GESCHIEDENISSEN.

Hoe de Heerlijkheid Amstelland, en gevolglijk ook dit dorp Amstelveen

aan de Graaven van Holland gekomen is, hebben wij boven, (bladz. 2.)

gezien; en in onze beschrijving van Sloterdijk, tekenden wij aan dat

dezelve naderhand in het huis van Brederode zijn overgegaan, alwaar wij

ook zeiden, dat niet naauwkeurig bepaald konde worden, langs welken weg

(zie aldaar bladz. 2); doch, onder het naslaan van eenige andere dan de

toen geraadpleegde schrijvers, vinden wij dat men dien overgang dus

opgeeft: Graaf Jan van Holland, die zijn’ Vader den omgebragten Graaf

Floris den Vijfden opvolgde, kwam derhalven ook in het bezit van de

verbeurd verklaarde goederen van Van Amstel; en deeze, in 1299, zonder

kinderen komende te overlijden, is hem, als naast in den bloede, tot

erfgenaam opgevolgd, Jan van Avennes, welke in ’t begin zijner

regeeringe de Heerlijkheden van Amstel en Woerden schonk aan zijnen

broeder Guy; na den dood van deezen, en van Graaf Jan heeft ’s Graaven

zoon Willem (1317,) die Heerlijkheden weder benaderd en aan de

Graaflijkheid gehecht.

Naderhand heeft Albert van Beiëren, als Graaf van Holland, de

Ambachtsheerlijkheid Amstelveen, nevens de gevolgen van dien, ter

Ouder- en Nieuwer-Amstel (1399,) tot een onstervelijk leen gegeven, aan

Coen van Oosterwijk, voor de somma van 3100 schilden; deeze droeg dat

zijn eigendom (1402) weder op aan Margaretha van Cleef, des Hertogs

tweede Gemaalinne; hier door geraakte na haar overlijden, Amstelveen,

en de geheele nalaatenschap der Graavinne aan haare Moeder, mede

Margaretha genaamd, die de Heerlijkheid tot 1434 bezat; in welk jaar

Hendrik van Borselen, Heer van ter Veere, uit krachte van aanhoop,

daarmede verleid is geworden; en door het huwelijk van Margareta van

Borsselen, met Walraven van Brederode, ging Amstelveen dus in dat

geslacht over, zijnde hetzelve in 1529, door Heer Walraven aan de stad

Amsteldam verkocht, gelijk wij in ons blad, over Sloterdijk handelende,

reeds gezegd hebben.

In de woede der hervorming heeft Amstelveen denkelijk gedeeld; want in

de sententiën van Alba, vindt men een banvonnis, tegen zekeren Cornelis

van Amstelveen, welke daarin ten laste gelegd wordt, dat hij de

kerkplonderaars te drinken gegeven, den Pastoor voor eenen verleider

des volks uitgemaakt, en gezegd zoude hebben, dat men van de klokken

der kerken roers en geschut zoude gieten.

Wat Amstelveen in onze jongstledene beroerten heeft moeten lijden, is

bij ieder bekend; aldaar tog was om zo te spreeken voor een gedeelte

het tooneel des oorlogs.

In den nacht van den 30 September, rukte de Hertog, met zijne Pruissen

reeds tot nabij de Hand van Leiden gekomen zijnde, nader derwaards;

doch eene Patriotsche patrouille vertelde hem weldra met

snaphaanskogels, dat zij onversaagd waren: deezen echter waren door de

overmagt genoodzaakt zig te bedwingen; de Hertog posteerde vervolgens

zijn geschut op den dijk naar Amstelveen, waarop de aanval zoude

geschieden; reeds ten 5 uuren in den morgen hoorde men het

signaalschot, en terstond daarop begonnen de Pruissen te Ouderkerk

hunne opgeworpene Batterijen te laaten speelen; hunne jaagers gingen op

het verlaat los, doch bemagtigden hetzelve niet dan ten koste van veele

koppen; want de Hollanders vochten als leeuwen, als lieden die bij den

oorlog opgevoed waren, welke lof de Hertog zelf hun niet heeft kunnen

weigeren—nog herinneren wij ons, met siddering, het geluid der schoten

aan welke ’t behoud of verlies van geheel Amsteldam afhing; nog hooren

wij de hartlijke beden aan den hemel om overwinning.... doch liever

staaken wij dien toon.

Eenige honderden schreden achter het gezegde verlaat, lag eene

Patriotsche verschansing, door eene welbepalissadeerde gracht van den

dijk afgezonderd; deeze werd vervolgends aangetast en veroverd, doch

mede ten duuren prijze: ondertusschen was het dag geworden: de dappere

Colonel De Porte die de Patriotten te Amstelveen commandeerde, en het

dorp ongemeen versterkt had, liet toen met vier stukken geschuts den

dijk beschieten, en deed veele Pruissen vallen; de Hertog echter hield

stand, zond zijne jaagers, over de grachten, naar de nabijgelegene

hooibergen, ten einde van achter dezelven zijnen vijand te beschieten;

de onzen maakten een allerhevigst vuur, en betwistten elkander de eer

van de meeste en best gerichte schoten gedaan te hebben: ligtlijk

begrijpt men dat de Pruissen van hunnen kant mede hun best deeden,

waardoor het benaauwde Amstelveen zig in ’t grootste gevaar bevond,

staande ten prooje van de vijandlijke kogels, die echter niet zodanig

neder kwamen dat er eenig huis of schuur in de brand geschoten werd: de

onzen onvermoeid met schieten aanhoudende, en nu ziende dat men hun van

achter de hooibergen bestookte, hadden moeds genoeg om op de

Pruissische Jaagers, aldaar verstoken liggende, los te gaan, de

hooibergen in den brand te steeken, en vooral door hunne welgeoefende

scherpschutters, de jaagers voornoemd te verdrijven, niet alleen, maar

ook zag de Hertog zig genoodzaakt met al zijne manschap naar de Hand

van Leiden te retireeren, alwaar de Lieutenant Generaal Van Knobelsdorf

eene batterij geformeerd had, om Amstelveen op zijde te beschieten.

De Hertog verwachtte alle oogenblikken dat de onzen van achteren

geattaqueerd zouden worden, en hij daardoor gelegenheid bekomen van

weder te kunnen avanceeren, want dit was zijn plan, maar dit secours

bleef vier en een half uur uit, het geen hun veel volks kostte, die

door het vuur der patriotten vielen.

Tegen tien uuren des morgens kreegen de onzen op den dijk van Ouderkerk

nieuwe versterking van voetvolk, want hoe heet het ook reeds toeginge,

brandde men echter van verlangen, vooral te Amsteldam, om zig tot

versterking derwaards te mogen begeeven; men hield zig van eene

volkomene overwinning verzekerd—dan God had het anders besloten——wij

weeten niet waarbij het toegekomen is, dat de Pruissen verscheidene

geretrancheerde posten van de onzen op den dijk naar Amstelveen en

elders veroverden, de moedige Patriotten aan het wijken bragten, en tot

binnen het dorp dreeven; ’t welk aldaar geene geringe schrik

veroorzaakte—eene en andere omstandigheden waren dringend genoeg om den

Colonel De Porte te doen besluiten, zig naar Ouderkerk te begeeven, ’t

geen met zo veel spoeds geschiedde dat de Pruissen nu, gereed zijnde

hen met hun eigen geschut te beschieten, hen niet meer berijken konden.

Te Ouderkerk had men zig tot nu toe even manlijk gedragen; de

gelegenheid van het plaatsjen had den Hertog belet het te naderen, des

zag hij ook geen kans om het tot de overgaaf te dwingen; onvoorbeeldig

kloekmoedig betoonden de Patriotten zig aldaar, doch door de aankomst

van De Porte, uit Amstelveen, werden zij geintimideerd, als nu te wel

beseffende hoe zij thans langs den zelfden weg (’t zogenaamde groote

loopveld, of de Kerkweg,) op de zijde, door de Pruissen genaderd konden

worden: de Colonels Corkel en Leville, hadden hier het bevel, en

beslooten de wijk naar Amsteldam te neemen, liever dan door eene

wanhoopige verdediging den Vaderlande nog meer burgers te ontrukken—een

ware held weet op zijnen tijd te wijken: de aftogt geschiedde met alle

mogelijke stilte, en men kwam behouden te Amsteldam aan.

Nog dien zelfden avond werd het plaatsjen zo wel als Amsteldam door de

Pruissen bezet, waardoor de inwooners, in de uiterste droefheid

gedompeld, nu den overlast des soldaats moesten draagen—dat deeze

overlast niet gering geweest is bevestigen honderden van getuigen; en

te geloofwaardiger worden dezelven, als men beseft, welk haatelijk

denkbeeld den Pruissen van de Nederlandsche Patriotten ingeboezemd was

geworden; ook hadden zij te veel van de moedige verdediging van deezen

moeten ondergaan, om geheel vrij te blijven van den trek tot bijzondere

wraakneeming.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 90 / 455 题