Het voornaamste dat onder dit artijkel gezegd kan worden, bestaat in
het gedrag der Franschen aldaar: in den jaare 1672 zig meester van
Utrecht gemaakt hebbende, verzekerden zij zig van de huize te Loenen en
Loenresloot, en konden derhalven met weinig moeiten langs de Geuze
sloot en Demmerik te Zuwe op Waverveen en Wavere Botsholl aankomen,
vermits zij niet onder het Sticht, maar in Amstelland gelegen, zig van
geen Fransche Sauvegarde konden bedienen; men maakte, ’t is waar, een
schans aan den Uithoorn; en de Nes werd met een uitlegger verzorgd,
maar dit alles kon aan Waverveen, te verre buiten de voorgedachte
posten gelegen, tot geene volkomene bescherming verstrekken: de
ingezetenen van deeze plaatsen in twee compagniën bestaande, één van
Waverveen, onder den Capitein en Schout Christoffel Meijer, en één van
Waveren Botsholl, onder den Capitein en Secretaris Blokhuis, kregen
verlof op ’s Lands kosten tot hun eigen bescherming en veiligheid te
waken, en door nauwe wachthouding den vijand te beletten verder
daardoor in de Provincie van Holland intebreken; dan, daar deeze
huislieden onervaaren waren in den oorlog, en te zwak om den vijand
tegenstand te kunnen bieden, werd noodig geacht, dat zij door zekeren
uitlegger de Amsteldamsche galei genaamd, met zeven-en-twintig man
bemand en van verscheidene stukjens voorzien, onder commando van
Capitein Spelt, versterkt werden, neemende deeze uitlegger om tegenweer
te kunnen bieden deszelfs legplaats in het Bijleveld, bij de
Bijleveldsche brug, onder Waverveen.
De Fransche Commandant, de Markgraaf De Genlis, op het huis te
Nieuwrode zijnde, zond een- en ander-maal brandbrieven naar Waverveen,
en wel den laatsten den 5 September 1672, met bevel van tien schepen
met hooi, ieder 20 voeren groot, binnen vier dagen te Utrecht te
leveren, met bijvoeging der straffe, dat de Schout gevangen en de
plaats gebrand zouden worden.
Maar dewijl deeze plaatsen, veendorpen zijnde, met geen of weinig
weilanden voorzien waren, was het niet mogelijk deezen eisch te
voldoen—des trokken de Franschen op den vijfden November met
vierhonderd mannen uit Utrecht, door Breukelen en Ter Aa, kwamen te
Demmerik daar zij zig verdeelden, een gedeelte naar Vinkeveen en de
andere naar Meijdrecht zig begaven, om dus Waverveen enz. van de oost-
en west-zijde aantetasten—toen de tijd tot den uitvoer van hun oogmerk
begon te naderen, stelden die van Vinkeveen zig omtrent Ruigewilnisse
in orde, en hadden voorposten aan het einde van Vinkeveen geplaatst,
dewelke beletteden dat men geen kundschap te Waverveen konde bekomen.
Zoo haast die van Mijdrecht naar het westeinde van Waverveen afzakten,
en die te Vinkeveen het sein hoorende, kwam men het oosteinde
overvallen, de wipbrug te Botsholl was opgehaald, doch eenige van hun
door het water zwemmende, lieten dezelve neder—zij renden eilings, ’s
nachts om drie uuren, naar de Bijleveldsche brug—alles geraakte weldra
in alarm, de posten en wachten der huislieden, na dat twee van hun
waren doodgeschooten, werden verdreeven, en geen onderstand van Staaten
volk, dat aan den Uithoorn lag bekomende, moest men vlugten en alles
verlaten—Het voornaamste oogmerk der Franschen was den voorgemelden
uitlegger te vermeesteren, die daar ook gelegd was, op dat er geen turf
uit de veenen naar den vijand te Utrecht gevoerd zoude worden; met
belofte van wege de Staaten, dat zij voor den overlast der vijanden de
ingezetenen zouden beveiligen: zij dan vielen met woede op den
uitlegger aan, die door de Bijleveldsche brug afgezakt, zig meer dan
één uur lang verdedigde; doch eindelijk vast raakte, door den vijand
omringd en genomen werd: de Capitein Spelt en zijn Luitenant met twee
of drie anderen werden gevangen en vijftien doodgeschoten of doodelijk
gekwetst; de overige raakten met zwemmen weg: aan de zijde der
Franschen waren tien à twaalf gesneuvelden, en onder dezelven één
Capitein: daarna ontstond op verscheidene plaatsen brand, waardoor 59
huizen in den assche gelegd, en het voornaamste van Waverveen aan de
Bijleveldsche brug gelegen, door de vlamme verteerd werd.
De uitlegger werd vervolgends naar de Heul gebragt, dan te groot zijnde
om door de Nieuwer sluis naar Utrecht gevoerd te kunnen worden, en na
dat het geschut, de voorraad en wat er meer was, afgenomen te hebben,
werd dezelve verbrand; tegens de ingezetenen veel gewelds pleegende
trokken ze terug: hadden ’s Lands Staaten wijzer geweest in het geeven
van orders, ’s Lands ingezetenen in deezen oord zouden minder
ongelukkig geweest zijn.
In onze jongstledene onlusten hebben de bewooners van Waverveen, niet
zeer onderscheidenlijk, wat de toen heerschende Vaderlandsche partij
betreft, gehandeld; de Pruissen, welken kwamen, om ware het mogelijk
die partij ten onder te brengen, hebben zig aldaar niet zo slecht als
wel op andere plaatsen gedragen, trouwens zij zijn er maar
doorgepasseerd van en naar den Uithoorn, alwaar ter dier tijd den Major
van het Pruissische Curassiers Regiment (Von Krahn genaamd)
commandeerde, dewelke goedvond zeker papier te zenden, dat door den
Secretaris van Waverveen op den 28 September 1787 gepubliceerd werd;
dus luidende: „Uit last en bevel des Heeren Commandeerenden Generaals,
Graaf Von Kalkruit, zullen de ingezetenen der respective dorpen van
Waveren, Waverveen enz. binnen den tijd van driemaal 24 uuren hunnen
voorraad van haver, bier en genever doen brengen aan den Uithoorn, aan
het quartier van den Heer Major Von Krahn, alsmede ook alle de geweeren
en wapenen tot de exercitie gediend hebbende, en zo wanneer hier niet
aan gehoorzaamd werd, zal alle hetzelve door een commando worden
afgehaald, en bovendien met plunderen en andere straffen worden
gecorrigeerd.”
Uithoorn 28 Sept. 1787.
(getekend) V. Krahn.
Dan doordien bij het evaqueren der troupes uit Utrecht hier een
gedeelte geïnquartierd waren geweest, de voorraad op was, en Amsteldam
geslooten zijnde, kon men dezelve niet bekoomen; dus een deputatie naar
voorn. Major Von Krahn werd afgezonden, om uitstel van executie, het
geene door hem op 2 dagen langer werd bepaald, die te gelijk een pas
gaf, om het door hem gerequireerden van Utrecht te haalen, het geene
dus ook geschiedde, en aan hem 112 kannen brandenwijn en genever, 12
vaten bier en eenige mudden haver geleverd, en ter voldoening van het
requisit der geweeren werden 173 met derzelver bajonetten en een
vaatjen vuursteenen, aan een Quartiermeester van dat regiment
afgeleverd; zijnde de voorn. geweeren de zodanige welken uit ’s Lands
magazijnen te Naarden, in 1785, ten gebruike van de onvermogende
weerbaare manschappen waren geleverd.
Bijzonderheden zijn hier niet voorhanden, alleen zijn de uitgeveende
plassen der bezichtiginge van ieder denkend wezen waardig, en zij
zullen zekerlijk zijne bewondering tot zig trekken, daarover dat geheel
den streek door de menigte van het door ’t baggeren veroorzaakte water,
niet reeds geheel verzwolgen is.