In de eerste plaats komt hier ongetwijfeld voor het vorstlijke
Stadhuis, dat met recht den naam draagt van ’t agtste wereldwonder: het
staat op den ruimen dam, meer achterwaards dan het oude Stadhuis in
1652, door de vlamme vernield, aldaar gestaan heeft: in 1648, (des vier
jaaren vóór gezegden brand,) begon men de grondslagen van het
tegenwoordige te leggen; ruim een jaar en negen maanden bragt men door
met het heien van de paalen, die ten getale van dertien duizend, zes
honderd negen en-vyftig werden ingeslagen, des niettegenstaande werd de
bouwing zo spoedig voordgezet, (vooral na het oude huis, gelijk gezegd
is, verbrand was,) dat de wethouderschap reeds op den 1 Augustus 1655
er haare zitting in nam; evenwel had het gebouw toen nog geen dak, en
er werdt nog eenigen jaaren lang aan gearbeid, eer gezegd kon worden,
dat het geheel voltooid was; alles onder opzicht van de ontwerpers, de
beroemde Jacobus van Campen, en Daniel Stalpert.
Aan dit overheerelijk Stadhuis zijn de krachten der Bouwkunde uitgeput,
waarvan de beschouwing zelve alleen kan overtuigen; het heeft, behalven
de onderste verdieping, waarin de Wisselbank, gevangenplaatsen, en
eenige kelders zijn, drie steenen verdiepingen en verwelfsels: de
breedte bedraagt een tal van ruim 282 voeten, en de grootste diepte,
naamlijk tusschen het voorste en achterste middenste uitsteeksel,
bedraagt omtrent 236 voeten, de kleinste of zijdelijke diepte omtrent
200½ voeten: zonder den toren is het gebouw weinig minder dan 117
voeten hoog: alles wat boven den grond is, is zamengesteld uit witte
Breemer en Bentheimer steen, aan alle kanten met eene toereikende
hoeveelheid van glasraamen voordien: in ’t middenste uitsteekzel van
den voorgevel zyn negen ronde boogen, zeven van welken tot ingangen
dienen, de twee overigen zijn met ijzerene traliën gesloten; met vier
steenen trappen gaat men tot deeze boogen op: in ’t middenste
uitsteeksel van den achtergevel, heeft men eenen langwerpig vierkanten
ingang naar welken men langs zes steenen trappen, voorwaards en ook van
beide zijden opgaat: boven deezen opstal staan rondsom het gebouw
negentig Romeinsche Colommen, ieder, met de cieraadjen, ruim 36 voeten
hoog: boven deeze rij staat een gelijke talrijke rij Corinthische
Colommen; alles met cierlijke festonnen tusschen beiden: op ieder’ hoek
van het dak staat eenen koperen vergulden kroon, die door vier arenden
gedragen wordt; langs de daken zyn twintig dakvensters en agttien
schoorsteenen geplaatst: de middenste uitsteekzels van de voor- en
achter-gevel, zijn ieder met een kap gedekt, waarin overheerelijke
levensgroote marmeren beelden geplaatst zijn; op de lijst van den
voorkap staan drie koperen beelden, naamlijk dat der Vrede, tusschen
die der Voorzichtigheid en Rechtvaardigheid: op de achterkap staat
tusschen de beelden der Maatigheid en Wakkerheid een Atlasbeeld, den
hemelkloot torschende; de toren die rond en met agt halve Corinthische
Colommen omringd is, staat in ’t midden boven den kap van den voorgevel
op een vierkanten voetstuk, en is ruim 66 voeten hoog: op denzelven
staat voor windwijzer het oude wapen der stad: de toren is met
festonnen en andere sieraaden der bouwkunde getooid; ook heeft hy een
kunstig uurwerk en klokkespel, op ’t welk driemaal ter week een uur
gespeeld wordt; de ton van het werk weegt 4474 ponden.
Het zoude ons bestek te veel gevergd weezen, wilde men eene
beschrijving van het inwendige des gebouws van ons vorderen, wij kunnen
er slechts iet weinigs van zeggen; de talrijke vertrekken, welken er in
zijn, zijn allen der bezichtiginge overwaardig; eenigen van dezelven
zijn vercierd met overheerelijke schilderstukken, en beschilderingen
van de voornaamste oude meesters; de vroedschapskamer munt daarin boven
alle anderen uit: op de wapenkamer zijn ook veele bijzonderheden te
zien, voornaamlijk van oude wapenen, harnassen, enz.
Vooral zijn bewonderenswaardig de beelden, waarmede de openbaare
vierschaar, die in de onderste verdieping gevonden wordt, pronkt: men
ziet er in door drie boogen, die half met gehouwene steenen
toegemetseld, en half met getakte koperen tralien afgesloten zijn: de
ingang ter zijde is door twee zwaare metaalen deuren gesloten; slangen,
zwaarden, bliksems, als mede het oude en nieuwe wapen der stad,
vercieren dezelve: het binnenwerk, zijnde een rechterstoel, bank,
trappen, colommen, beeldwerk, enz. is genoegzaam alles van wit marmer
gehouwen: onder het beeldwerk vertoonen zig Salomon’s gerecht,
Seleucus, die zig ’t oog laat uitsteeken, en Brutus, die zijne zoons
doet onthalzen, alles overkunstig gehouwen.
Op de tweede verdieping munt uit de burgerzaal, over welken men tot
alle de op die verdieping zig bevindende kamers, gaat; deeze zaal, die
met twee zwaare koperen deuren gesloten wordt, is 120 voeten lang, en
omtrent 57 voeten breed: te recht is van deeze zaal gezegd: „Alles
blinkt hier van marmer, en andere kostbaare steen, zo kundig bewerkt,
dat de mans- en vrouwe-beelden niet slechts, maar ook het fruit- en
loofwerk, de bloemen, de korenschoven, de vogeltjens, het zeegedierte
en duizenderleie aartigheden meer, den aanschouwer op ’t levendigste
toelagchen:” midden op den marmersteenen grond, waren twee platte halve
aardklooten van gekleurden steen en geel koper kunstig ingelegd, doch
dezelve zijn door het beloopen reeds geheel verdweenen; een halven
hemelkloot, mede kunstig van geel koper in denzelfden grond ingelegd,
is nog heden te zien: het gewelfsel is fraai beschilderd; met één
woord, deeze zaal doet op het eerste gezicht verstommen, en bij nadere
beschouwing houdt zij de bewondering der kenneren onafgebroken bezig.
Na het stadhuis verdient de Beurs genoemd te worden: zij is gebouwd op
vijf overwelfde boogen, die in den Amstel, aldaar Rokin geheten, gelegd
zijn: de middenste boog diende weleer ter doorvaart, doch in 1622 werd
er een vaartuig met buskruid onder gevonden, aldaar gelegd zijnde, zoo
men zegt, met oogmerk om het gebouw, als de kooplieden vergaderd waren,
in de lucht te laaten springen, en daardoor de stad eene onherstelbaare
schade toetebrengen; want men moet zig miet verwonderen als men hoort
dat de kooplieden op één’ beurstijd somtijds millioenen maalen
millioenen schats aan papieren bij zig hebben: na dien tijd is de
gezegde doorvaart gesloten: de Beurs bestaat uit een vierkant plein,
omringd van breede gaanderijen, wier verwelfsels op 46 pilaaren van
blaauwen arduinsteen rusten; aan de zuidzijde pronkt het gebouw met een
cierlijk torentjen, voorzien van een uurwerk: ’t gebouw is binnenswerks
250 voeten lang, en omtrent 140 voeten breed; is in den jaare 1608
aangelegd, in 1613 volbouwd, en in 1668 merkelijk vergroot: boven de
gezegde gaanderijen is een zogenaamde Prentekamer; welke naam zij
draagt om dat er veele winkelkassen op gemaakt zijn, die meest door
prentekoopers in huur gehouden worden, en welken er ook dagelijks hunne
voorraad uitstallen; enkel de kassen worden ook door galanteriekramers
in huur gehouden: op dezelfde verdieping vindt men mede het stads
schermschool.
Op het Water staat een afzonderlijke beurs voor de korenkopers, die
weleer slechts van hout was, doch in den jaare 1767 is deeze
weggebroken, en een fraaje steenen beurs in de plaats gezet; zij is
gebouwd in den smaak der groote, of koopmans beurs voornoemd: niet
verre van deeze beurs, op de kolk, staat het Korenmeeters huis, zijnde
een sierlijk vierkant steenen gebouw—achter de Korenbeurs, aan de
andere zijde van het Water, vindt men het Stads Exijnshuis, dat mede
een groot gebouw is, en met hardsteenen gevels pronkt: ’t is in 1637 en
1638 merkelijk vernieuwd en vergroot—bij het zelve staat het
Bierdragers huis van de oude zijde; dat van de nieuwe zijde staat op
het Spui.
Amsteldam heeft drie waagen: de oudste, zijnde een gebouw van ’t jaar
1560, staat op den Dam, tegen over het stadhuis; boven deeze is de
militaire hoofdwacht; de toegangen tot welke, zo wel als het bordes
daarvoor, is in den jaare 1778 fraai van blaauw arduinsteen
vernieuwd—De tweede waag staat op de Nieuwmarkt, en is de oude St.
Anthonies poort, die in 1617 tot een waag bekwaam gemaakt werd: boven
dezelve is de openbaare leerschool in de Anatomie, de Snijkamer
genaamd; ook worden er veele vreemde dieren, gewassen, steenen,
geraamten, enz. bewaard—de Heelmeesters hebben boven deeze waag ook
hunne Gildekamer—De derde waag staat op de Botermarkt, en is de
gewezene Regulierspoort, in 1668 tot een waag toebereid.
Voor weinige jaaren is er ook nog een Waterwaag aangelegd, naamlijk op
den Buitenkant bij de Kraansluis.
Het Prinsenhof, of eigenlijker gezegd het Admiraliteits hof [3], was
voorheen het St. Cecilien klooster, gesticht, naar het gevoelen van
sommigen, tusschen den jaare 1342 en 1352; ’t gebouw pronkt nog met het
torentjen van de kloosterkerk: in 1661 is het klooster bijna geheel weg
gebroken, en op deszelfs grond het tegenwoordige prachtige hof gebouwd.
Het Admiraliteits of ’s Lands zeemagazijn, staat aan den IJ-kant, op
den hoek van Kattenburg; ’t is een ruim gesticht van den jaare 1655,
zijnde 220 voeten breed, en 200 voeten lang: in 1790 brandde het van
binnen geheel uit, doch ’t werd weldra weder in die orde gebragt,
waarin wij het heden beschouwen: voor dit magazijn ligt het scheeps
hok, binnen het welk de oorlogschepen die onttakeld zijn, opgelegd
worden: er leggen altoos fraaje pronkschepen in: nog werkelijk is men
bezig met de onderneeming om aldaar een dok te maaken, doch veelen
deskundigen twijfelen aan den goeden uitslag daarvan—bij ’t magazijn is
ook ’s Lands timmerwerf, zijnde dezelve omtrent 1500 voeten lang—Op een
vrij grooten afstand van het magazijn, is ’s Lands Lijnbaan, benevens
die der Oostindische Compagnie; het Huis dier Compagnie, op der hoek
van de Hoogstraat, was tot den jaare 1605 het stads magazijn: het zelve
is van tijd tot tijd vergroot—Het Zeemagazijn derzelfde Compagnie is
een geweldig groot gebouw, in 1660 aan den IJ-kant aangelegd; achter
het zelve ligt ’s Compagnies werf; haare Lijnbaan is op Oostenburg.
De gebouwen der Westindische Compagnie, zijn het Huis, op de
Garnaalsmarkt; haar pakhuis staat op Raapenburg, aan den IJ-kant:
weleer hield deeze Compagnie haare vergadering in het gebouw op den
Haarlemmerdijk, thans tot een Heeren Logement dienende: de gewapende
Schutterij betrekt boven hetzelve des avonds eene wacht.
Onder de groote stads gebouwen munt niet weinig uit de Lombard, of Bank
van leening, staande op den Fluweelen burgwal: in 1548 dat het huis
aldaar gebouwd tot een magazijn voor de huiszittenarmen; doch in 1614
werd het tot een lombard bekwaam gemaakt, en in 1669 nog merkelijk
vergroot: van de panden onder de ƒ 100 wordt slechts een’ penning van
iederen gulden per week bepaald; van de panden boven de ƒ 100 tot ƒ 475
wordt 7¼ ten honderd, en van panden van ƒ 500 en daar boven, wordt 6
ten honderd ’s jaars betaald: door geheel de stad heen, woonen
inbrengers of inbrengsters, die voor een bepaald loon, de panden,
beneden de ƒ 100 aanneemen, en in de groote Lombard brengen.
Vijf vleeschhallen waren er voorheen in Amsteldam, twee in de Nes; doch
de kleinste dier twee is voor eenige jaaren weggebroken, en de groote
tevens een goed gedeelte verlengd: de eene was weleer een kerkjen, St.
Pieter toegewijd, gelijk de St. Pieters poort er nog tegen over is; de
andere ’t Margareten klooster; de overige hallen staan op de
Westermarkt, (boven dezelve is de hoofdwacht der wakende Schutterij,)
op de Heeremarkt, en op de Botermarkt: de Jooden hebben nog eene
afzonderlijke hal voor zig.
Amsteldam heeft ook eene Laken- Zijde- en Saai hal, alwaar de lakens,
baajen en karsaajen, gelood en gestaald moeten worden: zij staat in de
Staalstraat, en was weleer de stads steenhouwerij.
In de Kalverstraat, over den Heiligen weg, staat een Schrijnwerkers, of
Kistemaakers pand; ’t was weleer een kerkjen tot het oud Leprozenhuis
behoorende: de stad verhuurt het aan eenige baazen van het Kastemaakers
gild, die er allerlei schrijnwerk in te koop stellen.
De Vischmarkten zijn drie in getal, één aan de oude, en één aan de
nieuwe zijde, (beiden voor zeevisch dienende,) en een rivier
vischmarkt, in de Nes, ter plaatse alwaar weleer de kleine vleeschhal
stond; zie boven.
De Colveniers doelen, alwaar men in vroegeren tijd met vuurroers naar
het wit plag te schieten, is thans een aanzienlijk logement, en voor
eenige jaaren van vooren fraai vertimmerd: ’t was weleer eene sterkte
aan den Amstel tegen de Utrechtenaars; blijkens ’t geen men in een’
steen voor dezelve leest: naamlijk de woorden, Zwicht Utrecht.
Nog zijn er twee andere Doelens, of Schutters hoven: de Hand- en
Voet-boogs, op de Garnalemarkt, thans geschikt tot het Westindisch
huis, voornoemd, en een aanzienlijk logement—tusschen de laatstgemelde
beide doelens is één der vijf stads wapenhuizen; ten einde van de
Brouwersgraft is een ander, dat geweldig groot is, en tevens tot een
korenmagazijn dient; voords zijn aan drie afgelegene hoeken van de stad
drie anderen.
Vijf voornaame stadsherbergen zijn er in Amsteldam: De Nieuwe- en
Oude-zijds heerelogementen, de Oude en Nieuwe herbergen aan het Y, en
een in de plantaadje, die zeer vermaaklijk gelegen is, gelijk de
plantaadje zelve een aangenaam oord is: voorheen waren in dezelve eene
menigte kleine herbergjens voor den burger, doch deezen heeft men
naderhand allen verboden; misschien oordeelde men dat de burger geene
uitspanning noodig heeft—thans is ’t in de plantaadje intusschen veel
ordentelijker, want het krielt er van bordeelen.
De stad heeft ook een eigen Timmertuin, Steentuin, Steenhouwerij,
Scheepstimmerwerf, Geschut- en Klokgieterij, en Proefwerf.
De Nederduitsche Schouwburg stond weleer op de Keizersgraft, (zie
hiervoor, bladz. 9.) doch zij werd in den jaare 1772 ten eenenmaale
door de vlamme verteerd; een andere is kort na den brand op het
Lijdsche plein aangelegd—op de Erwte markt is een fraaje Fransche
Schouwburg, voor rekening van particulieren gebouwd; doch sedert
eenigen tijd, mag dezelve niet gebruikt worden—in de Amstelstraat,
bouwde men in den jaare 1790, een zeer goeden Hoogduitschen Schouwburg,
doch dezelve heeft almede moeten sluiten: eerst door verloop van het
fonds, thans ter oorzaake van de tijdsomstandigheden.
Weleer waren in Amsteldam drie Doolhoven; doch twee derzelven zijn te
niet geraakt; het Oude is nog aanwezig op de Prinsengraft bij de
Loojersgraft: ’t heeft een zeer schoon waterwerk; ook vertoont men er
eenige aloude geschiedenissen door beweegende beeldjens: er is een
houten reuzenbeeld van ongemeenen grootte, en bewonderenswaardig fraai
gewerkt.
Behalven de kerktorens, en die welken op de poorten, het stadhuis, enz.
gevonden worden, pronkt de stad nog met den Jan roodepoorts toren, op
het Cingel: hij draagt den genoemden naam om dat aldaar weleer het Jan
rooden poortjen stond: op denzelven is de gevangenplaats der stads
militie—de Regulierstoren, aan het einde van de Kalverstraat en Cingel;
hij is alzo genoemd om dat de Regulierspoort aldaar weleer stond: in
1672 werd onder denzelven, om reden van de omstandigheden van dien
tijd, een munt aangelegd; waarom men ook den toren nog de Muntstoren,
en de daaraan gebouwde voornaame herberg, de Munt noemt: in deezen
toren is een schoon klokkespel——De Haringpakkers toren, van ouds de
Heilige kruistoren genaamd, staat aan den Y-kant, en wordt
Haringpakkers toren genoemd, om de Haringpakkerij, die er nabij is; ook
houden de keurmeesters van den haring in deezen toren hunne
vergadering——de Schreiers toren, staat mede aan den Y-kant, en draagt
zijnen naam, naar eene vrouw, die het schreiend t’scheep gaan van
haaren man zo zeer ter harte nam, dat zij er krankzinnig van werd, welk
voorval ook nog in een’ steen uitgehouwen, en in den torenmuur
geplaatst, vertoond wordt—de Montalbaans toren staat op de Oude schans;
de oorsprong van deezen naam is onzeker—de burgerij heeft hier ook eene
wachtplaats.
Drie Jagthavens die in Amsteldam gevonden worden, kunnen wij mede onder
dit artijkel betrekken: de eene is bij de Oude stads herberg, de tweede
aan den Amstel, voor de hooge sluis, of breede en aanzienlijke steenen
brug, en de derde bij ’t burgerwachthuis, Keerweer genaamd, ten einde
van Kattenburg; uit de twee eerstgemelden zeilt jaarlijks nog een vloot
van kleine vaartuigen, alhoewel zulks thans mede niet met den ouden
luister geschiedt.
Van de stads Kraanen zouden wij, vereischte ons bestek die
naauwkeurigheid, nog iet kunnen zeggen, thans gaan wij dat point met
stilzwijgen voorbij; van de schutsluizen hebben wij reeds met een enkel
woord gewaagd, en zouden meenen derhalven ons artijkel Wereldlijke
Gebouwen hier mede te kunnen sluiten, ware het dat wij daaronder niet
betrokken, de stads tuchthuizen en schoolen, waarvan wij nog een enkel
woord moeten spreeken.
Het eerste gebouw dat ons hierin voorkomt, is het Rasphuis, gemeenlijk
het Boevenrasphuis, ook het Tuchthuis geroemd: hetzelve wordt gevonden
op den Heiligen weg, en was weleer het Clarissen Klooster: in 1595,
werd het tot een tuchthuis voor de mans bekwaam gemaakt: ’t is een
gebouw allezins der bezichtiginge waardig, vooral wegens de orde welke
er in heerscht, die te aanmerkelijker wordt, wanneer men nagaat dat de
bewooners, eene talrijke hoop dier wezens zijn, welken op eene der
uiterste grenzen van de vatbaarheden van den mensch staan, tot de
ergste grouwelen in staat zijn, en echter binnen de muuren van dit
huis, in behoorelijken tucht gehouden, ja zelfs tot Godsdienstoefening
genoodzaakt worden.
’T gewezene Ursulen klooster heeft jaaren lang gediend voor een vrouwen
Tucht- of Spin-huis; doch bij den aanbouw van een groot stads Werkhuis
op ’t Weesperveld, is hetzelve ten onbruike geraakt, in zo verre het
tuchtigen van vrouwlieden betreft; thans dient het tot inquartiering
van militie; de schuldige vrouwen worden nu in het algemeene Werkhuis
voornoemd geplaatst.
Het Willige rasphuis voor vrouwlieden, dat weleer aan den Y-kant stond,
en ter weeringe van bedelaarij diende, niet alleen, maar ook ter
gevangenplaatse van vrouwen, wier gedrag opsluiting verdiende, en wier
naastbestaanden de kosten van een bijzonder Beterhuis niet konden
draagen, almede door den aanleg van het voornoemde algemeene Werkhuis,
ten onbruike geraakt zijnde, werd de grond daarvan bebouwd, met het
allen lof verdienende Kweekschool voor de Zeevaart; eene instelling die
Amsteldam eere aandoet, en ons ’t ons voorgeschreven bekrompen bestek
doet betreuren; want gaarne weidden wij ten breedsten over het
aanleggen van die lofwaardige schoole uit.
Het Verbeterhuis, staat op de schans niet verre van het
Weteringspoortjen; ’t was weleer een huis dat diende ter genezinge van
die met schurft of kwaadzeer besmet waren; het huis dient voor
particuliere opsluitingen, echter moet zulks geschieden op verlof van
de Regeering, die ook den Vader van hetzelve aanstelt.
Men heeft in Amsteldam voords een zeer aanzienlijke Doorluchtige
schoole, (Athenæum illustre,) ’t gebouw was weleer een kerkjen van ’t
Agnieten klooster, naderhand een pakhuis voor de Admiraliteit, waartoe
de onderste verdieping nog gebruikt wordt; boven de leesplaats, is eene
aanzienlijke stads boekerij, die eenmaal per week voor ieder openstaat;
alle de boeken zijn met koperen kettingjens aan de kassen vastgemaakt.
Voorheen waren in deeze stad twee Latijnsche schoolen, thans is er maar
één, staande op de Cingel tusschen de Munt en den Heiligen weg: ’t is
een gebouw dat allezins aan het oogmerk beantwoordt: naast hetzelve
staat de wooning van den Rector.
De Huiszitten- of Stads-schoolen verdienen hier ook aangemerkt te
worden: zij zijn aangelegd voor de kinderen dier behoeftigen welke
geene ledemaaten der Gereformeerden zijn, en derhalven niet door de
Diaconie onderhouden worden, deeze heeft haare eigene schoolen.
Boven de Vleeschhal in de Nes, is de vergaderplaats van de Opzieners
over het Genootschap der Geneesmeesteren—de aanzienlijke stads
Kruidtuin is in de Plantaadjen aangelegd.
Na het aanstippen van alle deeze kweekschoolen der geleerdheid, waarbij
wij veele andere particulieren zouden kunnen noemen, boven al het
beroemde Vergaderingshuis der Maatschappy Felix Meritis, waarvan nader
ons art. Bijzonderheden, zoude het niet onvoegelijk zijn hier
vervolgends iet te zeggen van de geleerde mannen die de wereldberoemde
stad Amsteldam uit haaren schoot heeft zien geboren worden; dan, het
getal derzelven zoude eenige bladzijden vorderen die wij echter van ons
bestek niet kunnen missen; ten allen tijde hebben de kunsten en
weetenschappen in deeze stad gebloeid, en het welk te
bewonderenswaardiger is, daar Amsteldam eigenlijk den troon des
koophandels genoemd mag worden; ja nog heden, nu zij de gevaarlijkste
verdeeldheid in haare ingewanden voelt wroeten; nu het gezicht van
duizende krijgsknechten haar dagelijks verschrikt; nu zij telkens voor
de gevaarlijkste uitbarstingen beeft, nu nog werkelijk tellen de
Amsteldammers onder zig zulk een groot aantal geleerden, als zij
mogelijk nimmer onder zig hebben kunnen tellen: vooral vindt men die
loflijke voorwerpen in den achtingwaardigen burgerstand.