GROOTTE

Betreft: Duivendrecht in ’t algemeen beslaat eene zeer ruime

uitgestrektheid gronds, begroot op 1327 morgen, 300 roeden lands,

gelijk de polders, waarin de buurt gelegen zij, onderscheiden worden in

Groot- en Klein-Duivendrecht, alzo onderscheidt men ook de buurten van

dien naam; zijnde de buurt, eigenlijk Klein-Duivendrecht, landwaards in

gelegen: een gedeelte van Groot-Duivendrecht, tegen over den Weesperweg

aan den Amstel gelegen, noemt men het eiland; eigenlijk zoude men het

drie eilanden kunnen noemen, om dat het door twee slooten in drie

afzonderlijke deelen, rondsom van water omgeven, verdeeld is—Op den

gezegden uitgebreiden grond, bevat Duivendrecht, het eiland niet mede

gerekend, niet meer dan 32 of 33 huizen, want dezelven staan zeer wijd

van elkander gebouwd, voornaamlijk ter wederzijde van eenen zuidelijken

straatweg; ieder huis staat op eene werf waarbij veel weiland gelegen

is: er zijn ook twee buitenplaatsen of tuinen; de eene, Welmeer

genoemd, is nog in stand; doch de andere in 1787 zodanig door de

Pruissen gehavend, dat dezelve thans niet meer dan een optrek is; meer

anderen worden op het eiland bovengemeld gevonden, op hetzelve staan,

behalven dat, nog vier molens, naamlijk twee die witloot, één die

snuif, en één die steen maalt: de beide polders worden voords door twee

molens van het overtollig water ontlast.

In het buurtjen eigenlijk Klein-Duivendrecht genoemd, staan nog eenige

weinige huizen, en één snuif-molen; voords is aldaar ook geplaatst de

porcelein-fabriek, die weleer in Loosdrecht geweest is, gelijk wij in

onze beschrijving van dat Dorp aantekenden: deeze fabriek, zegt men,

dat alhier veel beter opneemt dan zij weleer in de Loosdrecht gedaan

heeft; er worden vorstelijke servisen gemaakt, die ten duursten prijze

worden verkocht; ook wordt wel, als de fabrikeurs eene genoegzaame

hoeveelheid van porceleinen in voorraad hebben, een loterij van

dezelven aangelegd, gemeenlijk in het rechthuis van de Diemer- of

Watergrafts-meir.

Onder het gezegde tal van huizen, behoort ook de woning van den

brugman; zijnde een tamelijk goed huis, waarin hij niets verwoont,

gelijk hij ook geene pacht voor de brug behoeft optebrengen, en beiden,

wooning en brug, worden door Amsteldam onderhouden: met dit postjen

wordt thans deezen of geenen gunsteling begiftigd, ofschoon het

indedaad een wettig eigendom zij van het manlijke oir des kuipers

bovengemeld, en door het welk zijn huis aan die brug gelegen, en thans

een herberg, (’T huis de hoop,) zijnde, nog wordt bewoond: de historie

van dit ontvreemde eigendom is deeze: de kuiper voornoemd, of wel

deszelfs gezegde woning, had het recht van de pont of het veer van

overvaart, waarvan wij mede reeds gesproken hebben: nu stond hij aan

Amsteldam een gedeelte gronds van zijn erf af, ten einde den algemeenen

weg voorbij zijn huis heen te kunnen leggen; maar die afstand

geschiedde op voorwaarde, dat de stad, voor haare rekening, in de

plaats van zijne pont, eene brug zoude leggen en onderhouden, de

inkomsten van welken ten eeuwigen dage aan het manlijke oir van hem

zoude verblijven; het bruggeld zoude bepaald blijven op 2 duiten de

persoon, gelijk men voor het overvaaren met de pont ook moest betaalen:

dit accoord werd wel getroffen, maar is niet gemaintineerd; want voor

eenige jaaren is, bij het afsterven van den werkelijken bezitter der

brug, in het geslacht van den geenen die ’t accoord gemaakt had

behoorende, dezelve, gelijk gezegd is, als een amtjen weggegeven; de

tegenwoordige bewooner van het huis zoude thans, nu alle

broodwinningen, vooral het herberghouden, geweldig achter uit gaan, met

ernst zijn recht vervorderen, dan, hem ontbreeken de noodige papieren,

die hem in de woelingen in 1787, waarin hij bovenmaatig gedeeld heeft,

ontvreemd zijn, of liever zijn zij door schendende handen vernield: zo

veel heeft hij nog bij request verkregen, dat de geenen die zig tot

zijnent komen verpoozen, of ververschen, en de brug moeten passeeren,

vrij van de tol zijn, mits evenwel dat zij uit zijn huis ook weder de

brug over terug gaan, maar vervorderen zij hunnen weg, naar Abcoude of

Ouderkerk, dan moeten zij de gewoone 2 duiten betaalen: deeze tol wordt

ook alleenlijk betaald door den voetganger; paarden, hoornvee, of

andere beesten die over de brug gedreven worden, betaalen niets, ook

niet de rijtuigen, ja zelfs niet de geenen die er in zitten, alleenlijk

moet men, gelijk gezegd is, betaalen, als men te voet gaat.

De gezegde huizen, waaruit deeze uitgestrekte buurt bestaat, worden

bewoond door ongeveer 160 menschen.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 72 / 455 题