Door een groote groep vrienden werd ons Woensdagmorgen in Deli
uitgeleide gedaan, vrienden, die werkelijk niet noodig hadden
door bloemen en souvenirs hun aandenken bij ons levendig te
houden. Onze gedachten zullen zeker nog menigmaal naar Sumatra's
Oostkust teruggevoerd worden en met de grootste sympathie zullen
wij gedenken allen, die wij daar ontmoet hebben. Mrs. Catt benijdt
mijne, in dit opzicht, begunstigde positie, omdat ik mag hopen en
verwachten allen vroeg of laat in het vaderland terug te zullen zien;
maar op hare verzuchting: "where and when shall I meet them again",
kon ik moeilijk het juiste antwoord geven.
De Koninklijke Paketvaartmaatschappij had juist deze week niet haar
beste schuit in de vaart; wij moesten ons met de "Van Noort" tevreden
stellen, een boot, die ik het best kan definieeren door de mededeeling,
dat zij weldra aan de vaart, ten minste op deze zijlijn, zal worden
onttrokken; en dat is goed ook. Deze boot strekt de maatschappij niet
tot eer; het is niets te vroeg, dat er een andere voor in de plaats
komt. Laat ik hopen, voor de reizigers, die na mij komen, dat dan
op de keuken en wat daaruit te voorschijn komt, een ander toezicht
wordt uitgeoefend. Het lijkt nu allemaal te veel op de menage van
een welgestelde burgerhuishouding uit Groningen's of Friesland's
achterhoek, in plaats van op de tafel van een eerste-rangshotel,
waarop men als eerste klasse-passagier toch min of meer aanspraak mag
maken. Zuurkool met spek, snijboonen met worst, hutspot met wortelen
en uien, dikke erwtensoep met varkenskluifjes en zulke schotels meer,
mogen onze Hollandsche kelen strelen als wij 's winters een flinken
tocht op schaatsen achter den rug hebben en bij onze Hollandsche
oud-Indische gasten een aangename herinnering wekken aan moeders
pappot, maar bij een temperatuur van 90 gr. Fahrenheit en hooger en
dan voor Fransche, Engelsche, Amerikaansche en andere toeristen, die
aan zulk eten heelemaal niet gewend zijn, is zulk een menu, middag na
middag, eenvoudig ongenietbaar en onverteerbaar. Als mede-passagier
hoort men de gegronde klachten daarover in den regel meer en krachtiger
uiten dan de directie van de maatschappij, of de hoofdpersonen op
het schip. Om die reden wil ik er hier melding van maken.
De reis tusschen Deli en Batavia is een zeer aangename, omdat die vol
afwisseling is. Men is op zee, doch men ziet nog iets anders dan lucht
en water. Onophoudelijk gaat men links en rechts tusschen de vele
eilandjes door, die in de straat Singapore, in de Chineesche Zee,
de straat Banka en andere straten voorkomen en die met het bloote
oog zeer duidelijk te zien zijn. Met een goeden kijker kan men zelfs
de vegetatie op de meeste dier eilandjes zeer goed vaststellen.,
Ook biedt het oponthoud in Singapore een interessante afleiding. Wij
kwamen daar Donderdag tegen den avond aan en gingen direct na het
eten met den kapitein en een ander heer als geleiders eenige uren
aan wal. De stad lag echter zoo in het duister, dat er niet veel
te zien viel. Alleen een rijtoer langs de haven, met de tallooze
schepen van heinde en ver, alle voorzien van de noodige lichten,
bood een mooi gezicht. Vrijdagmorgen gingen wij, met de drie andere
dames, die met ons de reis van Deli gemaakt hadden, reeds om zeven
uur aan wal om gezamenlijk de stad te doorkruisen. Vijf rickshaws
waren spoedig genomen en toen gingen wij in gezelligen optocht
alle bijzonderheden van de stad zien, een bezoek brengen aan de
botanische tuinen, die in deze tropische steden altijd een bezoek
overwaard zijn, de Singapore'sche waterwerken bewonderen en toen
naar den weg, die naar het Chineesche kerkhof leidt. Het was voor de
Chineezen een soort heilige dag, een dag, die aan de dooden gewijd
wordt. Het kerkhof was te ver af, dat konden wij niet meer bereiken,
doch op den grooten weg daarheen zagen wij onophoudelijk een dichten
drom Chineezen, mannen, vrouwen en kinderen, in automobielen, eigen
rijtuigen, gharries of rickshaws gezeten, allen voorzien van de vele
verschillende offeranden, die ter eere der dooden op hun graf verbrand
zouden worden. Wat wij daar hebben zien heendragen, zou genoeg zijn om
een geheel dorp weken lang te onderhouden. Speenvarkens of dieren, die
er heel veel op gelijken, zagen wij geheel gevild en met een rijstrand
en andere ingrediënten voorzien, keurig opgemaakt, herhaalde malen
ons voorbij trekken. Taarten, vruchten, groenten, visch, vleesch,
doch ook stukken huisraad, doeken en shawls, en vooral tallooze
bundels goud- en zilverpapier met spreuken, aan de dooden gewijd,
waren alle bestemd om verbrand te worden, om de geesten der lieve
afgestorvenen van stoffelijk en geestelijk voedsel te voorzien.
Singapore maakt bij avond en bij dag geen bijzonder aangenamen
indruk. In de stad treedt het Chineezen-element sterk op den voorgrond
en men voelt als bij intuïtie, dat men China en de Chineezen niet
mag beoordeelen naar de exemplaren, die men in deze havenstad
ziet. Vooral niet naar hetgeen spreekt uit de tronies der mannen
en vrouwen, die in de straten nabij de haven wonen en die leven van
hetgeen zij bemachtigen kunnen van de op zee verdiende centen van het
lagere scheepsvolk. Opmerkelijk was het, hoe in Singapore bijna alle
Chineezen hun staart hebben verloren, een bewijs, dat geen hunner meer
twijfelt aan het voortbestaan der republiek, anders zouden zij wel wat
voorzichtiger met dat kenteeken zijn geweest. Zonder staart hebben
zij uiterlijk alle aantrekkelijkheid verloren en hebben vervelende,
domme gezichten.
Toen wij om twaalf uur op het schip terugkwamen, leverde het dek van
de boot een voor ons geheel nieuw gezicht. Wij hadden in Singapore
tal van medereizigers verkregen, zoodat elke hut geheel gevuld was, en
alle scheepsofficieren zelfs hunne hutten hadden moeten afstaan. Ons
gezelschap, dat eerst hoofdzakelijk Hollandsch was, was nu opeens
zoo cosmopolitisch mogelijk geworden. Heeren en dames van alle natiën
zouden de 36 uren, die ons nog van Batavia scheiden, de boot met ons
deelen. Ik kwam al ras tot de ontdekking, dat het toch wel goed was,
dat er een gedrukt voorschrift, in drie talen, in een van de salons
hing, hoe men zich op het schip heeft te kleeden en te gedragen. Toen
ik dat voor het eerst zag, kon ik een glimlach niet onderdrukken,
maar nu begon ik het toch te apprecieeren. Een Hollandsche gravin,
die Fransch sprak, en Hollandsch vloekte; eene Fransche baronne,
samen met een Belg, die zich voor Franschman uitgaf; eenige Engelsche
jockey's op weg naar Australië; en nog vele van die interessante typen
meer, die ik niet nader wil aanduiden, vormden den groep nieuwe eerste
klasse passagiers.
Op Banka legden wij even aan, om de mail aan boord te nemen, een paar
koelies aan wal te laten gaan en om een geëmployeerde van Muntok even
gelegenheid te geven, eenige formaliteiten uit te voeren. Het was
jammer dat dit alles slechts minuten duurde en er van een aan wal
gaan geen sprake kon zijn. Ik had zoo graag even een kijkje genomen
op het eiland, dat ons zoo braaf van tin voorziet.
De vier dagen aan boord van de "Van Noort" gingen snel, veel te snel
om, want niet alleen dat de reis gezellig en vol afwisseling was,
maar ook de frissche zeelucht koelde de temperatuur genoegzaam af,
om het ons des daags op het dek en des nachts in de hut héél aangenaam
te maken.
In plaats van Zondagmorgen bij het ochtendgloren in Tandjong
Priok vastgemeerd te liggen, zooals ons voorspeld was, hadden de
goedgeloovigen, die al om 6 uur klaar stonden, om aan wal te gaan,
nu gelegenheid eerst te genieten van het mooie gezicht op de Duizend
Eilanden, waarvan vooral Edam, met zijn grooten vuurtoren, en met een
zee van geel morgenlicht overgoten, heerlijk groen tegen den blauwen
horizon afstak. Het eene eilandje voor, het andere na, dook uit de zee
op, tot wij eindelijk de haven van Priok in het gezicht kregen. Het
was werkelijk niet alleen mijn Hollandsch hart, dat sprak, het waren
de frisch groene oevers, groen in velerlei kleurschakeering en frisch
door de pas afgeloopen plasregens, die met het rood en zwart van de
nieuw geverfde schepen in de haven een zoo vroolijk en vriendelijk
geheel vormden, dat zij mij van verre reeds den indruk gaven, alsof
Batavia ons tegenlachte en die ons den vriendelijksten welkomstgroet
boden, die ons tot nog toe uit een van de vele havens die wij reeds
op onzen reis aandeden, gewerd. "O, kijk eens, hoe heerlijk frisch
en vriendelijk de haven er uit ziet," riep ik mijn reisgezellin,
die minder vertrouwend op de voorspellingen van aankomst eener boot
haar morgenslaap niet te vroeg had onderbroken, door het hutvenster
toe. Zij lachte even; zij plaagt mij reeds lang, dat ik in Java alles
van te voren reeds naar mijn hart vindt, doch toen zij eindelijk toch
bovenkwam, moest ook zij toegeven, dat dit de vriendelijkste haven was,
die wij tot nog toe aandeden.
Maar toen gebeurde iets, dat een schaduw goot over mijn trotsch
Hollandsch hart. Toen wij ten slotte vastgemeerd aan den steiger
lagen, klonk het kapiteinlijk bevel, dat niemand van boord mocht gaan
en niemand aan boord mocht worden toegelaten, vóór dat alle eerste-
en tweede-klasse passagiers voorzien waren van "een toelatingskaart in
Java". Dat is wat nieuws, en eerst met 1 April 1912 ingevoerd. Niemand
mag een schip verlaten, om in Java aan land te gaan, zonder voorzien te
zijn van een bewijs, dat hij of zij.... ja, wat eigenlijk is. Als men
in Indië geboren of Nederlander is, dan krijgt men zoo'n bewijs voor
niets, alle anderen hebben voor dat papiertje f 25 te betalen. Dit
geld kunnen zij weder terug ontvangen, als zij binnen zes maanden
Java verlaten.
Op mijne aan verschillende personen, die het konden weten, gestelde
vraag, wat deze maatregel beteekende, kreeg ik steeds ten antwoord,
"om minder gewenschte elementen te weren". Maar dat kan toch onmogelijk
de reden zijn, want "minder gewenschte elementen", die eerste en
tweede klasse reizen, kunnen immers voor f 25 een toelatingsbewijs
koopen. Wil de regeering weten, nu de toeloop van toeristen in
Java wat begint toe te nemen, wie de personen zijn, die het eiland
doorkruisen, dan kan zij elken nieuweling een vragenlijst laten
invullen, zoodat men alle bijzonderheden (als zij ten minste naar
waarheid zijn ingevuld) van de tijdelijke of blijvende gasten kent,
maar om een sommetje van f 25 te vragen van elken niet-Nederlander,
die Java binnentreedt, lijkt mij een regeeringsmaatregel, die toont,
"dat een klein land in kleine zaken heel klein kan zijn." Bovendien
veroorzaakt deze maatregel een oponthoud van vele uren, uren, die
men daar op het schip wachtende moet doorbrengen, totdat allen zoo'n
toelatingsbewijs ontvangen hebben, en dat op een oogenblik, dat naaste
familieleden daar beneden aan wal staan te wachten, hunkerend naar het
oogenblik van wederzien; uren, die mannen van zaken ontstolen worden
van hun duren tijd, die dikwijls met zoovele malen vijf en twintig
gulden niet te betalen zijn. Was het wonder, dat elkeen mopperde
over dezen maatregel en elkeen overtuigd was, dat het onmogelijk is,
dien op den duur te handhaven. Wij, op dit betrekkelijk kleine schip,
hadden daardoor reeds een zoo lang oponthoud, maar hoe zal dat zijn
als de groote schepen met een paar honderd passagiers aan boord
binnenkomen! En al die last en moeite voor een imaginair voordeel!
Toen wij eindelijk verlof kregen om het schip te verlaten,
vonden mrs. Catt en ik daar beneden aan den steiger een vijftal
dames, bestuursleden van de ledengroep in Ned.-Indië, om ons
te verwelkomen. Drie lieve hoogere burgerscholiertjes, evenals
de dames bestuursleden in wit gekleed, en met strikjes van de
vrouwenkiesrechtkleuren getooid, boden mrs. Catt en mij elk een
bouquet aan van witte chrysantemums en goudgele bloemen, ook daarin
zich strikt houdende aan onze eigen kleuren. Een heer, de heer Nittel,
was zoo vriendelijk geweest de dames te vergezellen en ons in alles,
maar voornamelijk met de bezorging van onze bagage, van grooten
dienst te zijn. Eenmaal in Tandjong Priok aan wal gestapt, waren alle
zorgen ons ontnomen, voor alle gebeurlijkheden had men voorbereidende
maatregelen getroffen, wij hadden slechts in den gereedstaanden trein
te stappen om met het heele gezelschap in een gereserveerden waggon,
naar Batavia te sporen.
Ook daar was reeds voor alles gezorgd. In het Hotel der Nederlanden
was een mooi paviljoen voor ons afgehuurd en daar vonden wij een
grooten standaard van witte en goudgele bloemen van de bestuursleden,
een groote mand bloemen in dezelfde kleuren van de presidente en
bovendien nog een zeer mooie mand bloemen van eenige oude vrienden
uit het vaderland. Een baboe, die ons gedurende ons verblijf hier is
toegevoegd, zorgde voor de ontpakking onzer koffers; wij konden ons
in de koele voorgalerij nederzetten om even van onze bewondering en
verwondering te bekomen. Want lang liet men ons niet met rust. Reeds
spoedig kwamen de reporters van verschillende couranten ons interviewen
om van onze reiservaringen te vernemen en over onze reisplannen in
Java het nadere te hooren. Maar 't was gelukkig de eerste Paaschdag
en er viel daarom voor ons op dien en den volgenden dag niet veel
te doen. Om half zes 's avonds kwam mijne zuster, de apothekeres
Charlotte Jacobs, die reeds bijna 30 jaren in Batavia woont, ons
afhalen voor een rijtoer, die echter na korten tijd onderbroken moest
worden door de hevige stortbuien, die ons plotseling overvielen. Den
kalmen Maandag, die ons nog van de zeer drukke voor ons liggende week
scheidde, gebruikten wij om het Museum van Batavia te bezichtigen. Wij
vertoefden er van 's morgens half tien tot twaalf uur en zijn nog lang
niet half dit buitengewoon belangrijk museum van Indische kunst en
oudheden door. Wij hopen er nog een anderen heelen morgen heen te gaan.
Op onze geheele reis hebben wij nergens verzuimd de musea te bezoeken,
doch eene zoo belangrijke, leerrijke en kostbare verzameling als in
het museum te Batavia, hebben wij nergens aangetroffen. De dochter van
den directeur, mej. Tine Prange, had de goedheid ons dit interessant
gebouw rond te leiden en ons op alle bijzonderheden opmerkzaam te
maken. Zij was wel de meest gewenschte persoon, die wij voor dat doel
konden treffen, want niet alleen is zij in het museum, waar haar vader
de scepter voert, geheel tehuis, maar zij is zelf de bezitster van
eene zoo belangrijke en kostbare verzameling van oud-Indische kunst,
dat men ook aan hare particuliere collectie eenige interessante uren
kan besteden. Deze veelzijdig ontwikkelde vrouw, die met zeer veel
verstand en overleg een eigen verzameling opbouwt, is haar vader in
zijn veel omvattend werk een groote steun.
Allerzonderlingst keek ik op, toen ik vernam, dat het museum in
Batavia, met zijn kostbaren en belangrijken inhoud, geen nationaal
bezit is, doch dat het opgebouwd en in stand gehouden wordt door
eene vereeniging, wier leden eene jaarlijksche bijdrage leveren of
een contributie betalen. Van het al of niet voortbestaan van zoo'n
vereeniging, van het al of niet in kas hebben van veel of weinig
geld, hangt dus de in standhouding en den verderen opbouw van dit
belangrijke museum af. Wordt het niet tijd, dat de regeering er toe
overgaat deze kostbare verzameling te annexeeren en de in standhouding
en uitbreiding te verzekeren, onafhankelijk van den wisselvalligen
kasinhoud eener particuliere vereeniging?
Morgen begint ons werk hier en daar alles door de ledengroep van
Batavia uitstekend is voorbereid, hopen wij op groote belangstelling.
Batavia, 9 April 1912.