GESCHIEDENISSEN

Wat de Historie deezer aangenaame Meir betreft, na dat dezelve

drooggemaakt was, (zie hier voor Art. aanleg en grootte,) kreeg de

bedijking, in den voornacht tusschen 5 en 6 Maart des jaars 1651 het

ongeluk van een doorbraak, welke door een andere aan den Diemer

zeedijk, boven Outewaal, niet verre van Jaap hannes, veroorzaakt werd:

het water liep omtrent de molen aan het Nieuwe diep, over den ringdijk

van de Meir, en veroorzaakte daardoor een doorbraak, met een gat, ter

lengte van omtrent 25 roeden, en eene diepte van 27 tot 30 voeten,

beneden het winterwater; 16 voeten hoog stond het water in de Meir, en

meest alles werd door de overstrooming vernield: evenwel was deeze

ramp, hoe gewigtig, niet gewigtig genoeg om de ingelanden te doen

wanhoopen aan het herstellen van hunnen vernielden arbeid, welke

herstelling echter niet gemaklijk ten wege gebragt konde worden, dan

door de Meir, die nu geheel onder water stond, weder te laaten

uitmaalen, de gebouwen en beplantingen weder op te rechten en in stand

te brengen, ten welken einde het octrooi van hunnen vrijdom voor den

tijd van tien jaaren werd verlengd: onvermoeide arbeid kwam weder alles

te boven; dan alleenlijk voor een zeer korten tijd: want in 1672, toen

Nederland door het zwaard des oorlogs, die vervloekte geessel der

verschrikkinge, geteisterd werd, moest de Meir niet weinig in dat

akelig lot deelen; Naarden, de hoofdstad van het vermaaklijk Gooiland,

werd door de Franschen veroverd, waarom men met reden voor Amsteldam

begon te duchten, het welk ten gevolge had, dat de dijk doorgestoken en

geheel de Meir onder water gezet werd; doch dit was echter maar voor

korten tijd, en niettegenstaande de veroorzaakte aanmerkelijke

verwoesting, werd, zo dra de vijand was afgetrokken, alles in zijn

ouden luister hersteld: te recht daarom zingt de dichter Van Bor van

deeze Meir:

Meir wordt land en landen beeken,

Wat Natuur al wondren teelt,

Is niet mooglijk uittespreeken,

Zo verwart zij in de weeld’!

Nu pronkt zij haar kruin met Eiken,

Dan met waternimfs sieraad,

Nu weêr plant en bloem verrijken

Ceres aangenaam gewaad;

Plant en bloem en duizend vruchten,

Schenkt er gunst te levren aan,

Die haar oog en haar genuchten

Kiezen in die weeldelaan, enz.

In den jaare 1702, brak de Diemer of Muider Zeedijk weder door, het

geen andermaal niet weinig bekommernis voor eene overstrooming van de

Meir veroorzaakte; doch de ijver waarmede men de handen aan ’t werk

sloeg, om overal waar men het noodig oordeelde den ringdijk van de Meir

te versterken, werd met een gelukkigen uitslag bekroond; de Meir

naamlijk leed geheel geene schade.

In onze jongstledene onlusten, hebben de inwooners van de Diemermeir

zig zeer onderscheiden in ijver voor de zaak der Vaderlandschgezinden;

zij hebben zig met een ongemeenen ijver in de wapenhandel geoefend; het

corps van den Rhijngraaf van Salm, heeft aan het rechthuis een geruimen

tijd in bezetting gelegen: bij het aannaderen der Pruissen, was men er

in geene geringe bekommering, niettegenstaande de gewapende ingezetenen

moeds genoeg hadden om de vijand onder de oogen te gaan zien: de laage

landen langs den Outewaalerweg, deelden in de gedaane inundatie, en de

Pruissen hebben er vervolgends niet zeer verpligtend geleefd, trouwens

aldaar nog beter dan elders; van tijd tot tijd ondernaamen voords

eenige van de tegenpartij, voornaamlijk uit Amsteldam, baldaadigheden

in de Meir te pleegen, doch de loflijke activiteit van den Substitut

Schout, den Heere Matthys Elsman, reeds gemeld, heeft hen gedwongen dat

opzet te laaten vaaren.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 145 / 455 题