KERKLIJKE EN WERELDLIJKE GEBOUWEN.

Deezen zijn in de daad zeer menigvuldig, en allen bezienswaardig: de

eerste die ons hier voorkomt is de Oude Kerk der Gereformeerde

Gemeente, zijnde een zeer oud en deftig gebouw; ’t is onzeker door wie

en wanneer dezelve gesticht zoude weezen; waarschijnelijk is zij de

eerste Kerspelkerk van Amsteldam geweest; zeker is het dat zij reeds in

1372 aanwezig was: zij is van ouds voor een proefstuk van bouwkunde

gehouden; ’t is een deftig kruisgebouw, beslaande in de lengte met den

aanzienlijken toren 300, en zonder den toren binnenswerks 249 voeten;

zij rust op 42 groote pijlaaren: behalven eenige fraai geschilderde

glazen, pronkt zij van binnen met de Grafsteden van den Veldmaarschalk

Paul Wirtz: binnen het ruime choor, staat een marmeren gedenktafreel,

ter eere van den Schout bij nacht Willem van der Zaan; een dergelijk

gedenkteken is er opgericht voor den Admiraal Jacob van Heemskerk; een

ander voor den beroemden Zeeheld Cornelis Janszoon, bijgenaamd het

Haantjen; en deezen worden nog overtroffen door de uitmuntende

grafsteden van de Vice-Admiraalen Abraham van der Hulst en Isaak

Zweerts: een Capelletjen hier nabij staande, nog een overschot van den

Roomschen tijd, is door Cornelis de Graaf, Burgemeester van Amsteldam,

tot eene cierlijke grafstede verbouwd, zijnde de ingang door een fraaje

koperen deur gesloten: verder zijn in deeze kerk twee orgels, waarvan

echter slechts één, naamlijk het groote, gebruikt wordt: de predikstoel

is bezienswaardig, gelijk mede de overige gestoelten, enz.: het ruim

wordt onder den avondgodsdienst, door vijf groote en twaalf kleinere

kaarskroonen verlicht.

Van buiten heeft het gebouw niets aanmerkelijks dan de toren, waarop

een doorluchtig houten spits staat, zijnde hetzelve kunstig in- en

uit-gebogen: hij is in 1565, na agt jaaren arbeids, voltooid geworden:

zijne geheele hoogte bedraagt een tal van 240 voeten: er hangt een

kunstig uurwerk en klokkespel in: voor weinige jaaren toonde men aan

deezen toren, wat de kunst vermag; hij werd naamlijk voor een goed

gedeelte onderschraagd, om het onderste te vernieuwen.

De Nieuwe Kerk, mede dezelfde gemeente toebehoorende, was weleer aan de

H. Maria en Catharina toegewijd; men stelt haare stichting omtrent den

jaare 1408 of 1414, door zekeren Willem Eggaert, Heer van Purmerende,

of door anderen met hem: op den 23 April des jaars 1421, des korten

tijd na haare stichting, brandde zij, met een groot gedeelte der stad,

geheel af: in 1645, geraakte zij andermaal in brand, en zo geweldig,

dat slechts den buitenromp bleef staan: is 1648 was zij reeds weder

genoegzaam bekwaam om er den kerkdienst in waarteneemen: uit het midden

van haar dak rijst een klein torentjen; reden waarom men bij haare

laatste opbouwing bedacht was om er een aanzienlijken toren naast aan

te plaatsen; doch daarmede tot zekere hoogte gekomen zijnde, liet men

het werk steeken; sommigen willen om eene ontdekte zakking, anderen om

dat men nu eerst begreep dat die toren den spreekenden luister van het

belenden staande stadhuis zoude verminderen; tot nog voor weinige

jaaren is het onderstuk van dien toren blijven staan, en was bekend

onder den naam van Onvolmaakte toren; het stond op boogen, waaronder

men kon doorgaan, ook naar een der ingangen van de kerk; doch sedert is

het gezegde stuk weggenomen.

Deeze Gereformeerde Nieuwe Kerk is een overheerelijk kruisgebouw, lang

315, en breed 210 voeten, rustende op 52 hardsteenen zuilen: sommige

haarer glazen zijn fraai beschilderd; en zij wordt des avonds verlicht

door 5 groote en 12 kleine koperen kaarskroonen: er is een groot en

kunstig orgel in, rustende op bonte marmeren Corinthische colommen; de

deuren die er voor zijn, zijn prachtig beschilderd: behalven het groote

is er ook nog een klein orgel, dat zeer helder van geluid is: de

predikstoel is een ongemeen meesterstuk der beeldhouwkunde; zo is ook

het koperen afschutsel van het ruime choor, en dat op eenen marmeren

voetstuk rust, overheerelijk fraai, en der beschouwinge waardig: ten

einde van het choor ziet men de ongemeen prachtige graftombe van den

beroemden Zeeheld De Ruiter: aan één der zijden van het ruim der kerk,

achter den predikstoel, is de overheerelijke grafstede van Jan van

Galen: de Zee-capitein David Zweers, heeft in deeze kerk mede eene

grafplaats: Joost van den Vondel, de Prins der Nederlandsche Dichteren

ligt ook alhier begraven, uitwijzens eene urna, voor eenige jaaren, ter

eere zijner nagedachtenisse, in een nis, in één der pijlaaren daartoe

uitgehouwen, geplaatst.

De Zuider Kerk behoort onder de Amsteldamsche kerken van laateren

datum; zij werd in 1611 volbouwd, schoon aan den toren nog wel drie

jaaren langer gearbeid is: het middendak, dat hoog boven de zijdaken

uitsteekt, wordt gedragen door tien zwaare pijlaaren van blaauwen

steen: dat er geen choor bij is, verstrekt onder anderen ten bewijze

dat zij den Roomschen tijd niet geheugt: de toren, die zeer cierlijk

is, is 237 voeten hoog; in denzelven is een fraai uurwerk en

klokkenslag; voords wordt het ruim onder den avonddienst door

verscheidene kaarskroonen verlicht, het geen mede in alle de andere

kerken plaats heeft, waarom zulks hier ééns vooral gezegd blijft: de

Zuider kerk heeft voords van binnen niets aanmerkelijks, even weinig

als de Wester kerk, zijnde anders ééne der fraaiste kerken van

Amsteldam: in den jaare 1620 werd de bouw van deeze begonnen, (er stond

vóór dien tijd slechts een loos, waarin de Godsdienst verricht werd;)

in 1631 was zij voltooid; de toren echter eerst in 1638; deeze is

ongemeen fraai, en overtreft in hoogte alle de torens der stad; van den

grond tot aan het kruis toe bereikt bij bijna 300 voeten; van boven

pronkt hij met den keizerlijken kroon van ’t Amsteldamsche wapen: er is

ook een fraai, uur- en speel-werk in; de groote slagklok die de heele

uuren slaat, weegt meer dan 15.000 pond.

De Kerk is binnenswerks 168 voeten lang en 97 voeten breed; in 1687

werd er een fraai orgel in gemaakt: voords is het geheele gebouw een

kunststuk van Architectuur, ofschoon er van binnen niets aanmerkelijks

in te zien zij.

De Noorder Kerk is een gebouw van den jaare 1620; zij is een fraaje

kruiskerk; van binnen heeft zij vier gevels, die ieder van onderen 92

voeten breed zijn: zij pronkt met een aartig torentjen, ter hoogte van

54 voeten, zijnde ook voorzien van een slag-uurwerk: van binnen wordt

haaren omtrek gesteld op 70 passen: het kruisgewelf rust op vier

geweldig zwaare colommen; zij heeft verder niets bijzonders; ook is er

geen orgel in.

De Oude zijds Capel, eertijds St. Olofs capel genaamd, wordt van

sommigen voor de oudste kerk der stad gehouden; ja eenigen brengen haar

reeds tot het midden der elfde eeuw: in 1646 is zij merkelijk vergroot:

van binnen heeft zij almede niets bijzonders, van buiten pronkt zij met

een net torentjen, waarin een uurwerk is: boven een der ingangen ziet

men een menschen geraamte, doodshoofden en beenderen, uit welken eenige

korenairen wassen: daar onder leest men in de Latijnsche taale, de

woorden: hoop des anderen levens.

De Nieuwe zijds Capel die mede van zeer oude datum is, droeg weleer de

naam van Heilige stede, [2] naar zeker mirakel aldaar omtrent het

midden van de veertiende eeuw gebeurd, blijvende er alstoen (zegt men,)

een gewijden ouwel midden in de vlamme ongeschend; thans is deeze capel

geen onaartig kerkjen, zijnde vercierd met een fraai orgel, dat in 1636

vernieuwd werd; er staat een klein spits torentjen op, waarin een

slaand uurwerk: op bepaalde kerktijden wordt hier ook in de

Hoogduitsche taale gepredikt.

De Gasthuis Kerk, is een gedeelte van het oude Nonneklooster, Ter

Leliën, ’t welk onder eene menigte andere kloosters hier ter stede

weleer stond: het ruim bestaat uit een langen smallen elboog, ter

wederzijde van gallerijen voorzien.

De Ooster Kerk, en Eilands Kerk, waren omtrent den jaare 1660 slechts

houtene loozen; de eerstgemelde stond toen bij het gewezene willige

rasphuis, en werd reeds in 1671 ingewijd; doch de andere is eene loos

gebleven tot in 1736: ’t zijn beide kleine maar zeer geschikte

gebouwen; op ieder staat een aartig torentjen met een slag-uurwerk;

doch zij hebben verders niets aanmerkelijks: er zijn ook geene orgels

in.

Eindelijk is er nog de Amstel Kerk, dat een hecht vierkant hout gebouw

is, omtrent den jaare 1670 voltooid: het is honderd voeten lang, en

even zo breed: het dak rust van binnen op 16 houtene stijlen: de grond

is met geele klinkers belegd, zo dat er niet in begraven wordt, gelijk

in de andere kerken geschiedt.

De Fransche of Waalsche gemeenten hebben ter deezer stede twee kerken,

den naam dragende van Oude, en Nieuwe Waale Kerk: de eerste was

voorheen de kerk van ’t Pauline klooster, en werd in 1409 gesticht; in

1661 werd zij merkelijk vergroot en verbeterd: zij heeft niets

ongemeens, maar er is een goed orgel in—De Nieuwe Waale Kerk, is

slechts van hout opgeslagen; zij was weleer een stads schermschool;

doch werd in 1686, bij gelegenheid van de overkomst veeler Fransche

vlugtelingen, tot eene kerk verbouwd—Donderdags avonds houden de Waalen

in de Wester Kerk gebed.

De Engelsche Presbijteriaanen, hebben hunne kerk op het Begynenhof in

de Kalverstraat—weleer hadden de zogenaamde Brouwnisten nog eene kerk

in de Barndesteeg, die naderhand ook tot de Episcopaalen gebruikt werd,

doch sedert eenigen tijd is deeze gemeente bijna geheel verdweenen.

De Roomschen hebben zo binnen de stad als even buiten de poorten, een

groot getal kerkhuizen; behalven dat eenige voornaame leken nog

Capellen in hunne eigene huizen hebben: sedert weinige jaaren heeft

deeze gemeente verlof verkregen om buiten de Raampoort, een eigenlijke

kerk te bouwen, dat een zeer net, en allezins aan het oogmerk voldoend

gebouw is—In de Roomsche tijden had dezelfde gemeente hier ter stede,

behalven de kerken die thans door die Gereformeerden gebruikt worden,

nog verscheidene anderen, allen welken tot andere einden geschikt zijn

geworden; op den hoek van de Vrouwensteeg stond er een die in huizen

veranderd is: wat verder op den Nieuwendijk was de St. Jacobs Capel,

die mede in huizen veranderd is, behalven het torentjen, dat tot voor

nog maar weinige jaaren boven de daken uitstak en door Kerkmeesteren

van de Nieuwe Kerk moest onderhouden worden, om dat de goederen van de

gemelde Capelle aan die kerk gemaakt zijn: sedert is het gezegde

torentjen afgebroken.

De Lutherschen hebben tot op onzen tijd hier ter stede slechts twee

kerken gehad, de Oude, en de Nieuwe; beiden zijn zeer ruime gebouwen,

kunnende, vooral wegens de gaanderijen die er boven elkander in gemaakt

zijn, veel volks bevatten.—De Nieuwe is een zwaar cirkelrond gebouw,

waarvan de kap gedekt is met koperene plaaten, door Karel den Elfden,

Koning van Zweeden, aan deeze kerk geschonken: in iedere deezer kerken

is een fraai orgel, en beiden, vooral de Nieuwe, zijn bezienswaardig—Na

dat deeze Gemeente onlangs door een duisteren twist eene scheuring

ondergaan heeft, en verdeeld is geworden in die van het Oude-, en die

van het Nieuwe-licht, of wel is het eerstgemelde gedeelde bekend, bij

den naam van De Herstelde Gemeente, is er nog eene Luthersche Kerk

(naamlijk voor de uitgewekenen, of de Herstelden,) alhier gebouwd, ter

plaatse alwaar het Dolhuis gestaan heeft: ’t is een ruim gebouw, doch

zonder eenigen cieraad.

De Remonstranten hebben hier ter stede een aartig kerkjen, op de

Keizersgracht bij de Prinsenstraat: er is een goed orgel in.

De volgende zijn de Doopsgezinde Kerken: van de Vereenigde Vlaamsche-

en Waterlandsche, het Lam, dus genoemd naar eene brouwerij van dien

naam welke er weleer stond: De kerk bij de toren, om dat zij bij de Jan

Roodepoorts toren staat; langen tijd heeft deeze den naam van de

Spijker gedragen, om dat zij gebouwd is op eene plaats alwaar weleer

een spijker-pakhuis stond: De Zon, behoorende aan de afgezonderde

Vlaamsche Doopsgezinden: alle deeze kerkjens zijn wel klein, maar

echter aan het oogmerk zeer voldoende: weleer hadden de oude Vlaamingen

nog een kerk, De Kruikjens, dus genoemd naar een herberg van dien naam

daar naast staande; en de Vriesche Doopsgezinden eene andere, De Arke

Noachs genaamd; doch beiden zijn niet meer in wezen.

De Collegianten vergaderen boven ’t weeshuis dier Gemeente, op de

Keizersgracht over den gewezenen schouwburg.

Nabij de Remonstranten Kerk, hebben de Kwaakers eene vergaderplaats,

kenbaar aan een’ driehoek, die boven den ingang staat.

In de Houttuinen vergaderen de Hernhutters: ook hebben de Persiaanen

hier ter stede een net kerkjen; er is ook nog een kleine en nette

Grieksche Kerk; op de Oudezijds Voorburgwal; schuin over de Oude Kerk.

De Portugeesche en Hoogduitsche Jooden, hebben er voords ieder eene

aanzienlijke sijnagoge, die, vooral de eerstgemelde, der bezichtiginge

van den vreemdeling overwaardig zijn.

Ofschoon nu in de meeste Gereformeerde Kerken, zo wel als in de Oude-

en Nieuwe van de Lutherschen, (naamlijk aan het Nieuwe licht

behoorende,) begraaven worde, (die van het Oude licht hebben zig een

kerkhof op Muiderberg verkozen; zie onze beschrijving van dat dorpjen;)

zijn er echter hier ter stede nog vijf groote kerkhoven, aan afgelegene

oorden der stad: de Jooden hebben er drie buiten de stad; één te

Ouderkerk, één te Muiderberg, en één nabij Zeeburg.

Zijn de kerken te Amsteldam, gelijk gebleken is veelen, de verdere

Godsdienstige Gestichten zijn er nog veel talrijker: wij zullen de

voornaamsten met een enkel woord aanstippen.

Het St. Pieters Gasthuis, dat zijnen naam ontleent van één der

Gasthuizen welken weleer hier ter stede waren, komt eerst in

aanmerking: het was in oude tijde de Kloosters der Oude en Nieuwe

Nonnen: alles wat hierin gevonden wordt is ongemeen aan het oogmerk

voldoende; het heeft zijne eigene bakkerij en brouwerij, ook is er de

stads Apotheek in geplaatst: even binnen de groote poort is een Beiërt,

alwaar de bedelaars en arme vreemdelingen drie nachten om niet kunnen

logeeren, ontvangende des avonds en morgens ook spijs en drank.

Het tegenwoordige Verbandhuis, ook in het Gasthuis zijnde, was weleer

het Pesthuis, dat omtrent den jaare 1616 van daar naar buiten de

Leidsche poort verplaatst, en te klein geworden zijnde, in 1630 weder

verplaatst werd, daar het thans nog gezien wordt, mede buiten de

Leidsche poort, een goed stuk wegs landwaards in gelegen: in 1732 is

het geheel verbrand; doch ’t werd terstond weder herbouwd, juist 200

voeten lang en breed, en rondsom met een graft omgeven: ter zijde heeft

het een eigen kerkhof, waarop ook sommigen met den dood gestraften

begraven worden—Toen het Dolhuis weggenomen zoude worden, ter bouwinge

van een kerk voor de Herstelde Luthersche Gemeente, werd aan dit huis

een ruimen vleugel gebouwd, die thans voor een Dolhuis dient.

Het Oude Mannen- en Vrouwen-huis, staande naast het Gasthuis: dit werd

gebouwd uit een loterij, door de Wethouderschap in 1600 opgesteld: het

staat op een gedeelte gronds van ’t Oude Nonneklooster, is een zeer

royaal gebouw, en allezins bezienswaardig: het is niet aangelegd voor

armen maar begunstigden, die er een aangenaam leven leiden; zij moeten

bij het inkomen eenig huisraad, doch voor hun eigen gebruik,

medebrengen—in 1605 werd in hetzelve een put gegraven van 232 voeten

diep; bij welke graaving men onderscheidene beddingen gronds vond;

onder anderen ter diepte van 72 voeten, één voet molm, en niet veel

voeten dieper veele schelpen en zeehoorentjens—voor weinige jaaren is

dit gebouw, aan de eene zijde, (op de Kolveniers burgwal,) met een

fraajen steenen poort vercierd: de doorgang vandaar naar de Oude zijds

achterburgwal is overdekt, heeft aan de eene zijde uitzicht door veele

schuifraamen op de opene plaats of ’t bleekveld van ’t huis, en aan de

andere zijde winkelkasten, die aan galanteriekramers enz. verhuurd

worden.

Het Burger weeshuis, was weleer het St. Lucie klooster in 1580 daartoe

vervaardigd; vóór dien tijd was het fraai herbouwd Logement de Keizers

kroon, het Burger weeshuis: dit huis is groot, aanzienlijk, en ook zeer

rijk.

Het Diaconie weeshuis in de Zwaanenburgerstraat, is een gebouw van den

jaare 1656; dit is mede ongemeen groot; heeft niet alleen zijn eigen

Apotheek, maar ook artzenijtuin.

Het Diaconie-oude Mannen- en Vrouwen-huis, staande op den Binnenamstel,

doet ieder wegens zijne grootte verbazen; maar meer nog als men het van

binnen bezichtigt, door zijne inrichting en de orde die er over het

algemeen in heerscht: het geheele ligchaam der Amsteldamsche Diaconie

is bewonderens waardig, vooral wegens de onbedenkelijke sommen die het

jaarlijks tot onderhoud noodig heeft.

Achter dit huis ontmoet men het Korvers hofjen, in 1722 gesticht uit

eene ervenis van den Heere Jan Corver, Oud-Schepen en Raad der stad;

het staat onder bestuur van de Gereformeerde Diaconie, wordende er

geene anderen dan gehuwde oude lieden zonder kinderen in geplaatst: zo

één van beiden overlijdt moet de nablijvende in het Diaconie Oude

mannen- of vrouwen-huis, bovengemeld, overgaan—een dergelijk hofjen is

daar nabij nog onlangs gebouwd, uit eene ervenis van den Heere Van

Mekeren.

Doet de Diaconie hier ter stede zo veel aan haare Ledemaaten, de

Huiszittenarmen, dat is die geene ledemaaten zijn, worden mede niet

vergeten; de ruime uitdeelingen aan dezelven geschieden thans op twee

plaatsen, beiden mede overbezienswaardig; naamlijk in het Oude zijds

huis-zittenhuis, en in dat aan de Nieuwe zijde; het eerste staat op de

Korte houtgraft, op den grond van den Leprozen tuin, en het andere op

de Prinsegraft bij de Lelijgraft; dit laatstgemelde heeft in de stad

drie ruime turfschuuren.

De Huiszittenmeesters hebben ook nog een Huiszitten weduwen Hof, in

1650 op den grond van ’t Oud Karthuizers Klooster gebouwd: het is

almede ongemeen groot: in hetzelve worden niet dan weduwen en

hoogbejaarde dochters onderhouden: de kinderen der weduwen mogen bij

hunne moeders woonen, tot dat de meisjens agttien, en de jongens

negentien jaaren bereikt hebben.

Schoon de gezegde gebouwen, ieders aandacht trekken, door hunne grootte

en talrijkheid van huisgezinnen, zij allen worden nog overtroffen door

het Aalmoeseniers Weeshuis, staande op de Prinsegraft bij de Leidsche

straat, in den jaare 1663 aldaar aangelegd, en naderhand nog vergroot;

’t is bijna 300 voeten breed, en drie verdiepingen hoog; en er worden

bijna 2000 zielen in onderhouden: het is geschikt voor weezen, wier

ouders geene burgers of ledemaaten der Gereformeerde Gemeente geweest

zijn, als mede voor vondelingen, enz.

De Fransche of Waalsche Gemeente, heeft te Amsteldam mede een zeer

aanzienlijk weeshuis, dat ook voor het onderhouden van oude mannen en

vrouwen dient; ’t staat op den hoek van de Vijzel- en Prinse-graften,

en is een gebouw van den jaare 1669: vóór dien tijd hadden de Waalen

hun Weeshuis in de Laurierstraat: het gezin in dit huis wordt ongemeen

ruim onderhouden, en in de daad vrij beter dan menig ordentelijk

Amsteldamsch burger in staat is zijne kleine huishouding te doen.

De Engelschen hadden weleer een Weeshuis aan de zuidzijde van de

Loojers graft; doch hetzelve was van weinig betekenis: thans hebben zij

een tamelijk fraai Weeshuis op de Oudezijds achterburgwal, bij de

Stoofsteeg, gesticht in den jaare 1782.

De Roomschen hebben een jongens Weeshuis, staande aan de zuidzijde van

de Laurier-graft; het is een vrij goed gebouw; maar komt niet in

vergelijkinge met het Maagdenhuis van deeze Gemeente, op het Spui, en

dat eerst voor weinige jaaren, in de plaats van het oude, gebouwd is;

dit huis gelijkt veel eer naar een paleis dan naar een

weeshuis—Voorheen had deeze gemeente haar uitdeelings comptoir, op den

Nieuwezijds achterburgwal, bij het Spui, doch thans is hetzelve

verplaatst, op den grond van den afgebranden Schouwburg op de

Keizersgraft bij de Huidestraat; alwaar ’t mede eene zeer aanzienlijke

vertooning maakt—Op het voor weinige jaaren bebouwde Weesperveld,

hebben de Roomschen ook een ruim huis voor arme oude lieden aangelegd:

de pracht waarmede het gebouwd is, doet duidelijk zien dat deeze

gemeente eene ruime beurs moet bezitten.

Aan de noordzijde van de Lauriergraft, ontmoet men het Weeshuis der

Luthersche Gemeente, zijnde hetzelve na het midden der voorgaande eeuw

gebouwd; het is een zeer goed gebouw, en is voor weinige jaaren nog

aanmerkelijk verbeterd—dezelfde Gemeente heeft niet verre van dat

weeshuis, naamlijk in de Konijnenstraat, een Hofjen voor oude Vrouwen,

alwaar de inwooners mede zeer goed onderhouden worden—maar van ongemeen

veel meer aanziens en ruimte is het Nieuwe bestedelingshuis, door deeze

Gemeente gebouwd op het reeds meergemelde Weesperveld; het is een groot

en aanzienlijk gebouw, waarin de oude lieden ook ongemeen wèl

onderhouden worden.

Het weeshuis der Vereenigde Vlaamsche en Waterlandsche Doopsgezinden,

gemeenlijk het Mennonieten Weeshuis genoemd, staat op de Prinsegraft,

tusschen de Vijzelstraat en Reguliersgraft, en is gesticht in den jaare

1676; zijnde in alle deelen een aangenaam en luchtig gebouw, waarin de

kinderen ook met allen mogelijken zorg, gevoed, gekleed, en geleerd

worden.—Vooraan in de Elandsstraat had dezelfde Gemeente weleer haar

Oude Vrouwenhuis; doch hetzelve is in 1759 geplaatst, in de Kerkstraat,

achter het Weeshuis voornoemd.

Die van de Collegianten, hebben hun Weeshuis, van ouds de Oranje appel

genoemd, ter plaatse alwaar zij hunne vergadering houden, zie hier

vóór.

Onder de godsdienstige gestichten ter deezer stede kunnen ook nog de

volgende geteld worden, als,

Het Stads zijdewindhuis, geplaatst op den Cingel boven het stads

magazijn: hier worden jonge meisjens van 8 tot 14 jaaren, en wier

ouders van de Huiszittenmeesters, of gelijk men zegt, van de stad, en

ook die, wier ouders van de Diaconie trekken, met het winden van zijde

aan werk en geld geholpen, maar middelerwijl ook in het leezen,

schrijven, en de gronden van den Godsdienst onderwezen.

Het Begijnen-hof, in de Kalverstraat, alwaar, gelijk wij reeds zeiden,

de Engelschen hunne Kerk hebben: ’t is reeds een gebouw van den jaare

1389: in 1393 werd het door Hertog Albrecht in bescherminge genomen: ’t

is bebouwd met wooningen voor een zeker tal Begijnen, die er hunne

eigene kerk en Priester hebben: de dochterkens geneeren zig met

allerlei kundig naaldwerk, waarin sommigen van haar zeer ervaaren zijn.

Het Lazerus of Leprozen-huis, staande bij de St. Anthonies of Jooden

breestraat: sedert de lazerij genoegzaam geheel uit deeze Landen

verdweenen is, dient het Leprozen-huis, voor eenige proveniers, en

sommige simpele lieden.

Van het Dol- of Krankzinnig huis hebben wij reeds gesproken: (zie boven

Bladz. 10).

Het St. Joris hof, staande tegen de oude Waals Kerk: was eertijds het

Pauliniaanen klooster; ’t is nu een Proveniers huis, schoon ’t voorheen

ook voor Leprozen gediend hebbe.

Behalven alle de gemelde gebouwen vindt men hier ter stede nog eene

menigte hofjens en Godsdienstige gestichten, door bijzondere persoonen

van verscheidene Gezinten, met Godsdienstige oogmerken, aangelegd: de

voornaamsten zijn:

Het Deutzen Hofjen, op de Prinsegraft tusschen de Spiegel- en

Vijzel-straat, in 1695 gesticht door Vrouwe Agneta Deutz; er worden

oude vrouwen op geplaatst, die, behalven vrije wooning, 36 guldens aan

geld, 40 mand turf, 20 pond boter, 20 pond rijst, en 20 pond kaarsen

jaarlijks genieten.

Venetia of Maarloops hofjen, naar zijnen stichter Maarloop dus genoemd,

gelijk ook veelen der volgenden den naam naar hunne stichters draagen:

dit hofjen staat in de Elandstraat: behoeftige Vrouwen van allerleie

Gezinten, uitgenomen die van den Roomschen Godsdienst zijn, genieten er

vrije wooning, 50 manden turf, en nog eenig geld in ’t jaar.

’T Raapen hofjen aan de Noordzijde van de Braak, wordt mede door

behoeftige vrouwen bewoond: zij genieten ieder jaarlijks 25 tonnen

turf.

De Huisjens van Bosch staan naast het laatstgemelde Hofjen; in dezelven

wordt alleenlijk vrije wooning genoten.

’T Roeters hofjen, op de Linde graft, is mede gesticht voor behoeftige

vrouwen van den Gereformeerden Godsdienst, die er ook alleenlijk vrije

inwooning genieten.

Het Okkers hofjen in de kromme Palmstraat, bijna geheel herbouwd

zijnde, moet er een gering geld op verwoond worden.

’T Claas Reiniersz. Hofjen op de Keizersgraft, tusschen de Beeren- en

Run-straat, behoort aan de Roomschgezinden, en voert ter spreuke,

Liefde is ’t Fundament; ’t is aangelegd voor Vrouwen die bij ’t

inkomen, voor ééns, honderd guldens moeten geeven.

’T Hamershofjen, is mede voor oude Roomschgezinde Vrouwen.

’T St. Andries Hofjen op de Egelantiersgraft; hier is een kapelletjen

in ’t welk ééns ter week dienst gedaan wordt, door den Capellaan van ’t

Begijnehof.

De Brouwers huisjens in de Wijdesteeg op de Bloemmarkt, behooren ook

aan de Roomschen; als mede

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 34 / 455 题