LIGGING.

Deeze is op de Gooische heide, omtrent ander half uur gaands van de

stad Naarden: de ligging is voords ten hoogsten aangenaam, alzo men den

heuvelachtigen grond, rondsom het dorp, voor het grootste gedeelte

bebouwt met rogge, haver, boekwijt, enz. welke bebouwing de

aangenaamste landlijke gezichten oplevert, en in den bloeitijd der

gezegde graanen, vooral van de boekwijt, veele Amsteldammers en andere

nabuuren derwaards lokt, om zig met het beschouwen dier bevallige

tooneelen der Natuur te verlustigen: beklimt men het zogenaamd

Trompenbergjen [17] zo vertoont zig als in één oogenblik voor ons

gezicht de blauwe heide, en vruchtbaare akkers, die met het goudgeel

graan pronken, terwijl de boekwijt als een zee van melk zig

vertoont—verder ziet men van daar bosschaadjes, weiden, een menigte

torens, en ook een gedeelte van de Zuiderzee, waarin men niet zeldzaam

met het bloote oog onderscheidene schepen zien kan—het dorp zelf is in

zijn bevang mede zeer aangenaam gelegen, ter oorzaake van deszelfs

boomrijkheid, die zeer groot is, waardoor het op sommige plaatsen het

aanzien van eene aangenaame lusthof bekomt.

Weleer, gelijk blijkt, uit de brieven en raporten van Pieter

Corneliszoon Hooft, Bailluw van Gooiland, schijnen de inwooners, over

’t geheel genomen, beantwoord te hebben, aan den algemeenen aart der

bewooneren van het Gooiland, die naamlijk vrij kregel van aart waren;

dan, sints een halve eeuw zijn zij aanmerkelijk ten goede veranderd, en

wanneer men het groot getal ingezetenen in ’t oog houdt, zal men moeten

erkennen, dat, in vergelijkinge van andere plaatsen, die minder

inwooners hebben, hier zelfs minder ongeregeldheden, dan wel elders,

gevonden worden—gewoonlijk zegt men ook dat de vrouwen veel werks

maaken van het tabaksrooken, doch dit is sedert een reeks van jaaren

mede zo zeer verminderd, dat deeze gewoonte nu nog slechts onder

eenigen der geringste vrouwlieden gevonden wordt; terwijl de

burgervrouwen het tabaksrooken zig, hier zowel als elders, tot eene

schande zouden rekenen: die van Hilversum, zo wel als de Goojers over

het algemeen, zijn van zeer oude tijden af bekend geweest voor een

strijdbaar volk: uit zeker handschrift van een’ schoolmeester te

Naarden, vinden wij desaangaande aangetekend, dat zij in buitenlandsche

oorlogen aangenomen werden; daar zij alle andere volken in ervarenheid

van krijgskunde te boven gingen, en onder de geoefendste krijgslieden

gesteld werden: „dat zij, of tot lijfwachten der veldheeren werden

verkozen, of in de voorste spits pal stonden in eenen veldslag; dat zij

dubbelde soldij trokken, de slagordes aanvoerden, de krijgsamten

bekleedden, en, in ’t kort, voor dapperder dan alle anderen gerekend

werden: in de oorlogen hunner Vorsten tegen Gelderland, Vrankrijk, en

van de Keizeren tegen de Turken, of eenigen anderen magtigen vijand,

werden zij, op milde bezolding, ten strijde ontboden; zo dat zij,

volgends dit verhaal, ten allen tijde, bewijs gegeven hebben van hunne

onversaagdheid.”

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 260 / 455 题