daarna den Staaten wel dorst zeggen dat hij met
tegenzin weder in zee ging, om dat men verzuimd had hem andermaal van
genoegzaame schepen te voorzien; en ’t was Holland, die voor zig alleen
besloot niet minder dan dertig kloeke oorlogschepen te laaten bouwen,
en toen men zag dat de Staaten den oorlog tegen Engeland niet naar
behooren behartigden, schroomde men niet zig op de ernstigste wijze
daarover uittelaaten: ’t is tog zo: gehoorzaam zwijgen geldt alleenlijk
als ’t schuitjen van den staat goed gestuurd wordt; maar wordt het op
’t riet aangejaagd, dan is zwijgen zig schuldig maaken aan den
ondergang van zig zelven en anderen.
In 1656 lagen er op de rede voor Dantsich, onder veele andere
Nederlandsche Oorlogschepen, vier-en-twintig voor Amsteldam alleen—in
1664, bragt Tromp, met twee-en-twintig oorlogschepen de Oostindische
retourvloot in de Vaderlandsche havens—in ’t volgende jaar liep hij met
zijne vloot, tegen de order van Heeren Gecommitteerden, binnen, om dat
de Capiteinen niet getrouw gediend hadden, en niet behoorelijk gestraft
waren—zulke mannen hadden verdiensten genoeg om geen ontzach te hebben
voor slechte bestuurders.
In 1666, liepen, de even beroemde de Ruiter en Tromp, in zee met een
vloot van een-en-negentig Schepen, gewapend met vier duizend, zeven
honderd en zestien stukken, en bemand met twintig duizend vier honderd
en twee-en-zestig koppen, waarmede men niet minder dan vier dagen lang
tegen de Engelschen sloeg.
De zeeheld, waarde leezer! wiens nagedachtenis bij u op het zien van
zijn lusthuis zekerlijk bij uitneemendheid verlevendigt, was (niet
tegenstaande men hem ten lasten legde, dat hij den Prins van Oranje te
zeer toegedaan was,) zulk een Vaderlander, als er thans maar weinigen
gevonden worden; een Vaderlander, die (in 1673,) toen het weder op een
vechten zoude gaan, en nu tegen de Engelsche en Fransche vlooten
tegelijk, voor het aangezichte van God, en des met een gerust hart,
vrij van alle veinzerij, tegen zijne schepelingen dorst zeggen, dat zij
om zig in den strijd vroomlijk te kwijten, een voorbeeld moesten neemen
aan zijn persoon; dat hij het niet behoefde te doen om eenig genot;
maar alles wat hij deed voordkwam uit enkele liefde voor zijn bedrukt
Vaderland; het geen tot zodanig een nood was vervallen, dat er, om het
voor het uiterste gevaar te behoeden, eene spoedige herstelling
vereischt werd; dat die liefde hem weder te scheep had doen treeden, om
zijn Vaderland te helpen beschermen en handhaaven; willende zijn leven
er liever voor opofferen, dan de oude vrijheid in slaavernij te zien
verkeeren en de Nederlanders den hals onder het jok van een vreemde
Mogenheid te zien buigen: „Wij hebben” zeide hij, „een rechtvaardigen
God, en een rechtvaardige zaak; laaten wij ons daarop vertrouwen; ik
twijfel niet indien gij u altezamen gedraagt als eerlijke lieden, of ’t
zal wèl gaan”—De rechtvaardigheid van eene zaak waarom gestreden wordt
geeft zekerlijk een held moed; want dan durft hij op den bijstand van
God hoopen——beklaagenswaardig volk dat in eenen onrechtvaardigen oorlog
op den slagtbank gebragt wordt!.... ja wat zou men, bij ’t herdenken
aan Nederlands voorgaande tijden, en Nederlands voorgaande helden, niet
al door zijn hoofd kunnen haalen!
De verdere gedeelten der geschiedenissen van ’s Graaveland bevatten
niets bijzonders; in onze jongstledene troubelen is het wel niet geheel
vrij gebleven, echter heeft de geest der beroeringe er geene sterke
tooneelen aangerecht; waarvan de oorzaak moet gezocht worden, daarin,
dat er geen Genootschap van Wapenhandel geweest is, want daar zulk een
Genootschap plaats gehad heeft, is bij de gezegende omwenteling de
woede ook doorslaandst geweest—hoe zacht het lot van ’s Graveland
intusschen geweest zij, is er echter nog geplunderd: Pruissische
soldaaten zijn er eigenlijk wel niet geinquartierd geweest; maar zij
hebben zig eenigen tijd, digt bij het dorp, op de Hilversumsche heide
gelegerd, en aldaar moest hen dagelijks, ook door ’s Graveland,
proviand bezorgd worden.