STICHTING EN GROOTTE.

Van hoe slechten aanzien deeze landen ook waren, moet de grond echter

van zodanigen aart geweest zijn, dat zij voor het bebouwen goede

vruchten beloofd hebben; want omtrent den jaare 1625 waren er lieden

die zulks begeerden te onderneemen; ten welken einde zij zig keerden

tot de rekenkamer van de Gravelijkheids domeinen, met verzoek om die

dorre gronden, welken men toen, gelijk gezegd is, den naam van Onlanden

gaf, voor zekere erkentenisse te mogen bekomen: de rekenkamer voornoemd

wees de verzoekers naar de Staaten van Holland en Westvriesland; aan

welken de onderneemer, toen aan hun hoofd hebbende zekere Mr. Jan

Ingel, zig ook keerden, met verzoek van ’s Graaven landen, die geheel

onbebouwd lagen, te mogen benaderen, op zulk eene wijze als zij met de

rekenkamer zouden kunnen overeenkomen, en om tevens voor zeker getal

van jaaren, zodanige voorrechten en vrijdommen te mogen genieten als

gemeenlijk bij den aanleg van nieuwe landen of bedijkingen worden

vergund, benevens het recht van Ambachtsheerelijkheid over den grond,

die hun zoude worden toegestaan: dit hun verzoek werd hun ook, onder

eenige bepaaling, ingewilligd, en voor die inwilliging, zouden zij,

jaarlijks, aan de Graaflijkheid, (want nimmer heeft de Graaflijkheid

iet, hoe gering van waarde, afgestaan zonder belooning,) moeten

betaalen tien stuivers voor ieder morgen lands; welke belasting

volgends octrooi van den Jaare 1636 is veranderd op de elfde schoof:

(dit is volgends onze Autheuren, over Gooiland handelende; doch onze

begunstiger boven bedoeld, zegt in zijne berichten, ons vriendlijke,

medegedeeld, dat men te ’s Graveland meede geene kundschap van die

elfde schoof draagt.)—„De ingelanden,” dus leezen wij elders,

„verkregen toen ook het civile rechtsgebied, om, met raad van den

Bailluw van Gooiland keuren te mogen maaken, en hunne landen te laaten

berechten door een’ Schout en Schepenen, bij den Bailluw uit de

ingezetenen te kiezen; blijvende het crimineele ter berechtinge van de

vierschaar der stede Naarden.”—Op deezen voet dan sloeg men handen aan

’t werk, om de landen aftegraaven, en ter bebouwinge bekwaam te maaken:

dan, zulks stak de omliggende dorpen, voornaamlijk Hilversum, in de

oogen; zij vreesden door den aanleg van dit nieuwe dorp benadeeld te

zullen worden, en deeze eigenbaat ging zo verre, dat de arbeiders der

onderneemeren geduurig door de ingezetenen van de bedoelde dorpen, in

hun werk gestoord werden, niet alleenlijk met hunnen arbeid te

vernielen, maar zelfs rees die naijver zo hoog, dat zij met scherp op

de gezegde arbeiders schoten, waardoor niet zelden eenigen, vooral van

de graavers, gekwetst werden; men pleegde omtrent hen ook allerleie

moedwilligheid, niettegenstaande ’s Lands Staaten daar tegen

verscheidene plakaaten lieten uitgaan, niet alleen, maar ook de

arbeiders in hunne verrichtingen lieten beschermen door een compagnie

ruiters en voetvolk—deeze loontrekkers zijn zeldzaam van eenigen

dienst, wanneer de gemoederen in onrust gebragt zijn; soldaaten kunnen

alleenlijk tegen soldaaten bestand weezen, maar tegen burgers welken in

hunne rechten meenen te kort gedaan te zijn, vermogen zij niets; hunne

loon-slagen hebben den aandrang niet van de vrijwillige slagen van

vergramde burgers—Zonder thans te onderzoeken in hoe verre de

ingezetenen van Hilversum en de andere omliggende dorpen, in deezen

gelijk hadden, blijft echter het gezegde een onwederspreekelijke

waarheid; een waarheid welke door alle gezachvoerders in ’t oog

behoorde gehouden te worden, ofschoon de droevige ondervinding leere,

dat zij dezelve telkens weder op nieuw veronachtzaamen, waardoor hun

gezach een ongenezelijke krak krijgt, en de zetels aan het waggelen

raaken.

Niettegenstaande alle de gezegde hinderpaalen, werd de arbeid zo

spoedig voordgezet, dat reeds in den jaare 1634, de akkers konden

gekaveld worden, en derhalven mag men de stichting des dorps tot dien

tijd brengen: sedert is deeze grond tot een allerverrukkelijkst oord en

een pronk van geheel Gooiland geworden; in een kleinen omvang, ontmoet

men er zeer aangenaame gezichten van lommerrijk geboomte, vruchtbaare

zaai- en wei-landen, heiden, water, veengronden, en veele aanzienlijke

buitenplaatsen; waarvan straks nader.

Wat voords aangaat het tweede gedeelte van het tegenwoordige artikel in

ons plan, naamlijk de grootte van ’s Graveland; ten gemelden tijde was

de bereide grond groot, 555 morgen en 28 roeden Rhijnlandsche maat.

Volgends de lijst der verpondingen van den jaare 1732, stonden toen te

’s Graveland 119 huizen, welk getal in 1734 één meer (120) was; sedert

is dat getal aangewassen tot ruim 140, die bewoond worden door meer dan

200 huisgezinnen; twee derden van welken van den Gereformeerden

Godsdienst zijn; slechts weinigen zijn Luthers, en de overigen meest

Roomsch: de huizen, in zo verre zij niet tot lusthuizen, of

boerewooningen dienen, staan allen aan de westzijde van de plaats,

strekkende zig bijna een uur gaands in de langte uit; aan de oostzijde

vindt men niet anders dan schoone weilanden, en, gelijk gezegd is,

heerelijke lustplaatsen: de erven der wooningen liggen tot aan de ’s

Gravelandsche vaart: de gemelde bouwing van de dorpbuurt, naamlijk aan

eene zelfde zijde, moet geschieden, zo lang er plaats in de langte van

’s Graaveland overblijft: aan die zijde zijn ook veele

linnenbleekerijen, welken goed water uit de vaart hebben, en, gelijk

bekend is, zeer geroemd zijn; men verzekert dat het linnen, ’t welk te

’s Graveland gewasschen en gebleekt wordt, in zindelijkheid en witheid,

de behandeling op de bleekerijen buiten Haarlem niet alleen evenaart,

maar zelfs dikwijls overtreft—uit het gezegde blijkt dat de aanleg van

’s Graaveland derhalven zeer regelmaatig, strekkende zig het

grondgebied aan de zijde van Naarden, van den hoek aan de noordzijde,

genoegzaam in eene rechte lijn tot voorbij de Hilversumsche vaart,

langs eenen weg, (gelijk gezegd is, bijna een uur gaands lang,) die ter

wederzijde beplant is met eene dubbelde rei van hooge en schoone eiken

en andere boomen.

Alles is te ’s Graveland in eene zeer goede orde, ’t welk de

ingezetenen te danken hebben aan verscheidene keuren, daartoe van tijd

tot tijd gemaakt, zo ten aanzien van de gemeene wegen en vaarten, als

tot rust der ingezetenen, en tot weeringe van allerleie vechterijen en

baldaadigheden; ook is er zeer goede orde gesteld op het

brandblusschen, (eene zaak voorwaar van het hoogste aanbelang,) waartoe

thans twee goede brandspuiten worden onderhouden—„Tot verdere

veiligheid,” leezen wij elders, „worden ook alle onbekende bedelaars en

marskraamers geweerd; bij nacht wordt er de ronde gedaan, waartoe

iederen nacht” (van November tot half Maart) „elf” (thans twaalf,)

„persoonen de wacht hebben, en in drie” (thans vier,) „wachthuizen

bescheiden zijn:” (en alle uuren de ronde doen,) „alle manspersoonen,

agttien jaaren oud en daar boven, moeten zig hiertoe laaten gebruiken;

doch het staat vrij zijn wacht aan een ander der medgezellen

aantebesteden.”

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 278 / 455 题