Is meer zuidwaards van Naarden, dan Blaricum, doch de afstand van die
stad is genoegzaam even groot als dezelfde afstand van ’t gemelde dorp,
naamlijk omtrent één en half uur.
De ligging over het algemeen is vermaaklijk, ’t is zeer ruim
uitgebouwd, en daardoor ten uitersten luchtig; de boomrijkheid verrukt
er het oog op de treffendste wijze; ’t is voords vol akkers, en met
bebouwde hoogten omringd, allen welken taamlijk vruchtbaar zijn in
graangewassen.
Onder de uitgestrektheid gronds, welke hier (als elders in Gooiland,)
het oog zo zeer verrukt, telt men eene genoegzaame hoeveelheid, die men
Meente, of Gemeene weide noemt: een onzer waardigste begunstigers in
deeze, zegt daarvan het volgende: „In het district van Gooiland, vindt
men niet alleen groote streeken heide, geschikt tot beweiden der
schaapen, en slaan van plaggen, maar ook ligt bij elke plaats een groot
stuk weiland, ’t welk gewoonlijk de Meent genaamd wordt; van deeze
Heide en Meent, hebben zij die Erfgroojers zijn, dat is die uit
voorouders herkomstig zijn, welke in dien tijd reeds in dit district
woonachtig waren, toen met het recht tot de beweiding der opgenoemde
Meente kreeg, het vruchtgebruik, het welk gewettigd is door eene
goedkeuring van Hertog Albrecht van Beieren, in den jaare 1404; en
Hertog Jan van Beieren, wilde in zeker Handvest van den jaare 1407, dat
de gemeente in Gooiland zoude gebruikt worden gelijk van ouds de
gewoonte was—ondertusschen schijnen echter van tijd tot tijd geschillen
tusschen de Graaflijkheid en die van Stad en Lande ontstaan te zijn,
welke geschillen nu als geeindigd beschouwd worden, door eene conventie
van den jaare 1731, waarin gecommitteerde Raaden zig verbinden: 1o)
„voor het toekomend de uitgiften of verkoopingen van Landen en Gronden
van de Gooische Heide, niet anders te doen als na dat die van Gooiland
daar over zullen zijn gehoord, en derzelver consideratien daar over
zullen zijn ingenomen; 2o) dat de erfpachten die voor de consenten
jaarlijks zullen worden betaald, ofte de penningen die van de
verkopinge van eenige gronden of landen komen te provenieeren, zullen
bij de Graaflijkheid, en bij die van Gooiland genoten en geprofiteerd
worden elks de helft: 3o) dat zo ras de afzandingen op Gooiland wederom
vrij zullen gesteld zijn, Gecommitteerde Raaden en die van Gooiland
gesamenlijk een begin zullen doen maaken met de Gooische Heide
aftezanden, ter plaatse daar zulks dienstig en meest profijtelijk zal
geoordeelt worden, zonder dat aan iemand anders permissie om te zanden
zal worden verleent, en dat tot meerdere bevoordering van de voorsz.
gemeene afzanding de landen en gronden die van de voorsz. Gooise Heide
in tijd en wijlen, het zij bij koop consent ofte erfpacht mogte worden
verkregen, niet zullen mogen werden afgezand”——en het is ook gelijk wij
verneemen onder die voorwaarde, als mede dat hetzelve niet met hout mag
beplant worden, dat de streek Lands of Heide achter ’s Graveland
liggende (zie onze beschrijving van dat dorp,) is uitgegeven.
„Jaarlijks word, op den 27 maart, te Naarden eene vergadering van Stad
en Lande gehouden, wanneer gelijk ook op de buitengewoone
vergaderingen, uit alle de plaatsen van Gooiland, één of twee
Buurtmeesters of ook wel één Buurtmeester met één of twee Leden uit het
Gerecht, ter bijwooninge dier vergaderinge, worden afgevaardigd.
„De opgezetenen van dit district, of liever de Erfgrooiers, zijn niet
bepaald tot het beweiden van hunne bijzondere Meent, maar ieder
Erfgooier mag schaaren of zijne beesten weiden op welke Meent hij wil,
doch alleen dan wanneer hij zig op zulke eene plaats met der woon
begeven heeft.”
In den jaare 1762, is, deeze Meente betreffende, eene breede Willekeur
of Schaarbrief, uitgegeven, waarin desaangaande alles geregeld is; en
wegens het weiden van schaapen op de heiden, onder anderen bepaald
wordt, dat Blaricum zal hebben; „Eerstelijk de heijde welke gelegen is
beoosten de Huijser weg, die van Huijsen op Laaren loopt, strekkende
ten oosten tot aan het Tafelbergje, en voorts een drift van 20 roeden
breedte benoorden het Tafelbergje, om op haare verdere heijde te kunnen
komen: verder al de heijde welke ten suijdoosten van het Tafelbergje,
van daar op de Leeuwberg, en van daar op de Kruisberg, tot aan de
Blaricummer enge gelegen is, en van de Kruisberg noordwestwaards op tot
aan Craailoo, en westwaards op tot aan den ordinairen weg die van
Craailoo op Laaren loopt: nog de heijde die over denzelven weg
westwaards op, benoorden de suijder Botweg tot den nieuwen
Amersfoortschen weg is liggende, ook de inschikkeling, loopende ten
westen van het Craailoosche bosch, daar onder begreepen, zo verre het
selve aldaar gelegen is, tusschen Craailoo en den voorn. nieuwen
Amersfoortschen weg, en den suijdelijksten Huijser Botweg, (des dat
Laaren van ter plaatse, of daar de Nengscheiding tusschen Laaren en
Blaricum is liggende, langs de Neng van Laaren westwaards op tot aan
den Naarder weg op Laaren, behoude een streek heijde ter breedte van 50
roeden, en van denselven Naarder weg tot suijdwestwaards op aan de
voorn. Amersfoortschen weg, eene breedte van 100 roeden, of ter breedte
van de Laarder Neng af tot aan den suidelijksten Huijser Botweg.)
„Beneden de Neng tusschen Laaren en Blaricum, sal het dorp Blaricum
behouden en genieten al het gemelde veld van den Koedijk af, (liggende
aan de Gemeente, tot half wegen het veld tusschen het eijnde van de
nieuwe Camp en de Limietpaal, staande aan de Gooijer gracht over de
Emenesser gemene steeg, en sal het voorn. veld tusschen de Laarder
Neng, en de voorn. Gooijer gracht in sijne breedte, sijn bepaling en
scheijding bekomen aldus: met te moeten roijen beneden aan, en van de
Neng alwaar haarlieder beschrijving is, van daar lijnrecht, tot aan de
Gooijer gracht, daar men het midden heeft van het veld, liggende
tusschen het suijdelijkste eijnde van het nieuwe Camps bosch, en de
voorn. Limietpaal; al ’t gunt aldus ten noordoosten van dese scheijding
ligt, sal aan Blaricum behooren, en is tot voorkoming van ’t
verduijsteren deser scheiding goedgevonden dat een teken zal worden
gesteld beneden aan de gemelde Nengen, ter plaatse van henlieder
bescheidinge, en een ter plaatse voor gemeld aan de Gooijer gracht,
roijende lijnrecht op malkanderen.”
In een volgend artijkel wordt gezegd,
„Laaren zal beweiden alles wat om haar Nengscheiding ligt, exempt, dat
aan Huijsen, Blaricum, Naarden en Bussem hier voor reeds is toegeschikt
—— —— verder sal de scheiding tusschen Hilversum en Laaren zijn, uit
het Stigt van de huisen van de hooge Vuurt af te sien, en so voords
tusschen de Limietpaalen No. 8 en 9, en van daar op den westerhoek van
de Laarder Wasmeer, en van daar lijnregt op een grooten steen, leggende
tusschen Hilversum en het Laarder Kerkhof daar de voetpaden van
Hilversum op Laaren in één loopen, en van daar op Ardjesberg en
Langehul, des te verstaan dat alles wat van deeze scheijding ten
noorden gelegen is aan Laaren, en ten suijden van dezelven aan
Hilversum gelaten wordt.”
Van den naamsoorsprong hebben wij weder geenig bericht hoegenaamd,
kunnen inwinnen, even weinig als van de stichting des dorps: de oorzaak
derzelver, de oorzaak der stichtinge van eenig dorp, zeker, kan ook
zodanig toevallig weezen, dat men juist geenen eigenlijken stichter
deszelven met naame zoude kunnen noemen, al ware het ook dat men nog
eene eeuw of anderhalf vroeger geleefd hadde; vooral is zulks waar
omtrent onze Nederlandsche Dorpen: onze Republiek is ten allen tijde
een Land geweest, grouwzaam geschud door inwendige beroeringen,
derhalven heeft het zekerlijk niet zelden vrienden van den vrede
genoodzaakt, of liever, doen besluiten, de steden of den omtrek
derzelven te verlaaten, ten einde op een afgelegen pleksken hunne
hartsgodinne, de lieve Vrede, naar hun genoegen te kunnen dienen: de
voorgangers kunnen volgers gehad hebben; vooral is zulks zekerlijk het
geval geweest, wanneer die voorgangers zig bij hunne uitwijking wèl
bevonden hebben; en op die wijze zal er, waarschijnlijk, menig
Nederlandsch dorp ontstaan weezen; ook is het zeer denkelijk, dat de
bewooners deezes Lands, in vroegere tijden, even als nu, genoodzaakt
geworden zijnde hun eigen onderhoud te zoeken, vooral door dat ons
Land, door de daarin aanhoudende troubelen, zig nimmer sterk heeft
kunnen toeleggen op het beschermen en aankweeken van de vindingen des
vernufts, van fabrieken als anderzins, de gelegenheid des Lands wel
rasch onderzocht, en bevonden zullen hebben, dat zij op deeze plaats
met de visscherij, op geene met de melkerij, op eene andere met den
landbouw, op weêr eene andere met het baggeren, aan een eerlijk bestaan
konden komen, alwaarom ieder zijn keuze uit die eigenschappen gedaan
kan hebben, en zig ter uitoefeninge van die keuze op de geschiktste
plaats nedergezet zal hebben, mogelijk met meer dan één huishouden te
gelijk; de gezegde eigenschappen des Lands hebben de onderneemeren
zekerlijk wèl doen slaagen, en zulks kan hun weldra medestanders hebben
toegebragt; op die wijze kunnen zeer rasch gehuchten ontstaan zijn; de
welvaart zal hun eenige aanmerking hebben doen verdienen; de
beheerschers des Lands zullen hun als een eigendom benaderd, eene
regeeringsform gegeven hebben, en op die wijze kunnen veele dorpen
ontstaan weezen, zonder dat men bepaaldlijk kan zeggen, deezen of die
zijn de aanleggers derzelven geweest: men voege hierbij, dat de
Godsdienst, in ons Land, ook altijd zijne standvastige, ijverige, en
des loflijke aanhangers gehad heeft, en men daarom al rasch bedacht
geweest zal zijn, om in de genoemde bijeenschoolinge van landgenooten,
eene kerk van deeze of geene gezinte aanteleggen, waardoor derhalven de
buurt tot een dorp zal verheven weezen.