Het hofrijk ’S GRAAVELAND, geheugt den schelmsten nijd,
Geheugt den woesten aart van ’s Krijgs bezoldelingen,
Herinnert ons held TROMP, die, aan ’s Lands dienst gewijd,
’S Lands vijand op de Zee, stoutmoedig dorst bespringen;
Dit onvoorbeeldig Dorp, beroemd door bleekerij,
Zet Gooiland eer en luister bij.
Het zeer vermaaklijk Gooiland, roemt met reden op het aangenaam dorp,
zo even genoemd; en het welk te meer bewondering verdient, daar niet
langer dan eene eeuw geleden, nog niets van deszelfs fraai bestond;
want men vindt het ten dien tijde beschreven, als onlanden, vullingen,
(verlatene veenen, voegen eenigen daarbij, doch onze geëerde
correspondent in deezen, zegt desaangaande: „immers schijnt men hier
niet te weeten, dat hier, vóór den aanleg van ’s Graveland, zulke
veenen geweest zijn:”) uitgedolvene en moerassige plaatsen, die meest
niet anders dan biezen, hei en andere wilde ruigte voordbragten; deeze
eigenschap vergelijkende bij de schoonheid waarmede het thans prijkt,
verstrekt ten bewijze wat de vruchten zijn van eene arbeidzaame
verbeterende hand.