HOOFDSTUK XVI.

Jean's Verhaal.

Het was dit kaarslicht wat Howland tot bewustzijn terugbracht—en tevens

tot een gewaarwording van pijn. Hij wist, dat hij niet langer in de

sneeuw lag, want toen hij een poging deed om zich op te richten, kwamen

zijn vingers in aanraking met vochtige aarde en kreeg hij tegelijkertijd

een gewaarwording alsof men hem met een roodgloeiend mes van schedel tot

borstkas doorkliefde. Die oogenblikkelijke pijn ontlokte hem een

scherpen kreet en vol angst en vrees greep hij met beide handen naar

zijn hoofd. Maar het verschijnsel herhaalde zich niet en hij bewaarde

een zittende houding. Het was hem als stonden honderden kaarsen daar als

even zoovele uitdagende oogen vóór hem te dansen en te schitteren. Het

maakte hem duizelig—het bezorgde hem een gevoel van walging, totdat die

lichten één voor één verdwenen en alleen het rustige schijnsel van de

enkele werkelijke kaars achterbleef.

De vingers van Howland's rechterhand voelden kleverig aan, toen hij die

van zijn hoofd wegnam; hij huiverde. De vlam, die in den nacht was

uitgesprongen, de luide knal, de stroom van vuur, die zijn hersens

scheen te doorboren, dat alles begon beteekenis voor hem te krijgen. Het

was dus op het kantje af geweest en er liep hem een rilling over den

rug, toen hij probeerde om te gaan staan. Het schot van zijn vijand had

hem op zij van het hoofd geraakt. Een duim, een halven duim verder en

hij zou niet meer wakker zijn geworden. Even sloot hij de oogen en toen

hij die weer opende, was het visioen weg. Hij kon nu om zich heen—zij

het dan ook onduidelijk—de zwarte muren van zijn kerker onderscheiden.

Het leek hem een eeuw vóór hij op zijn beenen stond en aleer hij de

kaars bereikte. Behoedzaam voelde hij zijn weg langs den muur, totdat

hij aan een zware, lage en aan den buitenkant gegrendelde deur kwam.

Even voorbij die deur vond hij een opening, klaarblijkelijk gehouwen uit

de hier en daar verteerde houtblokken. Het was een spleet van een yard

lang en nauwelijks wijd genoeg om er een arm doorheen te kunnen steken.

Bij het voortzetten van zijn onderzoekingstocht ontmoette hij nog drie

soortgelijke openingen; zij deden hem denken aan de spleet onder de

zoldering van _La Maison de la Mort Rouge_, waardoor hij naar de

besmette hut had gegluurd en maakten de eenige ventilatie uit van zijn

gevangenis.

Hij zette de kaars weer op de tafel, ging op den stoel zitten, die

daarbij stond en begon zijn zakken één voor één te inspecteeren. Zijn

gordel en zijn revolver waren verdwenen. Zijn brieven en zijn papieren

eveneens. Zelfs geen lucifer was hem gelaten.

Plotseling hield hij op met zijn onderzoek om te luisteren. Het was

alsof hij, heel flauw, het tikken hoorde van zijn horloge. Hij tastte

in zijn borstzak. Maar die was leeg. Weer luisterde hij met gespannen

aandacht. En dezen keer was hij er zeker van, dat het geluid van omlaag

kwam en hij hield de kaars bij den grond, totdat het licht op iets geels

viel, dat dicht bij zijn voeten lag. Het was zijn horloge en er naast

lag zijn leeren zakportefeuille. Het geld daarin was onaangetast, maar

zijn naamkaartjes en een half dozijn brieven waren er uit verdwenen.

Hij keek nu hoe laat het was. De uurwijzer stond op vier. Was het

mogelijk, dat hij meer dan zes uur lang bewusteloos had gelegen?

Hij had Jean al gauw na het vallen van den avond op den heuveltop

achtergelaten—het was niet later dan negen uur geweest, toen hij zich

bij Meleese bevond. Zeven uren! Weer bracht hij de hand aan het hoofd.

Zijn haar was stijf van geronnen bloed. Ook op zijn wang en op zijn nek

zat het en het bovendeel van zijn jas was er mee gedrenkt. Hij moest

veel bloed verloren hebben en het bevreemdde hem, dat hij nog leefde;

zijn belagers hadden hem in al die uren niet de minste hulp geboden; zij

hadden zijn hoofd zelfs niet verbonden.

Meenden zij misschien, dat het schot doel had getroffen—dat hij al dood

was, toen zij hem in den kerker wierpen? Of was dit slechts een bewijs

te meer van de brute barbaarschheid dergenen, die hem voortdurend naar

het leven stonden? Met de krachten keerde ook de strijdlust in hem

terug. Als ze hem maar één wapen hadden gelaten—desnoods het kleine

zakmes—dan had hij nog een poging kunnen doen om een paar rekeningen te

vereffenen. Nu was hij hulpeloos.

Toch school er nog een straal van hoop in de mogelijkheid, dat zij hem

dood waanden. Als zij, die hem in de gevangenis hadden geworpen, zich

daarvan overtuigd hielden, dan was hij veilig gedurende verscheidene

uren. Vóór het helder dag was, zou er niemand komen om zijn lichaam weg

te halen—en misschien kwamen zij wel niet voor den volgenden avond, als

ze een graf hadden gedolven en hem in het geheim konden wegdragen. Zag

hij kans om uit den kerker te ontsnappen, dan zou hij tegen dien tijd

goed en wel op weg zijn naar de Wekusko. Hij twijfelde geen oogenblik of

Jean zat nog in de hut op den bergtop. Daar waren ook de honden en de

slee en de twee geweren, op de plek, waar hij die verstopt had. Het zou

een harde dobbel zijn—misschien wel een loopende strijd—maar hij zou

overwinnen en na eenigen tijd zou Meleese bij hem komen, daar ginds, ver

weg, in het kleine hotel aan de Saskatchewan.

Hij stond op, zijn bloed werd warmer en zijn oogen glinsterden bij het

licht van de kaars. De gedachte aan het meisje, zooals zij in den nacht

naar buiten en tot hem gekomen was, gaf hem heel zijn oude strijdkracht,

heel zijn onoverwinnelijke hoop en heel zijn zelfvertrouwen terug. Zij

was hem gevolgd, toen de hond, nadat de eerste schoten waren gevallen,

hem blaffend op de hielen zat; zij had naast hem geknield, toen hij

bloedend in de sneeuw terneerlag aan de voeten van zijn vijanden. Hij

had haar stem gehoord, die hem bij zijn naam riep, hij had de aanraking

van haar armen, den angst en de liefde op haar lippen gevoeld, toen zij

meende, dat hij stierf. Zij had zich aan hem gegeven en zij zou tot hem

komen—zijn sneeuwjonkvrouw—als hij maar kon ontsnappen!

Hij liep naar de deur en drukte er tegen met zijn schouders. Zij was

onwrikbaar. Weer stak hij een hand en een arm door de eerste spleet.

Het hout, waarmee zijn vingers in aanraking kwamen, was rot van vocht

en van ouderdom en hij merkte, dat hij er handen vol van kon wegnemen.

Met bijkans dierlijken ijver zette hij zich aan het werk. De zachte

vermolmde vezels lieten zich zoo gemakkelijk verwijderen, dat hij

stellig zijn vrijheid zou herwinnen lang vóór een van de mannen in de

nederzetting wakker werd.

Een geluid deed hem aflaten—een hol kuchje, dat uit de duisternis

buiten den kerkermuur kwam. Het werd even later gevolgd door een

lichtstraal en snel week Howland terug tot bij de tafel. Hij hoorde hoe

de grendel werd weggeschoven en terzelfder tijd bedacht hij of hij niet

beter zou hebben gedaan door zijn oude positie op den vloer weer in te

nemen. Nu echter was het daarvoor te laat. De deur draaide op haar

hengsels en er viel een lichtstraal door de kamer. Eén oogenblik werd

Howland er door verblind en het was eerst, toen de drager van de lamp

halfweg de tafel was gekomen, dat hij in den bezoeker Jean Croisset

herkende. Het gelaat van den half-ras was woest en verwilderd. Zijn

oogen glinsterden met een rooden gloed en leken met bloed doorloopen,

toen hij den ingenieur aanstaarde.

„_Mon Dieu_, ik hoopte, dat ik u dood zou vinden!” fluisterde hij met

schorre stem.

Hij reikte omhoog om de groote olielamp, die hij droeg aan een haak in

de zoldering te hangen en Howland keek met verbazing naar de uitdrukking

van zijn gelaat. Jean's groote oogen glinsterden als gloeiende kolen

in een doodenmasker. Angst en pijn hadden diepe lijnen in zijn gelaat

gegroefd. Zijn handen beefden, toen hij de lamp tot rust bracht. In de

enkele uren sinds Howland hem als zijn gevangene op den heuveltop had

achtergelaten, was hij een oud man geworden. Zelfs zijn schouders

zakten, toen hij zich van de lamp naar den ingenieur wendde, naar voren

op een wijze, die van zwakte en van wanhoop getuigde.

„Ik had gehoopt, dat ik u dood zou vinden, M'sieur,” herhaalde hij met

een stem zóó zacht, dat zij buiten de deur niet gehoord kon worden. „Het

was daarom, dat ik geen verband om uw wond legde en u geen water gaf,

toen zij u aan mijn zorg overlieten. Ik hoopte, dat gij zoudt

doodbloeden. Dat zou voor ons beiden gemakkelijker zijn geweest.”

Hij haalde een tweede tabouret onder de tafel uit en zette zich

tegenover Howland. De twee mannen staarden elkaar aan over het

sputterende restant van de kaars. Vóór de ingenieur nog was bekomen van

zijn verbazing over het plotselinge verschijnen van den man, dien hij

veilig en wel meende opgesloten te hebben in de oude hut, vielen

Croisset's speurende oogen op de massa versplinterd hout bij de

ventilatie-opening.

„Te laat, M'sieur,” zei hij veelbeteekenend. „Zij houden daar de wacht.

Het is onmogelijk voor u om te ontsnappen.”

„Datzelfde dacht ik van jou,” hernam Howland, zich dwingend om kalm te

blijven. „Hoe heb je het geleverd?”

„Al gauw nadat zij u hadden gepakt, M'sieur, kwamen zij naar boven om

mij te bevrijden. Ik ben dankbaar, dat ge aan mij dacht, want als ge het

hun niet hadt verteld, dan zou ik daar van honger gestorven zijn, als

een beest in een val.”

„Dat is het werk geweest van Meleese,” zei Howland. „Ik vertelde het

haar.”

Jean liet het hoofd op de handen vallen.

„Ik ben juist bij Meleese geweest,” fluisterde hij zacht. „Zij laat u

hartelijk groeten, M'sieur en zij zegt, dat ge alle hoop nog niet moet

opgeven. Groote God—als zij maar wist—als zij maar wist, wat er gaat

gebeuren! Niemand heeft het haar verteld. Zij wordt gevangen gehouden

in haar kamer en na dàt—na wat er daarginds op de vlakte gebeurde,

toen zij naar buiten kwam en als een krankzinnige vocht om u te

redden—zullen zij haar de vrijheid niet teruggeven eer alles voorbij

is. Hoe laat is het, M'sieur?”

Howland voelde een klamme siddering over zijn rug gaan, toen hij op zijn

horloge keek.

„Halfvijf.”

De half-ras huiverde; zijn vingers sloten en openden zich op

zenuwachtige wijze, terwijl hij dichter tot zijn metgezel overboog.

„De Heilige Moeder Gods zij mijn getuige, dat ik tien jaar van mijn

leven zou willen missen, als ik u daarmee de vrijheid terug kon geven,”

fluisterde hij snel. „Ik zou het dadelijk doen, M'sieur. Ik zou u o zoo

graag willen helpen, als ik er maar kans toe zag. Zij houden de wacht in

de kamer boven aan de trap en om zes uur—”

Het was of zijn stem stokte en hij kon niet verder gaan.

„Om zes uur—wat dan?” drong Howland aan. „Mijn God, man—waarom kijk je

zoo benauwd? Wat zal er om zes uur gebeuren?”

Jean richtte zich op. Er glom een vonk van het oude vuur in zijn blik en

zijn stem klonk vast en helder, toen hij weer begon te spreken.

„Ik kan geen tijd vermorsen met meer gepraat, M'sieur,” zei hij bijna

barsch. „Zij weten nu, dat ik het was, die voor u vocht—en voor

Meleese—op het Groote Pad naar het Noorden. Zij weten nu, dat ik het

was, die u aan de Wekusko gered heb. En Meleese kan mij evenmin redden

als u en om mijn lot nog te verzwaren, hebben zij mij tot hun

boodschapper gemaakt en tot—”

Weer hield hij in, half verstikt door zijn woorden.

„Tot wat?” drong Howland aan, tot hem overbuigend met een gelaat zoo wit

als de talk in het kleine schoteltje op de tafel.

„Tot hun beul, M'sieur.”

Met zijn handen vast op de tafel gedrukt, zat Jack Howland stram en

stijf als was er een electrische schok door hem heen gegaan.

„Groote God!” hijgde hij.

„Maar eerst zal ik u nog een verhaal doen,” ging Croisset voort, zijn

oogen op die van den ingenieur richtend. „Het is niet lang en ik bid

God, dat ge het moogt opnemen, zooals wij menschen van het Noorden het

opnemen. Het begint een zestien jaar geleden.”

„Ik zal mijn best doen om je te begrijpen, Jean,” fluisterde Howland.

„Ga maar door.”

„Het is gebeurd in een nederzetting van de Compagnie,” zei Jean, „en

het heeft te doen met M'sieur den agent en met zijn vrouw—de witte

engel—zooals wij haar noemden. _Mon Dieu_, wat hadden wij haar lief!

Niet met zondige liefde, M'sieur, maar met iets, dat heel nabij komt aan

de vereering, die wij de Heilige Maagd toedragen. En onze liefde was

maar kinderspel vergeleken bij de liefde van die twee menschen voor

elkaar. Zij was mooi, heerlijk mooi—zooals alleen wij vrouwen kennen,

daar boven in de sneeuw; zij was even mooi als Meleese, die de jongste

is van haar vier kinderen. Onze nederzetting was de gelukkigste van

heel het Noorden, M'sieur,” ging Croisset voort na een oogenblik van

stilzwijgen—„en dat kwam alleen door die twee menschen, maar vooral

door de vrouw. En toen de kleine Meleese geboren werd—zij was het

eerste blanke kleintje, dat we ooit hadden gezien—toen werd onze

genegenheid voor die twee tot iets wat bijna heiligschennis was

tegenover de lieve Moeder Gods. Misschien is het u niet mogelijk om zulk

een liefde te begrijpen, M'sieur; ik weet, dat niemand die begrijpen

kan. Zij is iets ongekends in de wereld, die gij de beschaafde

noemt—want ik ben daar geweest en ik heb daar rondgekeken. Wij zouden

in den dood zijn gegaan voor de kleine Meleese en voor die andere

Meleese—haar moeder. Wij zouden onze eigen broers gedood hebben,

M'sieur, als zij maar een woord ten nadeele van haar hadden gesproken

of de moeder een onreinen blik hadden toegeworpen. Zóó lief hadden wij

haar, dezen winter zestien jaar geleden—en zóó lief hebben wij nog

altijd haar nagedachtenis.”

„Zij is dus dood?” vroeg Howland, in die angstige oogenblikken vergetend

van hoeveel beteekenis het verhaal van Jean voor hem kon zijn.

„Ja, zij is dood, M'sieur; zal ik u vertellen hoe zij stierf?”

Croisset sprong op, zijn oogen schoten vuur, zijn lenige gestalte

trilde als die van den wolf, terwijl hij zich voor een oogenblik half

over den ingenieur heenboog.

„Zal ik u vertellen, hoe zij stierf, M'sieur?” herhaalde hij, op zijn

tabouret terugvallend en de lange armen over de tafel uitstrekkend.

„Het geschiedde zóó—nu zestien jaar geleden, toen de kleine Meleese nog

maar vier jaar oud was en de oudste van haar broers nog maar veertien.

Dien winter kwam een man uit Chicago met zijn zoon naar het Noorden. Hij

had introductiebrieven van den hoofdagent aan de baai en onze agent en

zijn vrouw zetten hun huis voor hen open en gaven hun alles wat zij

vermochten te geven.

_Mon Dieu_, die man kwam uit uw heerlijke beschaafde wereld, M'sieur,

uit dat land in het Zuiden, waar—zooals zij zeggen—de tempels van

Christus op alle vier hoeken staan, maar onzen God en de wetten van ons

volk kon hij niet begrijpen! Maanden lang had hij het gezelschap van

vrouwen ontbeerd en in deze wildernis was de vrouw van den agent voor

hem als een bloesem in een woestijn. Ah, M'sieur, ik doorzie nu hoe zijn

bedorven hart alles naar eigen begeerte trachtte te regelen—en hoe hij

te kort schoot omdat de glorie van onze vrouwen hier in het hooge

Noorden direct van den hemel komt! En doordat hij zich teleurgesteld

gevoelde, werd hij razend—razend van den hartstocht, die het ras

beheerscht, dat ik te Montreal heb leeren kennen en toen—o groote God,

M'sieur, begrijpt gij nog niet, wat er toen gebeurde?”

Croisset hief het hoofd op; zijn gelaat was vertrokken. Met trillende

neusvleugels en zwoegende borst staarde hij Howland aan. Maar op diens

gezicht las hij alleen belangstelling en de gespannen verwachting van

wie slechts half begrijpt. Opnieuw leunde de half-ras over de tafel en

deed hij een krachtige poging om zichzelf te beheerschen.

„Het was juist op een tijd, dat de meesten onzer bij de trappers

vertoefden—onmiddellijk vóór de groote voorjaarsmarkt, wanneer de

bewoners van het woud binnenkomen met hun voorraad huiden, M'sieur. De

nederzetting was bijna verlaten. Begrijpt ge het? De vrouw was alleen in

huis met de kleine Meleese—en toen wij 's avonds terugkeerden, was zij

dood. Ja, M'sieur, zij maakte zelf een eind aan haar leven en in een

paar regels schrift, die zij voor haar man achterliet, vertelde zij wat

er gebeurd was.

„Het gelukte den misdadiger en diens zoon om te ontsnappen. En o hoe

haastten zich de mannen van het woud om die slee te vervolgen! Loopers

brachten de tijding tot over de bergen en door de moerassen en honderden

van sleden doorzochten de woudpaden om dien duivel en zijn zoon op te

sporen. Het was de agent zelf met zijn jongsten zoon, die hen ver weg

op het Pad naar Churchill inhaalde. En weet ge wat er toen gebeurde,

M'sieur? Dit: terwijl de onverlaat zijn honden aanzette, keerde de zoon

zich om; hij vuurde en een van zijn kogels trof den ongelukkigen agent

in het hart. Op die wijze verloor de kleine Meleese binnen vier en

twintig uur tijds vader en moeder en dat alles door de twee ellendigen,

die Satan scheen te hebben uitgezonden om het mooiste en het liefste

te vernietigen, wat wij ooit hier in het Noorden hebben gekend. O

M'sieur—gij wordt bleek—roept het niet een visioen op voor uw oogen?

Hoort ge niet, dat geweerschot? Ziet gij niet—”

„Groote God!” hijgde Howland. Zelfs nu begreep hij niets van wat deze

tragedie voor hem beteekende; hij wist alleen, dat hij luisterde naar

het vreeselijke, dat de moeder van Meleese was overkomen. Toen Croisset

stilhield, verhief de ingenieur zich half van zijn zitplaats; zijn

oogen schitterden, zijn bleek gelaat was strak vertrokken, zijn nagels

groefden zich in de planken van de tafel, toen hij vroeg: „En wat

gebeurde er daarop, Croisset?”

Met den loerenden blik van een wild dier keek de half-ras hem aan.

„Zij ontkwamen, M'sieur,” zei hij zacht.

Met een diepen zucht zonk Howland terug. Maar al spoedig wendde hij

zich opnieuw tot Jean, in wiens oogen een sluimerend vuur smeulde,

dat overging in hevigen toorn, toen hij enkele seconden later uit

een binnenzak van zijn buis een pakje haalde, in zacht gelooid leer

gewikkeld en stevig vastgebonden.

„Dit is wat zij u zenden, M'sieur,” zei hij. „„Geef het hem op het

allerlaatst te lezen,” hebben zij mij gezegd.”

Met zijn oogen op het pakje gevestigd en nauwelijks ademhalend, wachtte

Howland, terwijl de bruine vingers van Croisset het touwtje losmaakten,

dat alles bijeenhield.

„Gij moet eerst voelen, wat dit alles is voor ons menschen van het

Noorden, M'sieur,” zei Jean, zijn handen op het pakje leggend, nadat

hij het touwtje had weggenomen. „Wij menschen van het hooge Noorden,

wij zijn heel anders dan de bewoners van Montreal en van de andere

steden. Bij ons is de heele duur van een leven niet te lang om gewijd

te worden aan wraak voor een geleden onrecht. Dat is het eergevoel van

het Noorden. Sedert ik mijzelf, als kind en half uitgehongerd, naar de

nederzetting sleepte, omdat mijn moeder aan de pokken was gestorven,

hebben die agent en zijn vrouw mij liefderijk verzorgd en opgevoed. Zoo

werd ik als een broer voor Meleese en voor de andere drie. Ik was nog

maar vijftien jaar, toen het ontzettende gebeurde.—De jaren gingen

voorbij en de drang naar wraak wies in ons, naarmate wij zelf ouder

werden, totdat die het hoofddoel vormde van heel ons bestaan; zelfs het

onschuldige hart van de kleine Meleese, die wij, toen ze elf jaar was,

in Montreal naar school zonden, was er van vervuld. Het was drie jaar

later—en zij bevond zich nog daar, toen ik op een van mijn speurtochten

bij een nederzetting aan het boveneinde van het Groote Slavenmeer kwam

en daar—M'sieur—daar—”

Croisset was opgestaan. Hij stak de lange armen uit, wierp het hoofd

terug en hief het gelaat op, vervuld van een hartstocht, die bijna een

gebed leek.

„M'sieur, ik dank den grooten God in den hemel boven ons, dat het aan

Jean Croisset werd gegeven om een van de ellendigen te ontmoeten, voor

wier ontdekking wij ons leven hadden verpand—ik doodde hem!”

Hij stond met half gesloten oogen en het was alsof hij bad. Toen hij

weer in zijn stoel terugzonk, was de blik van haat van zijn gelaat

verdwenen.

„Het was de vader en ik doodde hem, M'sieur—ik doodde hem, heel

langzaam. Ik kneep zijn keel dicht, terwijl ik hem vertelde wat hij

gedaan had—om vervolgens het leven bij vleugjes in hem te laten

terugkeeren, totdat hij mij had medegedeeld, waar ik zijn zoon—den

moordenaar van den vader van Meleese—kon vinden. Eerst daarna schroefde

ik hem de keel toe, tot hij dood was. Mijn honden sleurden zijn lijk

langs driehonderd mijlen van sneeuw naar onze nederzetting, want ik

wilde, dat ook de anderen hem zouden zien en zouden weten, dat hij

werkelijk dood was. Dat is nu zes jaar geleden gebeurd, M'sieur.”

Howland was nauwelijks bij machte om adem te halen.

„En de andere—de zoon—” fluisterde hij snel. „Heb je hem gevonden,

Croisset? Heb je hem ook gedood?”

„Wat zoudt gij gedaan hebben, M'sieur?”

Howland greep de handen, die nog op het pakje rustten.

„Ik zou hem gedood hebben, Jean,” zei hij langzaam en op vasten toon.

„Ik zou hem gedood hebben,” herhaalde hij nog eens.

„Daar ben ik blij om, M'sieur.”

Jean vouwde het leeren zakje open, plooi voor plooi, tot er eindelijk

een rolletje papier uit te voorschijn kwam—vuil en geel langs de

kanten.

„Deze bladzijden werden genomen uit het dagboek van de nederzetting,

waar die vrouw woonde,” zei hij zacht, het papier met de hand glad

strijkend. „De agent van een post moet elken dag noteeren wat er

gebeurt, net als de zeekapiteins aan boord van hun schepen, zooals ze me

wel eens verteld hebben. Dat is al meer dan honderd jaar een wet bij de

Compagnie. Wij hebben die bladzijden voor ons behouden, M'sieur. Zij

vertellen van wat zestien jaar geleden in onze nederzetting plaats had.”

Al sprekend was de half-ras tot dicht bij Howland genaderd en hij

streek nu vóór hem op de tafel nog eens de eerste bladzijde glad,

daarbij met zijn bruinen vinger op de beginregels wijzend.

„Zij kwamen op dezen dag,” zei hij met zijn mond bijna tegen het oor van

den ingenieur. „En hier zijn hun namen, M'sieur—de namen van die twee

duivels, die het paradijs verwoestten, dat onze Lieve Vrouwe ons jaren

geleden geschonken had.”

In een oogwenk las Howland de weinige regels. Het was of het bloed

hem in de aderen stolde en of zijn hart stilstond. Want dit waren de

woorden: „Op den dag van heden zijn van den kant van Churchill in onze

nederzetting binnengekomen John Howland en diens zoon.”

Met een scherpen kreet sprong de ingenieur op en plaatste hij zich, zijn

tabouret omverwerpend, met gebalde vuisten voor Croisset, als gereed om

op dezen los te springen. Maar Jean bleef kalm; zijn witte tanden

glinsterden en langzaam stak hij de hand uit.

„M'sieur Howland, wilt ge lezen wat er zestien jaar geleden gebeurd

is met de ouders van de kleine Meleese? Wilt ge het lezen en inzien

waarom men u op het groote Pad naar het Noorden naar het leven stond,

waarom ge in die coyote aan de Wekusko op een kist met dynamiet werd

geplaatst—waarom gij vanmorgen om zes uur, bij het begin van den

dageraad—”

Hij hield in en huiverde. Het was als merkte Howland niets van de

ontzettende pogingen, die Croisset aanwendde om zichzelf te beheerschen.

Met het nog half suffe zwijgen van iemand, die na een hevigen schok weer

tot zichzelf komt, keerde hij zich naar de tafel en boog hij zich over

de papieren, die Jean voor hem had uitgespreid. Vijf minuten later

beurde hij het hoofd op. Zijn gelaat was krijtwit en er hadden zich

diepe lijnen om den mond gegroefd. Hij streek, zooals een zieke zou

doen, met de hand over zijn oogen en door zijn haar. Maar die oogen

schoten vuur. Onwillekeurig nam Jean de houding aan van iemand, die een

aanval wil afslaan.

„Ik heb het gelezen,” zei Howland met heesche stem en als kostte het hem

moeite om de woorden te uiten. „Ik begrijp het nu. Mijn naam is John

Howland en zoo heette mijn vader vóór mij. Ik begrijp het nu.”

In de daaropvolgende stilte ontmoetten de oogen van de twee mannen

elkaar.

„Ik begrijp het nu,” herhaalde de ingenieur, en hij kwam een schrede

vooruit. „Maar jij, Jean Croisset, geloof jij werkelijk, dat ik _die_

John Howland ben—John Howland, de zoon, die—”

„Het doet er niet toe wat ik geloof of niet geloof, M'sieur. Ik heb hier

maar één ding te vertellen en maar één ding te overhandigen,” antwoordde

de half-ras. „Zij, die u trachtten te dooden, zijn de drie broeders van

Meleese. Ons land is een wonderlijk land, M'sieur; het wordt van den

beginne af beheerscht door wetten, die wij zelf in het leven hebben

geroepen. In de oogen van de mannen, die in de kamer hier boven de wacht

houden, bestaat er geen foltering, pijnlijk genoeg voor u. Zij hebben uw

doodvonnis uitgesproken. Vanmorgen, zoodra de wijzers van uw horloge zes

uur aangeven, zult ge worden doodgeschoten door een van die gaten in den

kerkerwand. En dit—een briefje van Meleese—is al wat ik u nog te geven

heb.”

Jean legde een dichtgevouwen papier op de tafel en als werktuiglijk stak

Howland er de hand naar uit. Zichzelf maar ten deele bewust van zijn

handelingen—sprakeloos en als versteend na het aanhooren van zijn

doodvonnis, spreidde hij het briefje voor zich uit. Het bevatte maar

enkele woorden, die klaarblijkelijk in groote haast en ontsteltenis

waren neergeschreven.

„Ik heb den heelen nacht voor u gebeden. Verhoort God mijn

smeeken niet, dan zal ik toch mijn belofte gestand doen en

u volgen.

Op het onheilspad · 第 21 / 26 题