NAAUWKEURIG VERSLAG VAN DEN JAMMERLIJKEN BRAND TE AMSTELVEEN,

In den nacht tusschen den 25 en 26 Junij, 1792.

Eerst leed het bloejend AMSTELVEEN,

Door ’s vyands wreede spoorloosheên,

Nu viel de vlam het aan, en trachtte ’t gantsch te sloopen—

Beschouwer! zie den nood, en denk wat men kon hoopen!—

GOD echter wenkte, en ’t vuur verloor zyn gloed en kracht—

HY wenkt ook u—sta by!—dan wordt de ramp verzacht.

Te recht houden de Nederlanders de vuurnood en waternood, voor twee

hoofdkwaaden, die den mensch kunnen treffen; anderen volken voegen er

den oorlog wel bij; maar ’t schijnt dat de Batavieren, uit een inwendig

gevoel van hunnen moed en voorbeeldelooze standvastigheid, zo veel

gewigts, of liever zo veel ramps den oorlog niet toekennen, om dat zij

’t meer in hunne hand hebben denzelven te doen eindigen, tot hunnen

roem te doen eindigen, blijft het alleenlijk aankomen op den vijand

wederstand te bieden en hem zijne roekeloosheid te doen beklaagen; dat

is, blijft het slechts aankomen om held te weezen; maar zo zij verraden

worden, dan berokkent de oorlog hen zo veel en meer kwaaden als eenig

volk ter wereld; zo veel, om dat zij den triumph des vijands als

anderen moeten bezuuren, en meer, om dat zij in ’t hart gekwetst zijn,

wonden zeker, welken bij den gevoeligen Batavier altijd blijven

bloeden; ’t is daarom ten allen tijde voor bewezen gehouden dat men

geen harten met grooter gevaar kan wonden, dat is uit hunnen staat van

te vredenheid rukken, dan dat der Batavieren.... maar om wedertekeeren

tot ons eerste gezegde: de Nederlanders houden de vuurnood en waternood

voor twee kwaaden; het laatste, met reden, voor ’t ergste, om dat zij

er meer aan onderworpen en minder voor bestand zijn; intusschen is de

vuurnood mede een geessel die de diepste wonden kan achterlaaten.

Weinig dachten wij vóór een kort verloop van dagen, toen wij onze

beschrijving van Amstelveen, voor onze Nederlandsche stad- en

dorp-beschrijver, zamenstelden, dat wij door een der

beschreienswaardigste rampen, die, vooral opgezetenen, kunnen treffen,

gedrongen zouden worden, andermaal over dat plaatsjen te moeten

spreeken—weinig dachten wij dat het grijze dorpjen, ’t welk wij toen

van harten beklaagden wegens de doorgestaanen overlast van den

triumpheerenden soldaat, nu onze traanen ten ooge zouden uitperssen,

daar het, ten prooje gestaan hebbende aan den jammerlijksten vuurnood,

een tooneel oplevert dat niet dan met de leevendigste ontferming

beschouwd kan worden—een tweede reden, waarom men dat dorpjen voortaan

met recht het rampspoedig Amstelveen mag noemen.

Na op maandag den 25 Junij, 1792, des avonds omtrent 11 uuren, de

dorpbewooners na afgelopene bezigheden van den drokken dag, zig

bereidden om door den slaap hunne vermoeide leden te verkwikken, en de

veele omgelegene landlieden reeds in de diepste rust gedompeld lagen,

werden de waakenden verschrikt, en de slaapenden gewekt, door het

akelig gerucht dat er brand ontstaan was op de waschbleekerij van den

Heere Dregman, te Amsteldam woonachtig, en waarom het opzicht op die

gevaarlijke fabriek, meestal toebetrouwd was geworden aan de werklieden

tot de fabriek behoorende; eene noodzakelijkheid, die, zo als de

ondervinding herhaalde maalen geleerd, en waarvan zij ons thans weder

te beklaagenswaardig overtuigd heeft, niet zonder bedenking

is——onmiddelijk na verzekerd te zijn dat er waarlijk brand ontstaan

was, wendde men de voorhanden zijnde hulp aan, doch te vergeefsch, het

vuur dat door de aanweezende hevige brandstof geweldiger gevoed werd,

dan het vermogen van ’t water, dat men aanbragt, konde keeren, nam

tegen middernacht zodanig de overhand, dat men de klok begon te luiden,

waardoor het geheele dorp, en elk die zig in den omtrek deszelven

bevond, op de been kwam: een besef van den verren afstand der noodige

hulp; het schrikbaarend gezicht van de woedende vlamme, in het stille,

in het akelige uur van den nacht, alles werkte om zo te spreeken mede,

om de harten met de knellendste vrees te vervullen; de wind was wel

niet naar het dorp, maar evenwel hevig genoeg om de vlam tot de

belendene huizen te doen overslaan, het geen de angst niet weinig

vergrootte.

Intusschen kwamen, op het grouwzaam geluid der noodklok, die van

Ouderkerk met de hun mogelijke hulp, toeschieten; ook kwam men van den

kant van den Overtoom, met twee spuiten, door paarden getrokken, aan,

met dien wel ijverigen, maar echter in dit geval te traagen spoed,

welken de afstand en de moeielijkheid van den weg toelieten—de twee

spuiten aan Amstelveen behoorende, waren nu wel aanmerkelijk versterkt,

maar de vlam was intusschen te veel in woede toegenomen, om zig door zo

gering eenen tegenstand te laaten bedwingen [10]; dezelve was nu reeds

geweldig dat het scheen, het dorp was aan zijn jongste oogenblik

genaderd: allertreffendst en hartbreekendst was het geschrei van

weêrelooze vrouwen, en jammerende kinderen, die, als van zinnen

beroofd, in hun schamel nachtgewaad door het dorp dwaalden, terwijl zij

hunne geringe bezitting door het vuur zagen verteeren; ieder dak dat,

nu van zijne binten ontbloot, ieder stuk branden hout dat nederstortte,

deed de vlam op de akeligste wijze verheffen, en met het verheffen van

de vlam werd ook het geschrei en gekerm heviger, terwijl men met luider

stemme God om genade en bijstand bad.

Loflijk zeker kweeten zig zo wel de tot hulp aangekomen manschap, als

de inwooners zelven, dan hun vermogen was niet toerijkende; het was

reeds één uure na middernacht, toen de vlam het hevigst woedde, en zij

werd niet gestuit voor dat 13 à 14 Wooningen, eenige Schuuren, een

Kolfbaan, en aanzienlijk veele goederen tot assche verteerd waren:

onder de afgebranden huizen telt men mede het Armehuis, waarin zo wel

Lutherschen en Roomschen als Gereformeerden opgenomen worden [11]; in

dat huis was nog voor slechts 3 weeken een meisjen van 9 jaaren oud

besteed, het welk dit jammerlijk onheil met den dood heeft moeten

bekoopen: nog te zeer vreemdeling in het huis zijnde, is zij, (zo gist

men,) in ’t zelve verdwaald, en de vlam heeft haar verrascht; zij is

onder de puinhoop van daan gehaald, geheel verbrand, en als

zamengebraden; de voetjens waren gantschlijk verteerd, en de ingewanden

lagen bloot: in dien jammerlijken staat is het deerelijk voorwerp,

eenige dagen lang, in de Dorpskerk te zien geweest.

Zo dra de vlam zo verre voordgeslagen was, dat men ook het Armehuis

voor verloren hield, werden, trouwens in de grootste, hoewel tevens

verschoonelijkste confusie, de Kinderen na een ander verblijf

overgebragt; zes van de Gereformeerden, verplaatste men in het

Diaconie-weeshuis, en eenige Roomschen werden in de naastgelegenste

omtrek bij particulieren gebragt, terwijl het de Suppoosten van ’t huis

toegestaan werd, hun intrek in het Rechthuis te mogen neemen.

De gemelde Wooningen, door den ijsselijken vuurgloed vernield, (het

Armehuis niet mede gerekend,) verstrekten ter herberginge van zeventien

huisgezinnen, welken, staande het woeden der vlamme allen gevoeld

hebben, wat het menschlijk hart pijnlijks gevoelen kan: op éénmaal van

alles beroofd; op éénmaal in de diepste armoede gedompeld te worden,

dat zeker is een lot het welk men door geene wijsbegeerte kan

verzachten; ook moeten wij tot lof van onze tijd- en vooral van onze

stad-genooten zeggen, dat zij zig in deeze akelige omstandigheid

wederom gedragen hebben, en nog gedragen, zo als zij zig in zulke en

dergelijke omstandigheden meermaals gedroegen, en zo als het waare

Christenen betaamt—zij geeven met eene milde hand; de toevoer voor de

ongelukkigen is zeer aanzienlijk, zo dat deezen reden hebben om zig, in

’t midden van hunnen jammerlijken toestand te verheugen, daarover dat

de Menschlievendheid hunne ontvangene wonden zo minlijk verzacht.

Lof, nimmer zwijgende lof zij u, braave Nederlanders! toegezwaaid, voor

deeze uwe christelijke medelijdendheid; gaat op dat ingeslagen pad

voord; gij zijt tog verzekerd, dat ieder penningsken, ’t welk gij aan

de ongelukkigen uitrijkt, bij uwen hemelschen Vader op, dikwijls

verdubbelden, winst uitgezet wordt——en gij, Patriotten! gij die u den

naam van Vaderlanders tot eene eere rekent; u voegt het vooral, de

ongelukkigen te toonen dat gij waarlijk Patriotten zijt—herdenkt wat

Amstelveen heeft geleden, toen uw vermogen, met uw moed, te kort

schooten, om het te beveiligen voor het lot dat ingenomene plaatsen

gemeenlijk ondergaan—heeft men van u gezegd:

In ’t hart verhief zig moed; en in het manlijk wezen,

Tot op dit oogenblik door Pruisens volk miskend,

Stond Hollands oudste merk, Standvastigheid te leezen,

Die als ’t de nood vereischt door duizend kogels rent.

Nu, uwe mededeelzaamheid ondervonden hebbende, voege men er bij:

In ’t hart verhief zig deugd, en in ’t bedrukte wezen,

Waaraan men in den ramp Civilis nakroost kent,

Stond het Bataafsche merk, Menschlievendheid te leezen,

Die den noodlijdenden, zo ruim verkwikking zendt.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 116 / 455 题