Ik was mij niet bewust, toen ik den vorigen brief op het schip van
de Messageries Maritimes zoo plotseling eindigde, omdat Port Saïd in
het gezicht kwam en ik mij gereed moest maken om aan wal te gaan,
wat mij boven het hoofd hing. Wel had ik 's morgens tot een mijner
medereizigsters de opmerking gemaakt, dat op een zoo vuil schip,
waarop eerste, tweede, derde en vierde klasse passagiers broederlijk
en zusterlijk op het dek dooreenwandelden, er slechts een verdacht
ziektegeval onder één van de lagere klassen behoeft voor te komen om
ons allen in quarantaine te doen gaan. Maar ik dacht er niet aan,
dat dit werkelijk het geval zou worden. Smeriger booten dan die
Fransche booten kan men zich niet voorstellen. Voor de eerste klasse
passagiers was alleen de eetzaal gereserveerd; maar daar vlak daarboven
een hal was, waar elkeen kon komen, heerschte er den geheelen dag een
drukkende, bijna niet uit te houden atmosfeer. Maar boven op het dek
was het heelemaal niet te zijn, daar lagen en zaten in alle hoeken en
gaten, op alle banken en stoelen, de geurige en kleurige Arabieren,
die met hun heele hebben en houden op weg waren om van vaderland
te verwisselen. De onschuldige kindertjes van deze natuurmenschen
vermaakten zich met kinderlijke spelen en deponeerden tusschen de
bedrijven door kleine plasjes en vaster bestanddeelen op de plekjes,
die zij daarvoor geschikt vonden.
Er waren 1228 passagiers aan boord; daarvan waren er bijna 1000
tusschendekspassagiers, allen op weg naar Amerika. Ongeveer 150
van dezen moesten in Port Saïd aan wal gaan, om daar van schip te
verwisselen, de anderen gingen tot Marseille door om daar overgescheept
te worden. Deze menschen, die in eigen land en in eigen woning niet
het minste begrip van zindelijkheid hebben, vertoonen natuurlijk
nog smeriger uiterlijk op een overvulde boot, liggende kris en kras
dooreen in de maag van het schip, zonder gelegenheid zich te reinigen,
etende hun eigen meegebracht voedsel, en liggende op eigen meegebrachte
lompen. Maar dat dezulken onze reisgenooten zouden zijn, wisten wij
niet toen wij in Beirût aan boord gingen. Elkeen had ons zoo vaak
verzekerd, dat de "Messageries Maritimes" ongehinderd Port Saïd zou
kunnen binnenstoomen, dat wij aldaar alleen een medische inspectie
hadden te ondergaan, dat wij niet twijfelden aan de geloofwaardigheid
van deze inlichtingen.
Even over twaalf uur, het vastgestelde landingsuur, stoomden wij
langzaam de haven van Port Saïd binnen, passeerden wij het mooie
standbeeld van De Lesseps en wierp het schip zijn anker uit op
eenige meters afstand van de landingsplaats. Wij stonden allen
gepakt en gezakt om direct aan wal te gaan, doch men vertelde daar,
dat wij te wachten hadden op den dokter, die nog niet aan boord was
gekomen. Het was een Tantalus-kwelling voor de lieve echtgenooten,
broeders en andere familieleden, die in kleine bootjes ons schip reeds
waren tegemoet gekomen en steeds om ons heen bleven dobberen, en die
op eenige armenlengten van het liefste wat zij bezaten verwijderd
waren, en toch noch bij ons aan boord mochten komen, noch de lang
verwachten over de verschansing heen bij zich in het bootje mochten
tillen en meevoeren. Wachten, wachten, was steeds het antwoord, dat
wij kregen als wij het eene kwartier na het andere zagen verstrijken
en permissie vroegen om weg te gaan.
Om half twee begon de medische inspectie bij de eerste klasse. Wij
moesten ons in de eetzaal verzamelen, en, als onze naam werd
afgeroepen, den dokter voorbij de zaal verlaten. Dat kostte ons elk
2 shillings. Toen kwam de tweede klasse; ook dat ging goed. Daarna
de derde klasse, en gelukkig werd ook daar alles goed bevonden. Het
was toen reeds over drie uur en wij vroegen of wij nu niet aan wal
mochten gaan, maar eerst moest de vierde klasse nog geïnspecteerd
worden. En daar gebeurde het! Alles tengevolge van de stommiteit van
den Franschen scheepsdokter.
Des nachts had een oude vrouw van 70 jaar, uit de 4de klasse
passagiers, die met hare kinderen naar Amerika wilde vertrekken,
het tijdelijke met het eeuwige verwisseld; hoogstwaarschijnlijk door
de slechte atmosfeer en de voorafgaande vermoeienissen en emoties
van de reis, eenvoudig gesuffoqueerd. Dat kwam den inspecteerenden
dokter verdacht voor en toen later ook onder het scheepsvolk een
jonge man ontbrak en de dokter riep: "waar is die zieke jongen?",
scheen de argwaan te vermeerderen. Toen ten slotte de boy gevonden
was en deze opgaf, dat hij weder heelemaal beter was, alleen een
beetje....., was de maat vol. De dokter wilde geen toestemming tot
vertrek geven, hij vroeg een consult met een collega. Eerst kwam één,
toen nog een dokter aan boord, die allen heel gewichtige gezichten
zetten en nadat men ons tot zes uur in het onzekere had gelaten,
kwam toen het positieve bevel; "Niemand mag aan wal gaan, allen
moeten mede naar Alexandrië!" Het lijk van de oude vrouw, alsook de
zieke jongeling, werden aan wal gezet en men verzekerde ons positief,
dat wij in Alexandrië, na nog een medisch onderzoek, allen daar aan
wal konden gaan. Den wachtenden echtgenooten werd vergund aan boord
te komen om de mogelijke ballingschap met hunne vrouwtjes te deelen.
Ons clubje troostte zich in het lot, wij pakten den boel maar
weder uit en vlijden ons na een gezelligen avond maar weder in onze
scheepshutten ter ruste. Het was echter voor een massa passagiers een
groote teleurstelling en veroorzaakte hun groote moeilijkheden. Er
waren moedertjes met drie, vier en meer kinderen, die in Port Saïd
thuis behooren, en die nu zooveel meer onkosten hebben, zooveel
langer met die schapen onderweg moeten zijn en dood-vermoeid dezen
tocht opnieuw, ondernamen.
Tusschen acht en negen uur kwamen wij den volgenden morgen in de
haven van Alexandrië aan en daar begon de pret opnieuw. Eerst kwam
een doktertje, een Griek, aan boord en nu zouden wij, zoo heette
het, een zorgvuldiger onderzoek hebben te ondergaan. Weer werden de
namen van alle eerste klasse-passagiers in de eetzaal afgeroepen en
moesten wij voor den dokter verschijnen, de tong uitsteken en werd,
zoo te zeggen, de pols gevoeld. Voor dit laatste was echter geen tijd
genoeg en ik ben zeker dat van geen der eerste klasse-passagiers de
hartslag kon worden geconstateerd. Het werd weder middag alvorens
dit onderzoek, met gunstig gevolg voor alle aanwezigen op de boot,
was afgeloopen, doch toen wij meenden aan wal te kunnen gaan, heette
het, dat op een telegram uit Port Saïd gewacht moest worden met de
resultaten van de autopsie op de oude vrouw en het ziekteverloop van
den zieken jongeling. Heel gauw kwam dat telegram, vermeldende: dat de
jongen beter was, doch dat men van de oude vrouw niet met zekerheid
kon zeggen, dat zij geen cholera had gehad. Om die reden was het
bevel: allen, die in Egypte wilden blijven, moesten in quarantaine,
de passagiers voor Marseille konden doorgaan.
Toen werd onmiddellijk de geel-groene of groen-gele vlag in
top geheschen en werden wij beschouwd als komende van een besmet
schip. Wij waren nu gevangenen in den volsten zin van het woord, wij
hadden geen eigen wil meer, maar moesten gehoorzamen aan de bevelen
van de Egyptische politie.
Dat klinkt alles zeer gewichtig en het was het eigenlijk ook, maar wij
zagen er voorloopig alleen het komische van. Wij wisten niet wat ons
te wachten stond, niemand kon ons zeggen hoe lang de gevangenschap
zou duren en niemand kon ons eenige inlichtingen geven hoe wij het
er zouden hebben.
Om twee uur werden, stil en plechtig, vijf of zes groote
zolderschuiten, getrokken door 'n klein, vuil stoombootje, aan onze
boot vastgelegd; eerst werd alle bagage ingeladen, ook de heele
huishoudingen van de emigranten, daarna werden eerste en tweede
klasse-passagiers in één boot, de derde en vierde klasse-passagiers in
drie of vier andere booten geladen, en toen gingen wij in treurigen
optocht naar 'n afgelegen plaats, waar wij allen ontscheept, doch
onmiddellijk in een gereedstaanden trein opnieuw geladen werden. Hier
was het een onuitsprekelijke herrie, iedereen zocht naar zijn bagage
en men wilde gaarne in den trein een goed plaatsje hebben. De geheele
trein bestond alleen uit derde klasse-wagens, die er zeer primitief
uitzagen en onuitstaanbaar naar carbol roken. Er was een hooge piet,
een pasja, bij ons aan boord, die de ballingschap met ons moest deelen,
dien hielden wij in het oog en volgden hem in den waggon. Daardoor
werden wij niet met de derde en vierde klasse-passagiers vermengd en
hadden vrij goede plaatsen.
Hoe treurig de stand van zaken ook voor vele reizenden en vooral voor
de arme landverhuizers was, die daardoor misschien hun passage op de
boot naar Amerika verloren, doch in elk geval op extra kosten werden
gejaagd, het ontschepen en inschepen van zoovele nerveuse personen en
hun angst, een stuk van de bagage te verliezen, gaf toch ook menig
vermakelijk tooneeltje. Als een waggon volgeladen was, dan werden
de deuren van buiten gegrendeld, een politie-agent op post gezet,
zoodat niemand meer kon ontvluchten. Onder die politie-agenten waren er
verscheidene zwart-menschen, die nu eens met een air van autoriteit al
die wit-menschen de les lazen. Het was nog voor vier uur toen wij allen
en ook de bagage in den trein geladen waren, doch het werd over zes,
alvorens wij konden afreizen. Toen ik om vijf uur, ongeduldig geworden,
mijn hoofd eens buiten het raam stak, om te informeeren waarom wij niet
afreisden, vertelde men, dat de machinist ongeveer een uur geleden
naar de stad was gegaan, om water te halen en niet terug kwam. De
stationschef zou hem gaan zoeken en zien wat van hem geworden was. Het
resultaat van dat onderzoek hebben wij niet vernomen, maar om zes
uur zette onze trein zich eindelijk in beweging, bracht ons eerst een
eindweegs in de eene en daarna in een juist tegenovergestelde richting,
zoodat wij totaal in de war geraakten, waar men ons bracht. Het was
donker en daardoor alles heel geheimzinnig, en toen wij tenslotte aan
de Lazaretto aangekomen waren en zagen hoe wij daar aan alle zijden
door hekken en hooge muren van de overige wereld werden afgesloten,
maakte zich toch van velen een minder vroolijke stemming meester.
Wij werden er door een dame, een directrice, ontvangen, die ons
onmiddellijk onze kamers wees en ons met de orders van 't huis op de
hoogte bracht. Het zag er alles zindelijk en netjes uit, de slaapzalen
met nette, zindelijk uitziende bedden, voor vijf of zes personen
ingericht, de muren helder wit gekalkt en een goede voorraad water om
zich te verfrisschen. Spoedig kwam de eerste officier op het terrein
en deelde ons mede, dat het misschien maar voor één dag zou zijn,
dat wij zijne gasten waren. Het hing alles af van de telegrafische
berichten, die den volgenden dag uit Port Saïd verwacht werden.
Hoewel het voor ons eerste klasse-passagiers best uit te houden
was, waren wij toch echte gevangenen en konden ons slechts buiten
in een beperkte ruimte vrij bewegen. Buiten de dubbele rij hekken,
stond heel wat militair vertoon om te voorkomen, dat een onzer zou
ontsnappen. Ook het eten was zindelijk en goed bereid en als ik
't menu vermeld van wat ons den eersten avond om acht uur als diner
werd voorgezet, dan zal men zien, dat men voor geld hier vrij goed
bediend kan worden. Vermicellisoep, gebakken zalm, roastbeef met
verschillende groenten, gevogelte en salade; daarna roomsoezen,
dadels, appelen en sinaasappelen, Turksche koffie en gedurende het
diner, vrij goede landwijn naar believen. Wij moeten echter voor deze
gevangenschap twintig francs per dag betalen, een som, waarvoor wij
in elk hotel een goede kamer en goed voedsel kunnen verkrijgen.
Niet alleen is de directrice een Engelsche dame, maar ook eene der
doctoren is een vrouwelijke collega uit Engeland. Het zijn voornamelijk
deze twee vrouwen, die hier met gezag hebben op te treden, wat zeer
veel tact vereischt, omdat de meeste gasten hier tegen wil en dank
gehouden worden en mokkende en halsstarrig zijn.
Toen echter den volgenden morgen het bevel kwam, dat wij allen tot
Maandag moesten blijven, toen maakte de vroolijke stemming weldra
plaats voor een tragische. Onder onze medegevangenen, wij waren met 54
eerste klasse-passagiers, waren verschillende groote handelslieden,
die door dit oponthoud aanmerkelijke schade leden, anderen, die voor
ernstige familie-aangelegenheden tehuis of in den familiekring moesten
zijn en de plannen van elkeen werden door dit lange onvoorziene
oponthoud min of meer gedwarsboomd. Bovendien was er in onze
gevangenis niets te krijgen, wat de eentonigheid van het verblijf
kon verminderen. Als er geen van de drie maaltijden in voorbereiding
waren, dan konden wij zelf eenige tafels en ongemakkelijke stoelen
naar buiten sleepen, voor een gemakkelijker zitgelegenheid kon men
naar de slaapzaal gaan en zijn bed gebruiken. Meer dan de helft
van den tijd werd dan ook door ons op bed en slapende doorgebracht;
achteraf beschouwd kwam deze ongezochte rustkuur ons uitstekend ten
goede, na de gejaagde, vermoeiende tocht door Arabië en de emotievolle
dagen aan boord van dat vieze, Fransche schip.
Met eenige Mohammedaansche dames, die onder onze lotgenooten waren
en waarvan enkelen Engelsch, anderen Fransch spraken, maakten wij nu
wat nader kennis en vernamen van hen allerlei bijzonderheden. Een
paar van hen waren Drusen, dat zijn Mohammedanen, die Mohammed wel
vereeren, doch niet aanbidden. Zij aanbidden alleen God en gelooven,
dat God nu en dan groote wijsgeeren doet geboren worden, die de
overige menschheid in ontwikkeling ver vooruit zijn, doch dat niet
alleen Mohammed en Christus zulke wijsgeeren waren, maar er telkens
nog zoodanigen geboren worden, waardoor de geheele menschheid in
ontwikkeling vooruit gaat. Als aandenken aan onze gezamenlijke
ballingschap hebben die meisjes voor elk van ons een mooi kraagje
gehaakt. Het haakwerk van deze vrouwen is nog fijner en mooier dan
het Iersche haakwerk en heeft ook hooger marktwaarde.
Nu zou ik zeker wel twee brieven kunnen volschrijven als ik in
alle bijzonderheden zou treden van ons vierdaagsch verblijf in deze
gevangenis; als ik uiteenzette, welke gevoelens ons bekropen, toen
wij den eersten morgen in onze slaapzaal ontwaakten en zagen dat
de ramen van onze cel met zware ijzeren stangen getralied waren en
dat daarover heen nog eens een dik ijzeren netwerk gespannen was,
zoodat wij door de ramen niets naar buiten noch naar binnen konden
moffelen; dat ons voedsel drie keer daags van uit Alexandrië moest
worden aangebracht en dat dit door een klein poortje in de dubbele
verschansing, waarachter wij zaten, moest worden naar binnen geduwd;
dat men ons niet alleen een veel te hoogen prijs voor voedsel en logies
liet betalen, doch dat men ons in rekening bracht, en wel vrij hoog,
ons transport per zolderschuit en derde klasse trein van het schip
naar de Lazaretto, en een zeer hooge som voor desinfectie van onze
goederen; dit laatste was daarom zoo schandelijk, omdat niets van
ons goed gedesinfecteerd was, wij hadden onze handbagage bij ons,
het had ons niet verlaten. Toen wij daartegen reclameerden, werd ons
geantwoord, of wij dan liever wilden, dat men het gedesinfecteerd en
daarmede geheel bedorven had, en als wij weigerden te betalen, zou
men ons eenvoudig langer in de Lazaretto houden. Ook zal ik niet in
details treden over alle tegenstrijdige berichten, die wij elken dag
van de directrice, de verschillende doktoren en den eersten officier
kregen, inlichtingen, die elkaar boudweg tegenspraken; of klagen over
den éénen handdoek voor elk onzer, waarmede wij vijf dagen ons moeten
rein houden; of over het ontbreken van hygiënische maatregelen, waar
die het eerst noodig waren; onder al deze omstandigheden bleven wij in
een goed humeur en zagen er al het komische van en vermaakten ons er
mede. Avonturen zijn in den regel niet prettig als men ze ondervindt,
men lacht er alleen later over; dit avontuur, zoo ongezocht--wij hadden
in Arabië alles gedaan om juist aan de quarantaine te ontkomen--gaf
ons terwijl wij het ondervonden, toch menig vroolijk uurtje.
Het schandelijkste van alles is wel de wijze waarop men de gevangenen
vrij laat. Evenals werkelijke misdadigers werden wij eenvoudig met
al onze bagage buiten de poort gezet en vernamen wij, dat wij op ruim
vier mijlen afstand van Alexandrië waren. Onze groep had door middel
van de directrice bij Cook's office aangevraagd ons eenige rijtuigen te
zenden, en er waren eenige rijtuigen, die altijd rond zoo'n instelling
zwermen om degeen, die vrijkomt, voor een veel te hooge som naar de
stad te brengen, maar overigens moest elkeen nu maar zien, op welke
wijze hij of zij de pas verkregen vrijheid wilde gebruiken. Geen
enkele maatregel, om het de menschen gemakkelijk te maken, was genomen.
En nu zullen velen misschien nieuwsgierig zijn te weten hoe mrs. Catt
zich onder deze omstandigheden hield. Zij was steeds de prettigste,
opgewektste, tevredenste van allen en vond het "a new experience
in her life". De wijze waarop zij den laatsten morgen haar boeltje
bijeenpakte en elk hoekje van onze cel nog eens doorkeek, om alles
vooral goed in haar geheugen te griffen, was waard vereeuwigd te
worden. Zij is maar één oogenblik boos geweest, dat was toen zij haar
naam moest teekenen onder de kwitantie en zij er bij wilde zetten,
"betaald onder protest", en haar dit geweigerd werd, maar ook deze
boosheid had een komische zijde en deed haar later schaterlachen.
Wij zijn nu weder vrij, onze kennis is verrijkt, wij weten nu
hoe gevangenen zich moeten gevoelen, hoe het in een Egyptisch
quarantaine-station toegaat, hoe beschaafde Arabieren, Turken, Grieken
en andere oriëntaalsche menschen zich met ons beschaafd weten te
gedragen, en over dat alles verheugen wij ons en klagen niet.