DE STAD NAARDEN.

De Gooische Hoofstad, ’t sterke NAARDEN,

Leed door de Stichtenaars werd door het Spaansch gebroed,

Schier overstroomd van burgerbloed

Moest Pruissen, (die het meê geen groot genoegen baarden.)

Ontfangen, is des steeds

Verdrukt door zo veel leeds.

Onder de Nederlandsche Steden, welken in de geschiedenissen des Lands

met smart gedacht worden, behoort zekerlijk het grijze steedjen

Naarden, ’t welk, hoe weinig betekenende in zig zelf, echter nog op

zijne waarde, met betrekking tot deszelfs aanzienlijke sterkten, roem

mag draagen; en slaan wij ’t oog op vroegere gebeurtenissen, vooral van

dien tijd, toen de Spaansche dwingelandij de geweetens der

vrij-geborene Nederlanders onder het ijzeren juk der Inquisitie wilden

krommen, dan zullen wij niet kunnen nalaaten een krans voor het

steedjen, dat thans met zulke onverschillige oogen aangezien wordt, te

vlechten; en met zekeren historiedichter uitteroepen:

——daar elk het hart ontzonk in ’t nijpen van den nood,

Waart gij ’t, ô Naarden! die den vijand spitse bood,

Als met een’ leeuwenmoed, en boven uwe krachten,

Wijl onvermijdelijk uw val nu was te wachten,

Doe u de hoop ontschoot van ’t ingebeeld ontzet,

Terwijl het moordmes reeds werd voor uw’ hals gewet.

In dien tijd ondervond de Spanjaard, en heeft het meermaals

ondervonden, hoe de vrije Nederlanders een dwingeland onder de oogen

durven zien—„wel kunnen zij gedwongen worden hunne halzen onder een jok

te buigen, maar om hunne van Natuure vrije halzen daaronder gebogen te

houden, is ’t gewigt van een Vorstlijken schepter te weinig”—de

vrijheid is ook, om zo te spreeken, het element der ziele: indien zij

daar buiten gevoerd wordt, kan zij niet anders dan een kweinend leven

lijden; wat ook de voorstander der slaavernije, of pijnigende

onderwerping, moge zeggen, en trachten te toonen, dat zijne ziel niet

lijdt, zij lijdt zekerlijk; zij wordt uit haar element, uit haar’ staat

van gezondheid gerukt, en moet derhalven wel lijden; alleenlijk duldt

zij dat lijden in het vooruitzicht van langs dien doornigen weg eens

den tempel van het geluk te zullen berijken; vandaar haare

onderwerping, die daarom te laager is, om dat zij een wantrouwen op de

Voorzienigheid insluit:

Die vleesch voor zijne toevlugt houdt,

En op zo krank een steunsel bouwt,

Heeft ongetwijfeld God vergeten;

Hij echter, uit wiens hand wij eeten,

Hij zorgt alleen; Hij neemt en geeft,

’T is recht dat Hij ’t vertrouwen heeft.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 200 / 455 题