Van Amstelland in ’t algemeen, hebben wij in onze beschrijving van
Amstelveen, meergemeld, (bladz. 2.) reeds iet gezegd; thans zullen wij
er breeder van spreeken: op het jaartal, onder ’t voorgaande art.
Oudheid, genoemd, naamlijk 1019, vindt men wel, gelijk aldaar gezegd
is, van de Heeren Van Amstel gemeld, doch niet in hoedanigheid van
vrije bezitters der Heerelijkheid van hunnen naam, maar als Leenmannen
der Utrechtsche kerk: in 1155 bezat Egbert van Amstel de Heerelijkheid
van Amstel nog als zodanig, naamlijk als Leenroerig van Utrecht; hij
werd, om zekeren twist met den Bisschop, gebannen, doch verzoende zig
met hem op bevel van den Keizer, welke zoen echter weder tot nadeel van
hem was, want daarin werd bepaald dat hij het geen hij in Amstel
leenroerig bezeten had, nu slechts als Stedehouder des Bisschops zoude
behouden: deezen zijn zoon, Gijsbrecht de Eerste, Heer van Amstel,
vinden wij echter weder als Leenman van den Bisschop van Utrecht
vermeld; onder de regeering van deezen moest Amstelland, om zijn gedrag
in het bekende geval van Graave Lodewijk van Loon, veel lijden; want
het werd om die reden in 1204, door de Kennemers, die den Amsteldijk
doorgestoken hadden, met rooven en branden geheel verwoest; dit echter
moesten zij naderhand door eene somme gelds boeten: na dien tijd vinden
wij bestendig de Heeren Van Amstel, als Leenmannen van de Utrechtsche
kerk, met betrekking tot hunne Heerelijkheid Amstelland, genoemd, tot
op Gijsbrecht, van wien wij onder Amstelveen, ter bovengemelde plaatse,
gesproken hebben, als deelgenoot aan den moord van Graave Floris, om
welke reden zijne goederen een volstrekt eigendom van den Graaf werden;
daarna is, gelijk wij ter gemelde plaatse ook zeiden, Amstelland nu
eens een eigendom van de Utrechtsche kerk en dan weder van den Graave
van Holland geweest: Graaf Jan van Avennes gaf ze (gelijk wij in onze
meergemelde beschrijving van Amstelveen, bladz. 12. reeds zeiden,) aan
zijnen broeder Guido van Henegouwen, naderhand Bisschop van Utrecht,
doch na den dood van deezen, trok Willem, de zoon van Graaf Jan
voornoemd, de Heerelijkheid weder aan Holland: in 1346 verklaarde
Keizerin Margariet Amstelland nimmer van de Graaflijkheid te zullen
scheuren, gelijk het sedert ook daaraan is gebleven—De verdere
lotgevallen der Heerelijkheid in ’t algemeen, is vervat in die van de
bijzondere deelen derzelve, aangetekend in onze beschrijvingen dier
deelen, art. Geschiedenissen.
HOOG-HEEMRAADSCHAP van AMSTELLAND.
Ten deezen opzichte beslaat Amstelland, gelijk reeds gezegd is, een
vrij ruimer grond, dan met betrekking tot het Bailluwschap zelf: de weg
langs welke de schouw over de wateren, die het recht hebben om over
Amstelland uittewateren, vinden wij bij Wagenaar, (en waarmede onze
ingewonnene berichten, desaangaande, overeenkomen,) beschreven te gaan
„van Amsteldam af, langs den Heiligen of Overtoomschen weg, de Veendijk
of Amstelveenschen weg, door Amstelveen over de nieuwe sluis in de
Bovenkerkerpolder, langs den Bovenkerkerdijk, tot aan de Hand van
Leiden; van hier de Legmeerlaan op, tot aan de Noorddammerbrug; verder
langs den Noordveenderdijk naar en door Kudelstaart, tot aan en door
Kalslagen, van waar de ring heen loopt langs den Bilderdammercade, en
over het water de Drecht, langs den Wassenaarschen polderdijk, naar en
door Nieuwveen, alwaar de ring gebroken wordt door een brug, en weder
vervolgt langs de Nieuweveensche vaart, en voords over den
Zeevenhovenschen weg, naar Zevenhoven; van daar naar Noorden; van
Noorden naar Slikkendam, en langs de Hollandsche Meent naar het Woerder
Verlaat; van dit Verlaat strekt de weg langs de Hollandsche Kade, die
tot aan den Ouden dam, en voords met verscheidene keeren tot door
Teccop, en langs Gervershoop loopt, tot aan de westzijde van de
watering de Bijleveld, langs welke de ring voordgaat tot aan den Broe-
of Brenidijk; zig van dien dijk over een voetpad keerende, door ’t oude
land, naar Harmelen, en voords tot aan en over het Haanwijker sluisjen,
gelegd in den Haanwijker dam, tot over den Rhijn, en over deezen stroom
naar Haanwijkerdam, en de Haanwijker kade; langs deeze benevens de
Kattenbroeker kade, ter zijde de landen van Haanwijk, Bijleveld,
Reijers-koop, Kattenbroek en Mastwijk, tot aan den IJsseldijk, niet
verre van Montfoort, en langs deezen, daar zij heenen loopt, ter zijde
van het zuidelijkste gedeelte van Mastwijk en Agthoven, tot aan den
Meerendijk, en noordwaards langs denzelven, tot aan de Leidsche vaart,
of Ouden Rhijn; nevens welke de ring de zuidzijde heenen loopt tot aan
den Heldam, daar hij zig noordwaards keert, loopende ten westen van de
Heikoper watering, door Kockingen tot aan Joostendam, en verder langs
de Portengensche kade, tot aan de Rondeveensche polderkade, daar de weg
van den ring te rug keert, door ’t achterste en voorste bosch, en zig
uitstrekt tot over den dam Ter Aa, tot aan de kromme Angstel, die met
de nieuwe vaart bij Nieuwersluis, onder den schouw behoort tot aan den
Indijk, en zoo verre deeze dijk loopt tot aan de westzijde van de
Vecht, door Nichtevecht, Weesp en Muiden, daar de ring door den Muider-
of Diemer Zeedijk gesloten wordt, tot aan Amsteldam toe.”
De Bailluw van Amstelland, is tevens algemeen Dijkgraaf, en kiest,
ingevolge eenen last van Keizer Karel den Vijfden, uitgedrukt in eene
handvest van den jaare 1553, jaarlijks zes Hoog-Heemraaden, naamlijk
uit de Gerechten van Amsteldam, Weesp, Ouderkerk, Amstelveen, Diemen en
Waverveen, ieder één, ten einde met twee of drie derzelven, den
bovengemelden ring van de gemeene waterschutting van Amstelland te
schouwen, onverminderd de schouwen, die de Schouten en Ambachtsheeren
in hunne districten hebben, en bij ons ieder op haare plaats
aangetekend zijn, onder ons art. Wereldlijke regeering: thans echter
worden gezegde Hoog-heemraaden van Amsteldam en Weesp, gesteld door
Burgemeesteren en Regeerders der gemelde Steden respective, en die van
Ouderkerk, Amstelveen, Diemen en Waverveen, ingevolge de
verkoopconditien der Ambachtsheerelykheden onder Amstelland, door
derzelver Ambachtsheeren.
Het gezegde Collegie vergadert gemeenlijk op de eerste maandagen in
Maart, Mei, Julij, September, en November; ook wel tusschentijds, zo
dikwijls de Dijkgraaf goedvindt hetzelve te beschrijven in ’t vertrek
van Heeren Burgemeesteren der stad Amsteldam, en over judicieele zaaken
in de kamer van Heeren Commissarissen van de kleine zaaken derzelver
stad.——Het heeft zijn eigen Secretaris en Bode.
Wegens het Dykcollegie, dat nog in Amstelland voorhanden is, zie men
onze beschrijving van Diemen, bladz. 11.
Dit Collegie vergadert gewoonlijk op den 12 en 13 Mei, den 24 en 25
Julij en 17 Augustus, dat de Schouwdagen zijn, als mede op den 1
September: des zomers wordt de vergadering gehouden in het
Gemeenelandshuis aan den dijk, bij Jaaphannes, alwaar, een Castelein
is, die mede ’t opzicht over den dijk heeft; als de wegen derwaards,
des winters, onbruikbaar zijn, vergadert het Collegie te Amsteldam in
een der Doeles of een ander voornaam Logement ter dier stede.
De dijk waarover dit Hoog-Heemraadschap het bewind heeft, is van de
grootste aangelegenheid voor Amstelland, Muiden en Weesperkerspel,
enz.: als dezelve doorbreekt, of doorgestoken wordt, overstroomt het
platte land van Utrecht, tot boven Breukelen en Portengen toe: kort
voor den jaare 1509 schijnt dezelve op twee plaatsen doorgebroken te
zijn geweest: in 1598 en 1675 mede op twee plaatsen; in 1702 ter lengte
van ruim 31 roeden; in laatere jaaren is hij dikwijls in groot gevaar
van doorbraak geweest: om het nut dat hij doet, zijn er door ’s Lands
Graaven, en vervolgends door de Staaten van tijd tot tijd breede
handvesten en voorrechten vergund, wegens ondersteuning van gelden uit
’s Lands Casse ter versterkinge van denzelven: na de plaag van het
paalgewormte, is hij ongemeen versterkt; „een werk,” lezen wij, „’t
welk aan arbeidsloon, aard, plempen van zand, puin, het heiën van een
regel paalen, enz. vijfmaal honderd negen-en-dertig duizend, agt
honderd, vier-en-negentig guldens gekost heeft.”
Bij sommigen, onder anderen in den Tegenwoordigen staat van Holland,
vinden wij dit Collegie mede Hoogheemraadschap genoemd; doch in onze
beschrijving van Diemen hebben wij reeds doen zien, dat de beheering
aan dat Collegie niet is toegestaan over den geheelen dijk, en dat zij
des zouden kunnen doen en handelen als het Hoogheemraadschap van
Amstelland kan doen: „hetzelve”, voegt men in aan ons gunstiglijk
toegezondene berichten daarbij, „hetzelve is bepaaldlijk ingesteld tot
beschouwing van het ijzer- en houtwerk dat toen aan den dijk was, en de
Graaf zegt met zo veele woorden in zijn privilegie, dat zo lang men
IJpesloot, (dat toen beplaat wierd, en des niet de geheele dijk,) met
ijzer en hout houden zou, dat zo lang die schouw zou duuren; doch zo
dat weggenomen wierd, zou de schouw dood en te niet zijn—naderhand is
wel dat Collegie gemagtigd, om den geheelen houten dijk te beschouwen,
doch dit privilegie werd onder hetzelve verband gegeeven—nu het hout
weg is, is des dat geheele Collegie te niet, en heeft niets meer als
eene superintendentie over het schouwen, dat Diemen en Muiden doet; bij
resolutie van 1678 is dit Collegie genaamd een
Hoogendijk-Heemraadschap, en hetzelve mag niet vergaderen dan met den
Bailluw van Amstelland, die het hoofd is—men kan met geene mogelijkheid
sustineeren”, gaat onze begunstiger voord, dat het Collegie van Zeeburg
en Diemerdijk, een tweede Hoogheemraadschap is, hoe zeer sommigen het
daarvoor trachten te debiteeren; dit Collegie is zelfs subject aan het
Hoogheemraadschap van Amstelland——misschien zal men zeggen: „in plaats
van het hout en ijzer zijn nu de steenen”, (zie onze beschrijving van
Diemen, bladz. 12.) „en hierover voeren die Heeren echter hun gezach;
’t is waar dat zij zulks doen; maar ’t is ook waar dat zij er eigenlijk
geen recht toe hebben: toen het paalwerk van den worm werd doorvreeten,
verzocht dat Heemraadschap van de Staaten de magt en de faculteit te
mogen hebben om den dijk met steenen te beleggen; de Staaten
permitteerden zulks; dan toen zij vroegen om de beheering, schouw, enz.
is zulks, als strijdende met de privilegien, afgewezen; derhalven
hebben zij desaangaande geen gewettigd gezach, oefenen het tegen
rechte, en houden hetzelve tegen Diemen staande, waarschijnelijk wel
weetende dat die plaats, (want Muiden stoort zig aan den geheelen dijk
niet meer,) geen gelds genoeg heeft om dat proces voltehouden,
niettegenstaande het van tijd tot tijd zijn hoofd opricht, en zijn
recht defendeert.”