HOOFDSTUK XVII.

Meleese.

Minuten lang bleef Howland roerloos staan; het was alsof elk spoor van

leven uit hem was geweken. Zijn oogen waren op de deur gericht—maar zij

zagen niet. Hij maakte geen geluid en hij ging ook niet weer naar de

spleet in den wand. Het noodlot had hem den laatsten schok gegeven en

toen hij zich ten laatste herstelde, bleef er geen vonk van hoop over in

zijn hart en dacht hij geen oogenblik meer aan pogingen om zijn vrijheid

te herwinnen. Het was nu kwart over vijf. Hem restten nog maar vijf en

veertig minuten.

Nog drie kwartier en dan—de dood! Dezen keer was er geen twijfel meer

mogelijk. Zelfs in de coyote had hij, met de eeuwigheid voor oogen, nog

gehoopt en om het leven gestreden. Maar hier was geen hoop en hier zou

geen strijd zijn. Zij wilden hem neerschieten door een van die zwarte

openingen in den muur; hem werd geen kans gelaten om zich te verdedigen

of zijn onschuld te bewijzen. En Meleese—dacht ook zij, dat hij

schuldig was aan de misdaad?

Hij kreunde luid, toen hij het briefje weer opnam. Zacht herhaalde hij

de laatste woorden: „Verhoort God mijn smeeken niet, dan zal ik toch

mijn belofte gestand doen en u volgen.” Die woorden schenen zijn vonnis

te bevatten. Zelfs Meleese had alle hoop opgegeven. Of—lag er misschien

een diepere beteekenis in haar woorden? Hij ontwaakte; het was of iemand

hem een stoot had toegebracht en zijn oogen schitterden.

„_En u volgen!_”

Dezen keer bracht hij die woorden bijkans snikkend uit. Zijn handen

trilden; hij liet het papier weer op de tafel vallen en keerde den

angstig starenden blik naar de deur. Wat wilde zij daarmee zeggen? Wilde

zij zelf een eind aan haar leven maken, wanneer hij door haar broeders

gedood werd? Een andere beteekenis kon hij niet vinden in haar laatste

boodschap aan hem en gedurende eenige oogenblikken, nadat de vreeselijke

beteekenis van haar woorden hem duidelijk was geworden, dacht hij alleen

aan de mogelijkheid om Jean terug te roepen. Als hij maar kans zag om

haar te schrijven—als hij haar nog maar eenmaal de verzekering vermocht

te geven van zijn groote liefde—als hij haar nog maar eenmaal kon

zeggen, hoe haar genegenheid hem ruimschoots vergoedde wat hij verloren

had en nog verliezen zou—hoe zij hem in deze laatste ure van zijn

martelaarschap een geluk had geschonken, dat nooit eerder zijn deel was

geweest.

Tot tweemaal toe riep hij Croisset, maar er kwam geen ander antwoord dan

de holle echo van zijn eigen stem door de onderaardsche ruimten. En

intusschen kwam zijn gedachtengang tot meer normalen toestand terug. Als

Meleese een gevangene was in haar eigen kamer, dan zou Croisset, die nu

door de nederzetting vrij wel als een verrader werd beschouwd, niet

langer toegang tot haar hebben. Meleese had zeker kans gezien om den

half-ras langs omwegen haar briefje te doen toekomen en hij had zijn

laatste zending volbracht.

Langzamerhand ontwaakte er in Howland een gevoel van sympathie voor

Croisset. Veel, dat hij eerst niet had begrepen, werd hem nu duidelijk.

Hij begreep waarom Meleese den naam van zijn belagers te Prince Albert

en aan de Wekusko niet had willen noemen; hij begreep waarom zij hem was

ontweken na zijn ontvoering en hoe Jean om harentwil het geheim zoo

trouw had bewaard. Zij had gestreden om hem te beschermen tegenover haar

eigen bloedverwanten en ook Jean had gestreden om hem te behoeden. O,

hoe graag had hij in deze laatste levensure Croisset nog eenmaal de

hand gedrukt en hem gedankt voor alles wat hij deed! En juist omdat de

half-ras voor Meleese en voor hem had gevochten, zou diens lot bijna

even vreeselijk zijn als het zijne. Hij—Jean Croisset—moest om zes uur

het noodlottige schot lossen. Niet de broeders van Meleese, maar Jean

Croisset zou zijn beul en zijn moordenaar zijn.

De minuten gingen snel voorbij en naarmate die voorbijgingen, verbaasde

Howland er zich over, dat hij zoo kalm het einde afwachtte. Hij begon

zelfs te beredeneeren door welke spleet de kogel waarschijnlijk wel zou

komen. Waar hij ook ging staan, overal zou het licht van de groote

hanglamp op hem vallen. Er was geen enkele volslagen duistere hoek,

waarin hij voor luttele minuten misschien zijn beul zou kunnen ontgaan.

Hij moest zelfs glimlachen, toen hij bedacht hoe hij in de laatste

instantie het licht zou kunnen dooven en onder de tafel zou kunnen

kruipen om op die wijze een kort uitstel te verkrijgen. Maar wat zou een

kort uitstel hem geven? Hij verlangde nu zelfs naar het einde, naar het

oogenblik, dat alles voorbij zou zijn.

En toch had hij ook nog gelukkige momenten; dat was wanneer in het

kille doodsvertrek visioenen van Meleese voor hem oprezen—van Meleese,

nog liefelijker en nog beminnelijker in zijn oog, nu hij wist hoe zij

zichzelf had opgeofferd tusschen die twee groote gevoelens, genegenheid

voor haar familie en liefde voor hem. En ten slotte had zij hem gekozen!

Had zij dat kunnen doen, wanneer zij evenals haar broeders meende, dat

hij de moordenaar was van haar vader—dat hij de zoon was van den

duivel, die haar van een moeder had beroofd? Dat was onmogelijk, zei hij

bij zichzelf. Zij dacht hem onschuldig. Maar—waarom had zij in haar

schrijven er met geen enkel woord van gerept?

Zijn oogen gingen naar het briefje op de tafel en hij begon in de zakken

van zijn buis te zoeken. In een daarvan vond hij een stompje potlood en

hij begon nu een woord van afscheid aan Meleese te schrijven zonder

langer aan de voorbijsnellende minuten te denken. Toen hij er mee klaar

was, vouwde hij het papier dicht en legde hij het onder zijn horloge.

Hij wilde op het laatste oogenblik nog aan Jean vragen om het mee te

nemen. Zijn oogen vielen op de wijzerplaat van het uurwerk en er kwam

een kreet over zijn lippen.

Er bleven hem nog maar tien minuten over!

Boven zich hoorde hij onduidelijk het geblaf van honden—en den hollen

klank van mannenstemmen. Een oogenblik later werd er snel heen en weer

geloopen en daarop trad er een diepe stilte in.

„Jean!” riep hij met vaste stem—„Hallo, Jean—Jean Croisset!”

Hij nam het papier op en liep van de eene spleet naar de andere,

voortdurend den naam van den half-ras roepend.

„Zoowaar ge uw God liefhebt, Jean—zoowaar ge op den hemel hoopt—breng

dit briefje aan Meleese!” smeekte hij. „Jean—Jean Croisset!”

Er kwam geen antwoord; er was daar buiten niet de minste beweging te

bespeuren. Hij had het kloppen van zijn hart willen tegengaan, om beter

te kunnen luisteren. Croisset moest daar zijn! Hij keek weer op zijn

horloge, dat hij nu in de hand hield. Binnen vier minuten zou het schot

vallen. Een koud zweet bedekte zijn gelaat. Opnieuw wilde hij roepen,

maar het was of zijn keel werd dichtgeknepen en een snik was al wat hij

vermocht te uiten. Hij liep terug naar de tafel en legde het briefje

onder het horloge. Nog twee minuten—nog anderhalve minuut—nog één!

Plotseling sprong hij met een uitdagenden kreet tot midden in den

kerker; hij keerde zijn gelaat naar de opening het dichtst bij de deur

en breidde de armen uit.

Nog een keer riep hij met luide stem:

„Jean Croisset, er ligt een briefje onder mijn horloge op de tafel. Geef

het aan Meleese, wanneer gij mij hebt gedood. Als je het niet doet, zal

ik je tot aan je dood toe vervolgen!”

Nog steeds geen geluid—nog steeds geen blinkend staal op hem gericht

door de zwarte opening. Zou het schot hem misschien in den rug treffen?

Tik-tik-tik-tik—zei zijn horloge—en hij telde tot twintig. Toen kwam

er een ander geluid; hij sloot de oogen en er ging een huivering door

zijn lichaam.

Het was het slagwerk van zijn horloge, dat fijn en schril zes uur

sloeg!

Nauwelijks waren die klanken in zijn brein verstorven of er liet zich

van ver weg in het donker buiten de gevangenismuren een krakend geluid

hooren; daarop was het alsof een zware deur langzaam op haar hengsels

draaide en alsof er een luik geopend werd en toen kwamen er stemmen,

eerst gedempte, maar daarop luidsprekende, opgewonden stemmen—en

eindelijk een haastig geloop, terwijl er een lichtstraal door de

duisternis schoot. Zij kwamen! Het zou dus ten slotte toch geen besloten

gezelschap zijn—en Jean zou, evenals de beul in de beschaafde wereld,

moeten dooden ten aanschouwe van een publiek. Howland's armen vielen

langs hem neer. Dit was nog vreeselijker dan al het andere—dit zien en

hooren van de toebereidselen, waarin hij den klik van Croisset's geweer

bij het overhalen van den trekker meende te onderscheiden.

En in plaats daarvan bleek het een tasten naar de deurklink te zijn.

Er lieten zich nu geen stemmen meer hooren; hij vernam alleen een vreemd

gesteun, dat hij niet kon thuis brengen. Nog een oogenblik en alles werd

hem duidelijk. De deur ging open en Meleese snelde op hem af in een wit

gewaad en met een kreet, die door de kerkerruimte weerklonk. Wat er

daarop gebeurde—een trekken van bleeke gezichten voorbij zijn deur, een

onderdrukt gemurmel van stemmen—het ging alles voor hem verloren in het

enkele feit, dat zij haar op het laatst hadden toegestaan om tot hem te

gaan, dat hij haar vast in zijn armen hield en dat zij haar gelaat tegen

zijn borst drukte, woorden uitsnikkend, die hij niet begreep. Eens of

tweemaal eerder in zijn leven was het hem overkomen, dat hij zichzelf

moest afvragen of de werkelijkheid niet een droom was—en zoo ging het

hem ook nu, terwijl hij de warmte voelde van haar handen en haar gelaat

en den hartstochtelijken druk van haar lippen op de zijne. Hij hief de

oogen op en in de deur stond Croisset en achter dezen een woest, gebaard

gelaat—het gelaat, dat hij boven zich had gezien, toen zijn leven op

het groote Pad naar het Noorden in gevaar verkeerde. En achter die twee

gestalten zag hij nog andere, die onduidelijk en schimachtig leken in de

diepe duisternis van de gang buiten den kerker. Hij klemde Meleese vast

tegen zich aan en toen hij haar in het gelaat keek, zag hij, dat haar

mooie oogen vol tranen stonden en dat er toch groote blijdschap uit

sprak. Maar op eens maakte zij zich los uit zijn omarming en liep zij

naar de deur—en nu kwam Jean Croisset naar hem toe, terwijl de man met

den woesten baard nog steeds over diens schouder naar hem bleef kijken.

„M'sieur, wilt ge ons volgen?” vroeg Jean.

De man met den baard week terug in de zwarte duisternis en zonder een

woord te spreken volgde Howland Croisset, zijn oogen gevestigd op de

liefelijke gestalte van Meleese. De bleeke gezichten keerden zich af van

het licht en het geluid van de zich verwijderende voetstappen klonk door

de duistere gang. Jean liep naast Howland, terwijl de forsche man met

den baard een pas of drie voor hem uit ging. Een dozijn schreden bracht

hen bij een trap, waarop een licht stond te branden. De half-ras legde

een hand op Howland's arm, als om hem tegen te houden en toen zij een

oogenblik later boven kwamen, waren allen weg, behalve Jean en de man

met den baard. De dageraad brak aan en dat bleeke licht viel door de

vensters van de kamer, waarin zij zich nu bevonden. Op een tafel brandde

een lamp en daaromheen stonden verscheidene stoelen geschaard. Croisset

wees den ingenieur op een daarvan en toen Howland ging zitten, keerde de

man met den baard zich langzaam om en verdween hij door een deur. Jean

haalde even de schouders op.

„_Mon Dieu!_ dat wil zeggen, dat hij het verdere aan mij overlaat!” riep

hij uit. „Nu—ik begrijp heel goed, dat het hem moeite zou kosten om te

spreken, M'sieur. Begint gij te begrijpen?”

„Ja—gedeeltelijk,” antwoordde Howland. Zijn hart bonsde, als had hij

een hoogen berg beklommen. „Dat was de man, die mij trachtte te dooden.

Maar Meleese—de—” Verder vermocht hij het niet te brengen. Nauwelijks

ademend, wachtte hij op wat Jean zou zeggen.

„Die man is Pierre Thoreau,” zei de half-ras, „de oudste broer van

Meleese. Eigenlijk behoorde hij u te vertellen, wat er gebeurd is. Maar

hij is te zeer onder den indruk om te kunnen spreken. Dat verbaast u?

En toch verzeker ik u, dat niemand een warmer hart bezit dan Pierre

Thoreau—zij het ook, dat hij tot driemaal toe beproefde om u te dooden.

Herinnert ge u, M'sieur, wat ge me daar straks hebt gevraagd—of ik

dacht, dat _gij_ de John Howland waart, die zestien jaar geleden den

vader van Meleese doodschoot? Bij alle Heiligen, ik dacht het, tot nu

nauwelijks een half uur geleden, toen er een man uit het Zuiden inkwam

en met zijn woorden een mijn voor onze voeten deed springen. Dat was

François Thoreau, M'sieur, de jongste van de drie broers—wij hebben

een vreeselijken misslag begaan—en wij smeeken u om ons te vergeven.”

In diepe stilte ontmoetten de blikken van de twee mannen elkaar over

de tafel. Het was niet de gedachte aan zijn redding, die bij Howland op

den voorgrond trad, maar wel de gedachte aan Meleese—aan het heerlijke

feit, dat zij, op het oogenblik, toen alles verloren leek, nader tot hem

was gekomen dan ooit te voren. Met dichtgeknepen handen en schitterende

oogen boog hij zich over de tafel. Jean voelde dat niet en hij ging snel

voort:

„Ik weet, dat het hard voor u is, M'sieur. Misschien zal het u niet

mogelijk zijn om ons volkomen vergiffenis te schenken. Wij hebben

getracht u te dooden, u door langzame marteling te dooden, omdat wij

meenden, dat ge dit hadt verdiend. Maar stel u een oogenblik in onze

plaats, M'sieur en denk een oogenblik aan wat nu zestien jaar geleden

hier bij ons gebeurde. Ik heb u verteld hoe ik dien duivel worgde. En

zoo zou ik ook u geworgd hebben, als Meleese er niet was geweest. Ook ik

heb schuld aan het misverstand. Nu zes jaar geleden hoorden we, dat John

Howland, de zoon van den man dien ik doodde, zich in Montreal bevond

en wij zonden François, den jongsten van de broers, uit om hem op te

sporen. Evenals Meleese had François daar jaren lang school gegaan en

hij was beter bekend met het Zuiden dan een van ons anderen. Maar het

gelukte hem toen niet, M'sieur, om den man te vinden en het was eerst

kort geleden, dat hij meende dien te hebben ontdekt.

„De Heilige Maagd zij mijn getuige, M'sieur—het was allerminst vreemd,

dat hij u voor dien man aanzag, in aanmerking genomen hoe ge lijkt op

wat ik mij van den jongen herinner. Maar het feit blijft, dat François

zich deerlijk vergiste, toen hij aan zijn broeders liet weten, dat gij

de persoon waart, dien zij zochten en tegelijkertijd de aangewezen man

om Gregson en Thorne te vervangen, wanneer die eenmaal uit den weg waren

geruimd. Ik zweer bij de Heilige Moeder Gods, M'sieur, dat Meleese

buiten dit alles stond. Zij wist niets van de plannen van haar broeders

om Gregson en Thorne door plagerijen naar het Zuiden terug te drijven.

Het was hun niet te doen om die ingenieurs te dooden—zij wilden hen

alleen verjagen om u in hun plaats naar het Noorden te krijgen. Nooit

konden die twee een voet verzetten of er gebeurde iets. Gregson verloor

een vinger, Thorne kreeg zwaar letsel aan zijn arm. 's Nachts vlogen er

kogels door hun ramen. Met Jackpine—onzen vriend—in hun lijfdienst,

was het niet moeilijk om hen te benaderen en het duurde dan ook niet

lang of zij verzochten de directie om een ander in hun plaats te

zenden.”

Nu voor het eerst voelde Howland toorn in zich opkomen.

„De lafaards!” riep hij. „Een mooi span, Croisset—zelf kropen zij onder

uit de val, terwijl zij van boven een ander binnenlieten!”

„Misschien was het niet zoo erg gemeend,” vergoelijkte Jean. „Men had

hun aan het verstand gebracht, dat zij—en zij alleen—niet gewild waren

in die omgeving. Misschien kwam het niet in hen op, dat het ook leelijk

kon zijn voor u en daarom verzwegen zij wat er gebeurd was. Misschien

ook vonden zij het niet prettig als het bekend werd, dat zij wegliepen

voor het gevaar. En dat is menschelijk, niet waar, M'sieur?—Hoe dan

ook, gij werdt aangewezen om als hun opvolger naar het Noorden te komen

en eerst toen hoorde Meleese van alles wat voorgevallen was.”

De half-ras hield een oogenblik in. De gloed was verdwenen uit

Howland's oogen. De strakke lijnen van zijn gelaat ontspanden zich.

„Ik—ik geloof, dat ik nu alles begrijp, Jean,” zei hij. „Gij hebt den

verkeerden John Howland opgespoord—daar komt het op neer. Maar ik heb

Meleese lief, Jean. Ik zou dien John Howland willen dooden om haar. Ik

verlang er naar om haar broers te ontmoeten en hun de hand te drukken.

Ik veroordeel hen niet. Zij handelden als menschen. Maar treurig doet

het mij aan om te moeten bedenken, dat Meleese van dit alles af wist en

bijna mede een moord beging.”

„_Mon Dieu_, M'sieur en is zij het niet juist, die uw leven gered heeft?

Luister!—Toen Meleese wist wat er gebeurd was, richtte zij zich tot

mij, dien zij indertijd tot den gelukkigste van alle stervelingen had

gemaakt, door mijn Mariane uit Churchill mee hierheen te brengen, wel

wetend, dat ik dadelijk op haar zou verlieven—en dat deed ik,

M'sieur—Meleese kwam dus bij mij, bij Jean Croisset en in plaats van uw

dood te beramen, maakte zij plannen om uw leven te redden—met mij!—met

den man, die u in stukken had willen snijden van een vinger lang en u

tot voedsel had willen geven aan de raven—met mij, die u zou hebben

willen worgen tot de oogen u uit het hoofd puilden—zooals ik deed met

dien anderen, daarginds bij het Groote Slavenmeer!—Begrijpt ge het nu,

M'sieur? Het was Meleese, die bij mij kwam en die mij smeekte om uw

leven te sparen—nog vóór ge Chicago verlaten hadt, nog vóór zij iets

meer dan uw naam had gehoord, nog vóór—”

Croisset aarzelde en zweeg even.

„Nog vóór wat, Jean?”

„Nog vóór zij u had leeren liefhebben, M'sieur.”

„God zegene haar!” riep Howland.

„Ge gelooft mij dus, M'sieur?”

„Zoo waar ik in God geloof!”

„Dan zal ik u zeggen, wat zij deed, M'sieur,” ging hij voort op zachten

toon. „Haar broers hadden het plan gesmeed om u bij Prince Albert te

overvallen en u mede te nemen naar het Noorden. Ik alleen wist wat zij

daar verder dachten te doen. Het zou een mooie wraak zijn geweest,

M'sieur—een langzame marteldood op dezelfde plek, waar zestien jaar

geleden de misdaad werd begaan. Maar van dat alles wist Meleese niets.

Haar maakten zij wijs, dat zij u hier, waar haar vader en haar moeder

stierven, wilden overleveren aan de Wet—aan de afdeeling bereden

politie, die op gezette tijden dezen kant uitkomt. Zij is maar een jong

meisje, M'sieur, en het is niet moeilijk om haar op dergelijke punten om

den tuin te leiden—anders zou zij het zeker wel vreemd hebben gevonden,

dat men u niet liever te Prince Albert aan de justitie overleverde.

Het was de oudste broer, die de list bedacht om haar als lokvink te

gebruiken en u op die wijze buiten de stad in handen te krijgen. Eerst

op het allerlaatste oogenblik, toen wij gereed stonden om met dit

doel naar het Zuiden te trekken, vernam Meleese bij toeval uit enkele

woorden, die zij opving, dat haar broers van plan waren om u te dooden.

En het was daarom, M'sieur, dat zij tot mij kwam.”

„En jij, Jean?”

„Op den dag, dat Mariane mijn vrouw werd, M'sieur, had ik de Heilige

Moeder Gods beloofd, dat ik te eeniger tijd mijn schuld aan Meleese zou

afdoen en nu had ik daartoe gelegenheid. Ook Jackpine was haar slaaf en

wij beiden sloegen de handen ineen. Twee uren nadat Meleese en haar

broeders de reis naar het Zuiden hadden ondernomen, volgde ik hen met

afgeschoren baard en uiterlijk zóó veranderd, dat niemand mij herkende

bij het gevecht op het Groote Pad naar het Noorden. Meleese dacht, dat

haar broers u dien nacht gevangen wilden nemen, zonder u verder letsel

te doen toekomen. Men had haar gezegd, op welke wijze zij u gemakkelijk

naar het kamp kon brengen. Zij wist niets van de hinderlaag totdat de

mannen uit hun schuilhoek op u lossprongen. Eerst na het gevecht, toen

de Thoreau's—in hun woede over uw ontsnapping—haar vertelden, dat het

hun plan was geweest om u te dooden, besefte zij ten volle wat zij had

gedaan. Dat is alles, M'sieur. Ge weet wat er verder gebeurde. Zij

durfde u aan de Wekusko niet zeggen, wie uw vijanden waren, want die

vijanden waren haar eigen vleesch en bloed en haar dierbaarder dan het

leven. Zij hing tusschen twee groote liefdes, M'sieur—de liefde voor

haar broeders en—”

Weer aarzelde Jean.

„Haar liefde voor mij,” voleindigde Howland.

„Ja, haar liefde voor u, M'sieur.”

De twee mannen verhieven zich gelijktijdig van hun zitplaatsen en een

oogenblik bleven zij hand in hand staan in het rookerige licht van de

lamp en van den dageraad. Geen van beiden hoorde hoe er op de deur

geklopt werd, die naar de naaste kamer leidde; zij zagen niet hoe die

deur zich zacht naar binnen opende en dat Meleese, als weifelend, op den

drempel bleef staan.

Het was Howland, die het eerst sprak.

„Ik dank God, dat dit alles gebeurd is, Jean,” zei hij plechtig. „Ik ben

blij, dat gij mij tijdelijk voor dien anderen John Howland hebt gehouden

en dat Pierre Thoreau en zijn broers het plan smeedden om mij te Prince

Albert of aan de Wekusko te dooden, want als dit alles niet was gebeurd,

dan zou ik Meleese nooit ontmoet hebben. En nu, Jean—”

Zijn ooren vernamen een zacht geritsel en zich omwendend, zag hij nog

juist hoe Meleese behoedzaam trachtte weg te sluipen.

In een ommezien volgde hij haar, terwijl Jean bij de tafel bleef staan.

Door de deur viel alleen de schemering van den grijzen morgen, maar dat

was hem voldoende om de gestalte te onderscheiden van haar, die hij

liefhad en die—zich half omwendend—op hem scheen te wachten. Met een

kreet van vreugde sprong hij vooruit en sloot hij haar vast in zijn

armen.

„Meleese—mijn Meleese!—” fluisterde hij.

En daarna kwam er geen geluid meer uit die tweede kamer, die door den

dageraad werd verlicht, maar Jean Croisset, die nog steeds bij de tafel

stond, mompelde zacht: „Onze Lieve Vrouwe zij geprezen, want het komt

uit, zooals Jean Croisset het gewenscht had—en nu kan ik weer teruggaan

naar mijn Mariane!”

Op het onheilspad · 第 23 / 26 题