GESCHIEDENISSEN.

Daar wij van de geheele beschrijving van het weleer zo magtige

Amsteldam, maar een zeer kort uittreksel kunnen geeven, zullen wij ons

althans in het spreeken over haare geschiedenissen, die zo wel in het

kerklijke als wereldlijke zeer veelen zijn, ongemeen moeten bepaalen,

en alleenlijk iet van de hoofdtrekken daarvan kunnen aanstippen—In de

dertiende eeuw dan is Amsteldam reeds tot een tamelijk dorp of steedjen

aangegroeid; jammerlijk werd het toen verwoest, ter wraake van den

bekenden moord aan Graave Floris den Vijfden, waaraan Gijsbrecht, Heer

van Amstel, medepligtig was: deeze echter bouwde het daarna weder op,

en voorzag het van houtene vesten en bruggen, doch ook die zijn arbeid

werd omtrent den jaare 1299, door de Kennemers en Waterlanders in

koolen gelegd: in 1304 verviel ’t opkomend Amsteldam in ’s Graaven

ongenade, ter oorzaake van ’t ontvangen van eenige ballingen, en het

moest ter straffe alle zijne bruggen en vesten weder afbreeken, eene

boete betaalen, en de vrijheid van te markten missen: in de

eerstvolgende vijftig jaaren kwam het echter weder in groot aanzien,

zodanig dat het reeds verscheidene voorrechten ontving: na het

verdrijven van den Heere van Amstel, kwam het aan de Graaflijkheid, en

vóór het einde der veertiende eeuw begon het door den koophandel reeds

merkelijk te bloejen: in 1391 bezaten de Amsteldammers reeds een stuk

lands op ’t eiland Schoonen in Deenemarken: in 1405 konden zij hunnen

Graave reeds merkelijken dienst doen, en drie jaaren daarna, rustten

zij met die van Kampen twee schepen uit, om hunne koopvaarders tegen de

zeevaart te beveiligen: toen de Hoeksche en Kabbeljaauwsche factie,

geheel het Land beroerde, kreeg Amsteldam een aanmerkelijk deel in de

gevolgen van dien twist: in de maand April des jaars 1421, verbrandde

ruim een derde gedeelte van de stad, met het Raadhuis, de Nieuwe Kerk

en eenige andere Godsdienstige gestichten: het zelfde noodlot, echter

niet zo geweldig, trof haar in 1452: in 1426 hielpen de Amsteldammers

Filips den Goeden, Hoorn ontzetten, en niettegenstaande de teistering

van den gezegden twistgeessel, nam hun bloei zo aanmerkelijk toe, dat

zij in 1438 alleen twintig oorlogschepen in zee bragten; ook werden zij

in den steeds voordduurenden krijg meer en meer geducht: in 1548

behaalden zij groote overwinning op de Utrechtenaars, waarvan de

Kloveniers doelen nog getuigt: (zie hier voor, bladz. 20) ook werd

omtrent dien tijd de stad aanmerkelijk uitgelegd, en met muuren en

torens omringd: na in den Gelderschen oorlog geen gering deel gehad te

hebben, was haar aanzien reeds zodanig toegenomen, dat verscheidene

Vorsten haar veele voorrechten, allen den handel betreffende,

toestonden, ook was omtrent het einde der vijftiende eeuw het getal der

Graaflijke gebouwen binnen der stede vesten zodanig toegenomen dat er

besloten werd geene nieuwen meer aanteleggen.

In en omtrent den jaare 1530 was de onverdraagzaamheid in het stuk van

den Godsdienst hier nog zo groot, dat onder anderen het drukken van ’t

Nieuwe Testament naar de vertaaling van Luther verboden werd, op

straffe van ooguitsteeking en handafkapping; ook maakten de

Wederdoopers op verscheidene plaatsen van Nederland groote beroerten,

wegens Godsdienstige verschillen; te Amsteldam liepen er vijf met

ontblotene zwaarden door de stad, den zegen over de rechter en den

vloek over de linker zijde derzelve uitroepende, weinig tijds daarna

liepen zij moedernaakt door de stad, (zij hadden hunne klederen

verbrand,) wee en ach! uitroepende, en de straf die sommigen van hen

ondergingen, van onthoofd of verdronken te worden, konde hen echter van

hunne krankzinnige dwaaling niet terug brengen; integendeel gingen zij

daarin zo onvoorbeeldig voord, dat zij in den jaare 1535 een’ aanslag

smeedden om Amsteldam te overvallen; den toeleg werd wel ontdekt doch

konde niet geheel gestuit worden; zij overrompelden het stadhuis, het

geen echter door de gewapende burgerij hun weder ontweldigd werd; een

eisselijke straf ondergingen de geenen die men gevangen kreeg; onder

hen bevond zig zekeren Jacob van Kampen, die zig Bisschop van Amsteldam

had laten noemen; hem werd eerst de tong uitgesneden, en hij zelf

voords leevendig verbrand—onlusten van minder belang door eenigen om

verscheidene redenen misnoegden, voorbijgaande, naderen wij het

tijdperk waarin onze stad niet weinig had te lijden door den hevigen

twist over Roomsch en Onroomsch; de Amsteldammers waren zo sterk tegen

de Onroomschen gekant dat deezen het nog niet hadden durven waagen er

te prediken; doch daartoe gingen zij echter eindelijk over, met dit

stoute gevolg dat zij in 1566 de beeldstorming in de Oude kerk

begonnen, en zig zo ontzachlijk wisten te maaken dat de Wethouderschap

hun het vrij buitenprediken toestond; doch daarmede niet voldaan,

ondernamen zij het plonderen van twee kloosters, en gedroegen zig zo

onrustig dat men moest goedvinden in 1567 een verdrag met hun te

tekenen——na eene en andere tusschengebeurtenis, waaronder zelfs die, en

welke geen geloof verdient, dat sommige weeskinderen eene bezetenheid

trof, waarbij zij grouwelijke gezichten trokken, tegen de wanden

opvlogen, en ook (NB.) uitheemsche taalen spraken, en lispende

vertelden wat op ’t zelfde oogenblik elders in de Vroedschap

geschiedde, trof in 1570 Amsteldam een deerlijk lot door een zwaaren

watervloed; een zelfd lot trof haar in 1593, waardoor zij ontzaglijke

schaden in haaren scheepvaart leed; geduurende deeze en andere tusschen

gebeurtenissen, zeggen wij, kwam de bloedhond Alva in ’t Land, en de

vervolgingen om het geloof werden ten allergrouwelijksten, vooral

binnen Amsteldam voordgezet: hij eischte eene schatting van de stad die

zij niet konde opbrengen, en zij werd deswegen in eene boete van 25,000

guldens verwezen; desniettegenstaande bleeven de Amsteldammers de zijde

der Spaanschen houden, waardoor zij niet weinig van de Staatschen

hadden te lijden: Alva, te zeer met schulden bezwaard, verliet haar

heimelijk, en bragt daardoor veelen der rijkste inwooneren tot den

bedelzak: in 1577 lagen de Staatschen het toe om de stad bij verrassing

te bemagtigen; doch die toeleg mislukte, evenwel werd zij ten volgenden

jaare gedwongen zig bij verdrag overtegeeven: hier over ontstond echter

weder zo hoog een verschil dat de Onroomschen zig verstoutteden, (25

Mei 1578) het stadhuis te overweldigen, en de Wethouderschap met eenige

Geestlijken ter stad uittedrijven: in 1581 en vervolgends had Amsteldam

niet weinig deel in het ontwerp om de Graaflijkheid aan Willem den

Eersten optedraagen, zij maakte er naamlijk zwaarigheid in, en ’s

Prinsen onverwachte dood deed geheel de zaak achterblijven: in 1585

werd met eene tweede vergrooting der stad een aanvang gemaakt, en in

hetzelfde jaar, trachtte de schelmsche Leicester, een Gezant van

Engeland, zig van eenige voorstanders der vrijheid meester te maaken;

doch de waakzaamheid der Wethouderschap en Burgerij deed hem in dat

gevloekte oogmerk niet slaagen: zo zeer nam Amsteldam, niettegenstaande

alle de gemelde folteringen, in bloei en volkrijkheid toe, dat haare

muuren in 1593 nogmaals, ook andermaal in 1612, en nog eens in 1658

uitgezet werden; sedert is de stad alleenlijk binnen haare muuren meer

en meer bebouwd: in 1595 was er zo groot eene schaarsheid van graan,

dat Burgemeesteren zig onderling met eeden verbonden, de waare

gesteldheid daarvan voor de ingezeten verborgen te houden: in 1602

gevoelde men zo hier als elders eene zwaare aardbeeving; het zelfde

gebeurde in 1692. De bekende onlusten tusschen de Remonstranten en

Contra-Remonstranten, ten tijde van het bestand, stortten onze goede

stad weder in grouwzaame beroeringen, ja zelfs tot plondering toe: in

1629 werd een veroverde zilvervloot binnen haare muuren gebragt, en,

niet zonder groote opschudding onder het bootsvolk verdeeld; in 1650,

ontstond er verschil tusschen de stad en Prins Willem den Tweeden,

waarom deeze dorst besluiten en ook onderneemen Amsteldam te

bemagtigen, en naar zijne hand te zetten, doch zijn aanslag mislukte

hem, en hij moest terug keeren, na op deeze wijs zijn’ stamhuis een

onuitwischbaare schandvlek aangewreven te hebben: verscheidene maalen

is Amsteldam ook door de pest aangetast geworden, en wel allerhevigst

in den reeds gemelden jaare 1602, toen er in één week meer dan 700

menschen aan stierven; in 1663 en 1664, sleepte die geduchte bezoeking

eene ontzachlyke menigte van inwooners ten grave; in 1610 was er weder

zulk een hoogen watervloed, dat het water door de Warmoesstraat

bruischende heen liep: in 1619 ontstond er een oproer over de

boterpacht, doch dezelve was van geen groot gevolg, en in 1625 was er

weder zo hoog een vloed dat het water op den Dam stond; het zelfde lot

tastte de stad in 1637, en andermaal allergeweldigst in 1640 en 1651

aan: ten volgenden jaare verbrandde het stadhuis, zo dat er alleenlijk

de muuren, en een gedeelte van den toren staan bleeven: in 1653 was het

verval van koophandel alhier zo groot, dat er, volgends sommigen wel

3000 huizen ledig stonden; in 1654 werd alhier den vrede met den

beruchten Cromwel afgekondigd, en met alle tekenen van vreugde werd

geheel den dag doorgebragt: om het gemeen te behaagen deed men de

trompetters het bekende deuntje Wilhelmus van Nassouwe blaazen, doch

zorgvuldig hield men voor den volke verborgen dat de vrede eerst zijn

beslag gekregen had, na de overlevering van de acte van Seclusie of

uitsluiting van den Prinse van Oranje, bekend onder den naam van ’t

Eeuwig Edict: na dien tijd zijn er te Amsteldam verscheidene maalen

grouwzaame branden ontstaan, gelijk het ook te meermaale door

vreeslijke watervloeden geteisterd is geworden: alle de kruidstooven

die in haaren omtrek of nabijheid gestaan hebben, zijn de eene voor en

de andere na in de lucht gesprongen, tot merkelijk nadeel en

verschrikking der goede inwooneren; de aanmerkelijkste zwaare brand

binnen de stads muuren voorgevallen is die van den Hollandschen

Schouwburg, in den jaare 1772; deze indedaad was allerijsselijkst,

niettegenstaande de ongeloovelijke vigilantie in het aanvoeren van alle

de stads brandspruiten; en deeze allerbeschreienswaardigste gebeurtenis

deed weldra zien, bij het in ’t licht verschijnen van zekere versen,

dat Amsteldam binnen haare muuren nog zulke lieden huisvestte, die,

niettegenstaande de stad een tempel van kunst en weetenschap genoemd

moge worden, en veele fraaje vernuften er zig bezig houden met het

loflijk werk van de verlichting des menschdoms; zulke lieden zeggen

wij, die, desniettegenstaande, het akelige afbranden van den schouwburg

hielden voor eene rechtvaardige bezoeking Gods, voor eene kasteiding

van zijne hand, ja voor eene wraak zijner vleklooze heiligheid over de

boosheid welke in zulk een gebouw gepleegd wordt—grouwelijke,

god-onteerende gedachten! zo verfoejelijk als dom! intusschen was door

de vlam eene overgroote somme gelds vernield, terwijl de bestuurderen

nog bezig waren veele duizenden te vertimmeren, of liever te

verspillen; want eerst van binnen eene geheel andere schikking van

plaatsen gemaakt hebbende, was nu kortlings alles weder op den ouden

voet gebragt: ter oorzaake van welke omstandigheid, of mogelijk, (en

dit zouden wij liever gelooven,) om dat de brand ontstond onder het

speelen van eene Vlaamsche troup tooneellisten, aan wien het gebouw

toen voor het zomer- of zogenaamd stilstaand saisoen, verhuurd was,

zeker vernuft, bij gelegenheid van den brand, deeze twee regels uit

zijne scherpe penne liet vloejen:

De hommels rooven hier het eêlste van de beiën,

Daar de oude stok om zucht; de weezen om staan schreien;

Hij zinspeelde op het onderschrift, onder het blazoen van den

kunsttempel:

De beiën storten hier het eêlste dat zij leezen,

Om d’ouden stok te voên, en ouderlooze weezen.

In 1672, de Staat in oorlog met Frankrijk gewikkeld zijnde, hield onze

stad, onder anderen allen vredehandel met dat Rijk tegen; dit gaf door

de aannadering des vijands gelegenheid, dat Amsteldam rondsom onder

water gezet, en in staat van tegenweêr gebragt werd: in 1681 kwamen ter

oorzaake van de Geloofsvervolgingen in het gemelde Rijk, eene groote

menigte Fransche vlugtelingen herwaards, die allen wèl ontvangen, en

zelfs met vrijdom van stads excijns voor den tijd van drie jaaren

beschonken werden: vijftien jaaren daarna, (in 1696) ontstond er een

geweldig oproer over zekere keure bij de Wethouderschap op ’t begraaven

der dooden gemaakt, en ’t welk van dat gevolg was dat de keure

ingetrokken moest worden, niettegenstaande men eenige der belhamels

strafte: in de drie volgende jaaren, 1697, 1698 en 1699, was er te

Amsteldam weder eene nijpende schaarsheid van graan, zodanig dat

Burgemeesteren den uitvoer zelfs tot buiten den boom verboden: in den

jaare 1720 had Amsteldam niet weinig te lijden door een verregaande

zucht voor den actiehandel, waardoor duizenden zig totaal ruineerden,

en waaruit groote beroeringen ontstonden: wij behoeven niet aantevoeren

wat er in Amsteldam wegens de verkiezing van Willem den Vierden Prins

van Oranje, tot het Erfstadhouderschap is voorgevallen, hetzelve is

overgenoeg bekend: de stad echter heeft daarover minder geleden dan

veele andere Nederlandsche steden; doch de verandering in ’t begeeven

der Amten was voor haar van groter gevolg; men begeerde dezelven aan de

Staaten van Holland opgedragen te hebben, waartoe de Stads Raad, om het

voordeel dat er de stad van trok, niet wilde verstaan; de beruchte

Porceleinkooper Daniel Raap, begon nu eenen hoofdrol te speelen; hij

ontwierp een request aan de vroedschap, ter ervelijkverklaaring, (in de

manlijke en vrouwlijke linie,) van het Stadhouder- Capitein- en

Admiraalschap-Generaal, het verkoopen der amten ten voordeele van den

Lande, een vrijen krijgsraad, en het herstel der gilden in hunne

voorrechten; Raap nam alle mogelijke middelen ter hand om in zijn

oogmerk te slaagen, doch hij vond overal grooten tegenstand, tot op

zijne besteeking een menigte volks op den Dam vergaderde, het raadhuis

instooven en geen gering geweld gebruikten; onder anderen stak het

gespuis, in de plaats van de roede van justitie een ragebol ten

venstere uit; zij lagen op de regeeringskussens in dezelven; doch zodra

zij door eenige gewapende schutters aangevallen werden, namen zij in

aller ijl de vlugt, evenwel volgde de toestemming tot het

Erfstadhouderschap eenige dagen daarna: in 1648 verhief zig een

dergelijken storm tegen de pachters, en in denzelven werden eenige

huizen deerelijk geplunderd, op welke schenddaad ook eene voorbeeldige

strafoefening volgde, waarbij eene oproerige beweeging ontstond, die

een groot getal der zamengevloeide aanschouweren het leven kostte.

In 1756 gevoelde men hier weder eene aardbeeving, die geen geringe

ontsteltenis veroorzaakte: in 1762 ontstond er brand in het stadhuis,

welke echter nog gelukkig bij tijds gestuit werd: omtrent den jaare

1758 had de Nederlandsche Koophandel, waarvan de Amsteldamsche beurs de

voornaamste zuil is, niet weinig te lijden door het onredelijk gedrag

der Engelschen, die het niet genoeg was, weerlooze schepen optebrengen,

te plonderen, verbeurd te verklaaren, maar ook ontzagen ze der Staaten

vlagge niet, het geen, onder anderen, de Amsteldamsche kooplieden

noodzaakte zig, desaangaande, bij requeste aan ’s Lands vaderen te

adresseeren; de Heeren Bewindhebberen van de Westindische Compagnie,

voegden hunne klagten bij die der kooplieden; ter staavinge van alle de

klagten werden drie lijsten van genomene, geplonderde of onrechtmaatig

gecondemneerde schepen, allen te Amsteldam in ’t bijzonder t’huis

behoorende, ingeleverd, op de eerste lijst stonden

21 Schepen ter schade van ƒ 3:557.500:-:-

2de lijst 35 ——— ——— ——— 5:144.000:-:-

3de lijst 100 ——— ——— ——— 439.191:6:-

---------------

Dus 156 Schepen ter schade van ƒ 9:140.691:6:-

Met reden was des het geroep om redres zeer groot, evenwel kwam het

niet, het geen bij veelen den lust tot den koophandel geheel deed

verflaauwen, tot merkelijk nadeel van Staat en stad: de gezamentlijke

kooplieden van Amsteldam, Dordrecht en Rotterdam, leverden hunne

klagten desaangaande in bij Mevrouwe de Gouvernante, maar kreegen wel

verzoek om uitstel van verdere klagten, doch geene hulp: meermaals

werdt in ’t vervolg over het zelfde ongelijk geklaagd, doch telkens

zonder eenig wenschelijk succes niet alleen, maar zelfs kreegen de

klaagers het grievend antwoord, dat het voor de Vrouwe Gouvernante een

point d’honneur geworden was, te stemmen in de vermeerdering van

landmagt, (dit was toen een tweede zaak in verschil,) en zonder de

voldoening daarvan te erlangen, voor geene vermeerdering van zeemagt

konde stemmen; dat men voords de kooplieden niet zoude vleien, met de

teruggaven der schepen en goederen door de Engelschen genomen.... dan,

dus voordgaande zouden wij niet alleenlijk te breedvoerig worden, maar

ook de afzonderlijke geschiedenis van onze stad te buiten treeden; wij

hebben dit alleenlijk tot dus verre willen boeken, om onzen Leezer

eenigzins te doen beseffen, hoedanig Amsteldam ten dien tijde in de

zenuw van zijn bestaan verdrukt werd.

Onder het Stadhouderschap van Willem den Vijfden, die zijne moeder

opvolgde, gedroegen de Engelschen zig niet beter; daarbij kwam nog de

twist tusschen Engeland en zijne Americaansche Colonien, welke oorlog

zo veel invloeds op den staat van ons Vaderland gehad heeft: in 1775

was er weder een grouwzaam hoogen watervloed, doch nu op zijn hoogst

gekomen zijnde, bespeurde men zonderling de hand Gods ter verlossinge;

want schoon het water tot des morgens ten 9 uuren 20 minuten had moeten

rijzen, begon het des morgens ten 6 uur reeds te daalen, en Amsteldam

werd daardoor van het ijsselijk dreigende gevaar verlost.

De voorgemelde schandelijke gedragingen der Engelschen gevoegd bij

hunnen oorlog met America, hadden in 1780 hier ter stede een algemeene

morring veroorzaakt; en alle de woelingen liepen uit op de bekende

oorlogsverklaring van het Britsche Hof aan onzen Staat, in welken

oorlog Amsteldam, in gevolge de voornaame plaats welke zij in de

Republiek bekleedt, een aanmerkelijk deel had; de meesten van onze

tijdgenooten hebben de akelige omstandigheden waarin Amsteldam sedert

gedompeld geweest is, beleefd; ook kan de gezegde Engelsche oorlog de

oorzaak genoemd worden, van alle de vorderingen van het Patriotismus

tot herstel van de misbruiken in ’s Lands wettige constitutie, in welke

vorderingen zij door eene tegengestelde partij bestendig gedwarsboomd

werden: ieder weet dat Amsteldam in alle gevallen in de zaak des

Vaderlands heeft uitgemunt; nergens is de wapenhandel met zo veel

luisters geoefend; maar ook nergens heeft de omkeering van zaaken zulk

een sensatie veroorzaakt; nergens zijn de Pruissische soldaaten met zo

groot een bewondering als verbazing ontvangen; doch ook nergens heeft

het hun zo veel gekost, eer zij zig konden doen gelden——wat nog

dagelijks in Amsteldam voorvalt, is ons allen bewust—wij vinden goed

desaangaande niet meer te zeggen:

Menig held, beroemd in ’t strijden,

weet te vlugten op zijn’ tijd—

Weet dan schrijver ook te zwichten,

daar gij ook in ’t strijdperk zijt—

Strijdperk waarin ook kan winnen,

die de minste krachten heeft;

Vaak ziet men bij u dat de oude,

voor den zwakke zuigling beeft;

Letterheld! gehard in ’t strijden,

ga dan vlugten op zijn’ tijd,

Toon dat gij ten nutt’ van veelen,

in het letterstrijdperk zijt.

Ik herinner mij deeze regelen, en zwijg.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 46 / 455 题