LIGGING.

Deeze is ten zuiden van Ouderkerk, wordende door de rivier de Waver van

het gerecht van Ouder Amstel afgescheiden, hebbende ten oosten het

Sticht van Utrecht, dat wederom door een water de Winkel genaamd, wordt

afgedeeld; ten oosten het voorn. Sticht, het welke aldaar door een

breede kade, uit de gemelde Winkel, tot aan de Veenmolen of de

limietscheidinge van Holland en Utrecht zig uitstrekt, onderscheiden,

ten zuiden en westen Waverveen—het bestaat in twee polders, de Gemeene

of Beoosten Bijleveldsche polder gemeen met Waverveen, en de Noorder

polder onder Ruigewilnisse gelegen: wat de Gemeene of Beoosten

Bijleveldsche polder betreft, deeze is reeds voor het grootste gedeelte

uitgeveend: de Noorder polder onder Ruigewilnisse, die zig in den jaare

1632 door een dwarskade van de voorschr. Gemeene polder heeft

afgescheiden, is men voor de eene helft, zijnde circa 200 morgen, in

den jaare 1777 eerst begonnen te veenen; sedert 1793 heeft men de

wederhelfte mede circa 200 morgen ook ingestoken om verveend te

worden—echter is desaangaande door de gezamenlijke ingelanden bepaald

van niet nader dan op 10 roeden na, aan het Sticht en aan de

Rondeveensche kade, en op 6 roeden van de gemelde dwarskade, tegen de

gemeene polder aan te mogen verveenen; ten einde de nakomelingen

dezelve met 1 of 2 vijzelmolens, zonder veel kosten aan een ringdijk te

verpleegen, binnen weinig tijds weder te kunnen uitmaalen: in deeze

polder is zulke goede specie, dat het morgen voor ƒ 2000, ja ƒ 3500, is

verkocht geworden.

Men ontmoet in deeze Heerelijkheid mede reeds eene uitgeveende plas van

bijna 1000 morgen groot, en op sommige plaatsen 20 ja 25 voeten diep,

kunnende bij zwaare winden zeer hol staan; om den slag van het water

eenigzins te breeken, moeten er strooken lands van 14 voeten breeds in

blijven liggen; deezen geeven zeer goed rietgewas; in warme zomers

wellen er groote stukken gronds op, die als het koud begint te worden

weder zinken; deeze bonken mag men vrij wegbaggeren, waarvan

gewoonlijk, zo om den tijd van ’t jaar, als ook om dat ze veeltijds op

ongelegene plaatsen boven komen, weinig gebruik gemaakt wordt.

In de voorsz. Gemeene polder ligt de Lange of Cuilens meir, die men

zegt zijn oorsprong te hebben genomen bij eene uitlegging van

Amsteldam, waarbij de aarde uit dat meir vergraven naar die stad

vervoerd is geworden: jaarlijks ten minsten betaalt die stad aan

Waverveen de verpondinge van dat meir: het water zo van deeze meir als

van de andere polders is eenigzins brak, echter wordt het, door het

grootste gedeelte der inwooners tot hun levens onderhoud, zonder eenig

nadeel gebruikt; bij vriezend weêr is ’t zelfs genoegzaam zoet.

De visscherijen in deeze uitgebreide plas, waren voor 5 a 6 jaaren,

veel milder dan thans; men wil, ter oorzaake van ’t vergrooten en

vermenigvuldigen der wateren, waardoor de visch zig meer verspreidt:

door het gezegd opwellen der gronden kan men het vischwant ook niet

naar vereisch gebruiken: en eindelijk, anderen stellen de oorzaak

daarin, dat men thans plemp- of brazem-netten, waarin groote en zwaare

baarzen, snoeken, brazems, enz. gevangen worden, gebruikt, en de

voordteelinge des minder wordt; niet tegenstaande de gezegde

schaarsheid van visch, worden deeze wateren gretig bij perceelen, als

ook de riet-akkers, die aan de Polder verlaaten zijn, verhuurd; ieder

perceel tegen 4, 5 ja 10 guldens en meerder.

Op deeze plassen valt ook veel waterwild, als watersnippen, ganzen,

zeker soort van vogels, die men aldaar Aalscholfers noemt, en die van

jaar tot jaar vermeerderen, en veel visch verslinden; men vindt er ook

de zogenaamde Zandrijger, die voor de visch mede zeer schadelijk is;

eendvogels vallen er in overvloed, waarom dan ook van onheugelijke

tijden af, een vogelkooi, aan den Ambachtsheere of Vrouwe gehoorende is

aangelegd, naamlijk in de Noorder polder onder Ruigewilnisse gelegen,

met de privilegie, dat men op eenige honderde roeden na (met

limiet-paalen in de plas en elders afgeperkt,) niet mag jaagen of

schieten—de kooi wordt thans verhuurd.

Veele Amsteldammers enz. komen des zomers zig hier met de visscherij

vermaaken.

In het jaar 1792 hebben deezen hier ook een zeer fraai Admiraalschap

gehouden, dat des avonds met een vuurwerk en musiek besloten werd:

hetzelve is tot zo verre naar genoegen geweest, dat het waarschijnelijk

bij rustiger tijden en voller beurzen meermaals zal herhaald worden.

Een gedeelte deezer plas is nog van zo jonge datum, dat er lieden van

manbaare jaaren in Waveren gevonden worden, wier vaders dezelve begaan

hebben—de Gerechtsplaats, waarop een galg staat, kan men zo wel van

deeze plas als van de landzijde zien.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 167 / 455 题